Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Huidige tekst

Artikel 2 Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Geldt sinds 1 mei 2025

Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen 1 De contante waarde van de aanpassingskasstromen CW* wordt vastgesteld door eerst de aanpassingskasstromen KS* ( i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen via de formule waarbij de jaarlijks trapsgewijs stijgende functie q ( h) als volgt is gedefinieerd: met [ h] de op hele jaren neerwaarts afgeronde looptijd en N de spreidingstermijn in jaren, die gelijk is aan tien jaar. Vervolgens worden de aanpassingskasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken, variabele uitkeringen, inleggarantie of rendementsgarantie die voortvloeien uit een premieovereenkomst en die volgens artikel 1, tweede of derde lid, worden meegenomen in waarde P wordt geen aanpassingskasstroom vastgesteld. 2 Om de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bij opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst vast te stellen, worden de volgende stappen doorlopen: a. Voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 worden de verwachte uitgaande kasstromen KS voor (i,h) bepaald, zodat de contante waarde hiervan gelijk is aan CW voor. Voor deze bepaling gebruikt het fonds de hiervoor benodigde aannames en methodes, waarbij het zich baseert op zo realistisch mogelijke aannames en de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven. Een fonds kan hiervan afwijken, indien toepassing van het op 30 juni 2022 in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet dan wel artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vastgelegde beleidskader bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie, of voor zo ver dit leidt tot een realistischere bepaling van de kasstromen KS voor (i,h). De onderbouwing van een afwijking wordt overeenkomstig artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in het implementatieplan opgenomen. b. Vervolgens kan de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bepaald worden, overeenkomstig het eerste lid. 3 In afwijking van N, de spreidingstermijn van tien jaar, kan een fonds een kortere of langere spreidingstermijn hanteren. Een langere spreidingstermijn is uitsluitend toegestaan voor zover de verhouding tussen het beschikbare vermogen M en de technische voorzieningen van een fonds meer dan 100 procent betreft. Hierbij is M gelijk aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. 4 Bij toepassing van een andere spreidingstermijn dan tien jaar wordt bij de onderbouwing in het implementatieplan, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel i, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval de bestandssamenstelling van het fonds betrokken. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom een spreidingstermijn van tien jaar tot een onevenwichtiger nadeel zou leiden dan bij de gekozen afwijkende spreidingstermijn.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.