Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000

Rbka

Huidige tekst

Artikel 2 Rbka

Geldt sinds 1 december 2000

Verlening van een beginseltoestemming bij overschrijding van de leeftijdsgrens van tweeënveertig jaren door een aspirant-adoptiefouder ( artikel 5, vijfde lid, onder b. , juncto artikel 3, eerste lid, laatste zin van de wet ). 1 Indien een aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van indiening van het verzoek om verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van tweeënveertig jaren heeft bereikt, kan dit verzoek worden ingewilligd indien bijzondere omstandigheden inwilliging wenselijk maken. Op bijzondere omstandigheden kan geen beroep worden gedaan in de volgende gevallen: a.bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van twee met elkaar gehuwde aspirant-adoptiefouders tezamen: indien beide aspirant-adoptiefouders op het tijdstip van de indiening van het verzoek de leeftijd van vierenveertig jaren hebben bereikt, of indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de beslissing over de verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van zesenveertig jaren zal hebben bereikt. b. bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van één aspirant-adoptiefouder alleen, indien die aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de indiening van het verzoek de leeftijd van vierenveertig jaren heeft bereikt. 2 Als bijzondere omstandigheden worden in ieder geval aangemerkt: a.aannemelijk geworden geschiktheid van en afwezigheid van risicofactoren bij de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind van twee jaar of ouder; b.gebleken bereidheid en aannemelijk geworden geschiktheid van en afwezigheid van risicofactoren bij de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een gehandicapt buitenlands kind; c.de aanwezigheid van een ter adoptie opgenomen buitenlands kind, dat als enig kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders verblijft, mits dit leidt tot een onderplaatsing; d.de aanwezigheid van een broer of zus van het op te nemen buitenlands kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders. In de onder a. tot en met d. genoemde gevallen dient uit specifiek daarop gericht onderzoek, verricht door de raad voor de kinderbescherming, te blijken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt zijn tot de verzorging en opvoeding van een daar bedoeld buitenlands kind en dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht. In de onder c. en d. genoemde gevallen dient bovendien door onderzoek, verricht door de raad voor de kinderbescherming, de daar bedoelde bijzondere omstandigheid bevestigd te worden. 3 In ieder geval wordt niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt de enkele omstandigheid van of combinatie van: a.kinderloosheid; b.het niet eerder ingediend hebben van een verzoek in verband met pogingen om langs natuurlijke weg een kind te krijgen; c.uitstel van gezinsvorming uit overwegingen van carrière-planning; d.behoefte aan hernieuwde gezinsvorming nadat kinderen inmiddels het gezin hebben verlaten; e.het - regelmatig - functioneren als vakantie-adres voor kinderen; f.het uitoefenen van een beroep of functie waaruit een bijzondere geschiktheid tot het omgaan met kinderen zou blijken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RVS:2010:BO3457Raad van State, 10 november 2010 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 24 september 2009 heeft de minister het verzoek van [appellant A] om toestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie (hierna: beginseltoestemming) afgewezen.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.