Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005

Rva

Huidige tekst

Artikel 7 Rva

Geldt sinds 1 juli 2026

  1. 1

    Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen: a.indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend: • op de dag waarop naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of; • op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen; b.indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden; c.indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d van deze regeling opvang is geboden: • op de dag waarop voor de asielzoeker met wie gezinshereniging wordt beoogd naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of; • op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen; d.indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd; e.indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h van deze regeling opvang is geboden: op de dag na de dag waarop naar het oordeel van Onze Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000; f.indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder i van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45 vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000, is ingetrokken; g.indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder j van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 is ingetrokken; h.indien een asielzoeker tot ongewenst vreemdeling als bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 is verklaard of indien het een asielzoeker betreft jegens wie een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van die wet geldt en de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft: onmiddellijk; i.indien het een asielzoeker betreft die niet binnen 48 uur na overplaatsing in een opvangvoorziening dan wel in de handhavings- en toezichtlocatie, arriveert: op het moment waarop deze termijn verstrijkt; j.indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie: twee weken nadat hij voor de eerste maal heeft verzuimd zich bij de Vreemdelingenpolitie te melden; k.indien een asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt danwel gegevens heeft achtergehouden, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degenen voor wie hij zorgt, ten onrechte een aanspraak te doen ontstaan op de verstrekkingen bedoeld in artikel 9 van deze regeling, danwel ten onrechte de hoogte van de verstrekkingen te doen stijgen; l.indien een asielzoeker niet de instemming heeft verkregen als bedoeld in artikel 12 van deze regeling; m.indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder o, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h,van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd; n.indien het een vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht heeft op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9a. Minderjarige vreemdelingen in gezinsverband behouden recht op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die een vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.

  2. 2

    Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet van invloed op het moment van het eindigen van het recht op opvang.

  3. 3

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, eindigt het recht op opvang indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft, die voorafgaand aan de aanvraag op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd, aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2012:BW5328Parket bij de Hoge Raad, 21 september 2012 (civiel recht)

    Vreemdelingenrecht; Vw 2000; art. 3 IVRK, art. 3 en 8 EVRM, art. 17 en 31 ESH; Richtlijn 2003/9/EG (Opvangrichtlijn); Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Vordering in kort geding tegen de…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:25193Rechtbank Den Haag, 1 september 2026 (vreemdelingenrecht)

    Vovo en beroep ivm voorgenomen beëindiging opvang op 2 september 2026. Onbevoegd kennis te nemen van beroep want mededeling COa is geen besluit in de zin van de Awb. Doorgepakt en vovo afgewezen.

  • ECLI:NL:RBMNE:2025:6343Rechtbank Midden-Nederland, 25 november 2025 (civiel recht)

    Ontruiming opvanglocatie AZC omdat gedaagde passende woonruimte is aangeboden en hij deze ten onrechte heeft geweigerd.

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:22051Rechtbank Den Haag, 21 november 2025 (civiel recht)

    Civiel recht, kort geding, verbintenissenrecht Artikel 7 lid 1 a Rva 2005. Ontruiming van door het COA verzorgde opvangruimte in een AZC wegens onterechte weigering van aangeboden ‘passende…

  • ECLI:NL:GHARL:2025:6872Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 november 2025 (civiel recht)

    Kort geding. Vordering tot ontruiming uit opvang AZC na woningaanbod.

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:19816Rechtbank Den Haag, 18 september 2025 (vreemdelingenrecht)

    Beroep gegrond. Beëindiging van opvang van eiser in opvanglocatie van het COa was onrechtmatig. Niet voldaan aan voorwaarden van artikel 20 van de Opvangrichtlijn.

  • ECLI:NL:RBNHO:2025:9792Rechtbank Noord-Holland, 25 augustus 2025 (civiel recht)

    Het COA vordert in kort geding ontruiming van gedaagde en haar vier maanden oude baby uit het asielzoekerscentrum in Den Helder. Volgens het COA valt gedaagde niet langer onder een van de categorieën…

  • ECLI:NL:RBMNE:2025:4428Rechtbank Midden-Nederland, 15 augustus 2025 (civiel recht)

    Eisers zijn in 2015 vanuit Irak naar Nederland gekomen. Zij verblijven in een ruimte in het Asielzoekerscentrum in [plaats] aan de [adres 1] die het COA aan hen ter beschikking heeft gesteld (hierna…

87 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.