Huidige tekst
Artikel 8.5.3.2 Mijnbouwregeling
- 1
De topafsluiting wordt aangebracht: a.op land: in de nabijheid van het maaiveld, waarbij rekening wordt gehouden met de herinrichting van het terrein; b.onder oppervlaktewater: in de nabijheid van de bodem, indien een risico op nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig is.
- 2
Het putmateriaal wordt verwijderd: a.op land tot een diepte van 3 meter onder het maaiveld of dieper als de herinrichting van het terrein dat vereist; b.onder oppervlaktewater tot een diepte van 6 meter onder de bodem, met dien verstande dat een grotere diepte dan 6 meter wordt aangehouden, indien de mogelijkheid van verandering van de bodem daar aanleiding toe geeft.