Huidige tekst
Artikel 23 Arbeidsveiligheidsbesluit II BES
- 1
Een ladder die gebruikt wordt als middel van verkeer moet tenminste 1 m uitsteken boven het hoogste punt dat een persoon, die de ladder gebruikt, moet bereiken, tenzij een der bomen door een stevig bevestigde rib van 5 x 7 cm tot deze hoogte is verlengd.
- 2
Ladders mogen niet rusten op losse stenen of ander los materiaal, maar moeten een horizontaal en stevig steunvlak hebben.
- 3
Een ladder moet: a.deugdelijk bevestigd zijn zodat zij noch boven noch beneden kan verschuiven; of b.indien zij niet boven vastgemaakt kan worden, moet zij beneden deugdelijk worden bevestigd; of c.indien het vastmaken beneden ook onmogelijk is, moet een persoon beneden aan de voet staan om uitglijden te voorkomen.
- 4
Ongeoorloofde doorbuiging van ladders moet worden voorkomen.
- 5
Ladders moeten gelijkelijk en doelmatig op de bomen steunen.
- 6
Houten ladders mogen niet geverfd, wel geolied of blank gevernist zijn.
- 7
Waar ladders verschillende verdiepingen verbinden moeten de ladders trapsgewijze geplaatst worden en moet een veilige toegang met de kleinst mogelijke opening op elke verdieping beschikbaar zijn.
- 8
Een ladder, die een sport mist of die een gebrekkige sport heeft, mag niet op het werk aanwezig zijn en dient dus onverwijld te worden gerepareerd of afgevoerd.
- 9
Een ladder, waarvan een of meer sporten steun ontlenen aan draadnagels, spijkers of soortgelijke bevestigingsmaterialen, mag niet worden gebruikt.
- 10
Houten ladders moeten samengesteld zijn uit: a.bomen van voldoende sterkte, gemaakt van hout, vrij van zichtbare gebreken, waarvan de vezels doorlopen, en b.sporten gemaakt van hout, vrij van zichtbare gebreken en ingelaten in de bomen.
- 11
Ladders dienen te voldoen aan de eisen die voor elk werk afzonderlijk dienen te worden gesteld.