Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut

Huidige tekst

Artikel 20 Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut

Geldt sinds 1 juli 2008

  1. 1

    Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden: a.het in het kader van het oefentherapeutische onderzoek bij de patiënt afnemen van een anamnese; b.het stellen van een oefentherapeutische diagnose, opstellen van een behandelplan of behandeladvies; c.het zo nodig afstemmen met andere disciplines; d.het registreren en evalueren van behandelgegevens; e.het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte oefentherapeutische zorg; f.het zo nodig verwijzen naar een andere zorgverlener.

  2. 2

    Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om: a.effectief te communiceren met de patiënt en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met diens naaste betrekkingen; b.in het kader van formele relaties, intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg; c.een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt aan te gaan, te onderhouden en af te ronden; d.met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in en buiten de organisatie professioneel samen te werken.

  3. 3

    Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zodanig ingericht dat betrokkene in staat is om: a.in het kader van preventie en gezondheidsvoorlichting voor diverse doelgroepen adviezen en oefenprogramma’s te ontwikkelen, uit te voeren en te evalueren met betrekking tot houdings- en bewegingsgedrag; b.in het kader van preventie doelgerichte voorlichting te geven aan een persoon met gezondheidsbevordering als doel; c.in het kader van therapietrouw en veranderingen ten aanzien van houdings- en bewegingsgedrag de patiënt tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten en te begeleiden.

  4. 4

    Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om: a.de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden, en deze zo nodig planmatig te verbeteren; b.aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen; c.een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden; d.algemeen maatschappelijke en beroepsspecifieke innovaties te integreren in het eigen professionele handelen.

  5. 5

    Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om: a.vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling of organisatie; b.al dan niet met anderen tot een effectieve, efficiënte en hygiënische praktijk- en bedrijfsvoering te komen; c.effectief leergedrag bij stagiaires en nieuwe collega’s te stimuleren, zodat beginnende oefentherapeuten op professionele wijze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie; d.middelen en materialen te beheren, zodat de dienstverlening aan de patiënt vanuit de organisatie effectief en efficiënt verloopt; e.nieuw beleid te volgen en te initiëren zodat de dienstverlening in de toekomst gewaarborgd wordt.

  6. 6

    Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om: a.het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen, de stand van de wetenschap en de geldende waarden en opvattingen die patiëntengroepen hebben ten aanzien van oefentherapeutische zorg; b.ethische vraagstukken die zich voordoen bij de oefentherapeutische handelingen te onderkennen en hanteren; c.te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de oefentherapeutische beroepsuitoefening; d.te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan oefentherapeutische zorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel; e.prioriteiten te stellen voor het verlenen van oefentherapeutische zorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de patiënt; f.te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de gezondheidszorg gericht op oefentherapeutische zorg; g.op een wetenschappelijke en effectieve manier informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen; h.te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen; i.de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein; j.anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling; k.bij te dragen aan de ontwikkeling van de professie.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.