Huidige tekst
Artikel 4:3 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
Beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare geldboetes De Minister betrekt bij het vormen van een oordeel als bedoeld in artikel 6:1:11 van de wet met betrekking tot de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van geldboeten te beëindigen, in ieder geval: a.de aard en de ernst van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de geldboete; b.de effecten op lopende zorgtrajecten of re-integratietrajecten, alsmede de invloed op het slagen van deze trajecten, indien de tenuitvoerlegging niet wordt beëindigd; c.het uitblijven van het plegen van enig strafbaar feit of het overtreden van enige voorwaarde gedurende de tenuitvoerlegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen; d.de mate waarin de veroordeelde opgelegde voorwaarden heeft nageleefd.