Huidige tekst
Artikel 5.3 Mijnbouwregeling
- 1
Een boven het oppervlaktewater uitstekende mijnbouwinstallatie is voorzien van een of meer witte lichten.
- 2
De lichten branden van zonsondergang tot zonsopkomst en wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt. De lichten branden synchroon en hebben een Morsekarakter overeenkomend met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden, verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde.
- 3
De lichten hebben elk een sterkte van ten minste 1400 candelas.
- 4
De lichten zijn zodanig geplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, tenminste één licht zichtbaar is. De lichten zijn niet lager dan 12 m en niet hoger dan 30 m boven gemiddeld zeeniveau geplaatst.
- 5
De lichtbundel is in het verticale vlak zodanig verdeeld, dat het licht vanaf de grootste afstand van zichtbaarheid tot in de onmiddellijke nabijheid van de mijnbouwinstallatie op een hoogte van 5 meter boven gemiddeld zeeniveau zichtbaar is.
- 6
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op verzoek van de uitvoerder afwijkende eisen stellen voor het plaatsen van de lichten voor de periode van plaatsing of verwijdering van de mijnbouwinstallatie.