Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9919Zaaknummer BRE 25/5610 en 25/5613
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/5610 en 25/5613
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanslagen IB 2020 en 2021, heffingsrecht pensioenuitkeringen
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
| griffier | rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5610 en 25/5613
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) en de bij gelijktijdige beschikkingen in rekening gebrachte belastingrente (hierna: de belastingrentebeschikkingen). Belanghebbende is het niet eens met de aanslagen en belastingrentebeschikkingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de inspecteur de aanslagen IB 2020 en 2021 naar te hoge bedragen heeft vastgesteld en of de belastingrente terecht in rekening is gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB 2020 en 2021 niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld en dat de belastingrente terecht in rekening is gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB voor de jaren 2020 en 2021 opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 7 oktober 2025 de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB 2020 en 2021 en de belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [zoon], en namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
Feiten
3. Belanghebbende heeft in de periode 1968 – 1990 in Nederland gewoond en gewerkt als apotheker. Gedurende die periode heeft hij pensioen opgebouwd bij Stichting Pensioenfonds Openbare Apothekers (hierna: pensioenfonds Apothekers). Belanghebbende oefende zijn praktijk uit in de besloten vennootschap [B.V.] (hierna: de BV).
Belanghebbende heeft in de periode 1984 – 1990 via een polis pensioen opgebouwd bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale-Nederlanden).
Op 1 november 1993 is belanghebbende naar België geëmigreerd.
Op 19 oktober 2006 heeft belanghebbende bij Nationale-Nederlanden een pensioenverzekering afgesloten.
In de jaren 2020 en 2021 heeft belanghebbende een AOW-uitkering en pensioenuitkeringen van het pensioenfonds Apothekers en van Nationale-Nederlanden ontvangen. Belanghebbende heeft de volgende bedragen ontvangen:
| Inkomen | 2020 | 2021 |
| AOW-uitkering | € 8.349 | € 8.546 |
| Pensioenfonds apothekers | € 25.052 | € 25.052 |
| Nationale-Nederlanden | € 19.749 | € 19.749 |
Belanghebbende heeft met dagtekening 23 september 2022 een brief aan de Belastingdienst Kantoor Buitenland gestuurd met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:
“Aangifte inkomsten 2020
Apothekerspensioenfonds SPOA bruto 25.052,00 EURO
ingehouden loonbelasting in Nederland 2424,00 EURO
in mindering gebracht op in Nederland belastbaar inkomen
Uitkering Nationale Nederlanden bruto 19.749,00 EURO
niet in mindering gebracht op in Nederland belastbaar inkomen
Belgische pensioen bruto 626,62 EURO
AOW man bruto 8349,00 EURO
AOW vrouw bruto 7251,00 EURO netto 5928,00 EURO
Alle inkomsten zijn aangegeven aan de Belgische Belastingdienst en hierover is een definitieve aanslag ontvangen en betaald.”
Belanghebbende heeft voor het belastingjaar 2021 met dagtekening 4 november 2022 eenzelfde brief als de brief van 23 september 2022 gestuurd. De inspecteur beschikt niet (meer) over deze brief.
Eind 2022 heeft de inspecteur via het zogenoemde Central Liaison Office (CLO) gegevens ten aanzien van belanghebbende uit België ontvangen over het belastingjaar 2020. In deze gegevens is vermeld dat over een bedrag van € 8.975 onder de Belgische aangiftecode 1228 personenbelasting is geheven.
In juli 2024 heeft de inspecteur via het CLO gegevens ten aanzien van belanghebbende uit België ontvangen over het belastingjaar 2021. In deze gegevens is vermeld dat over een bedrag van € 9.198,74 onder de Belgische aangiftecode 1228 en over een bedrag van € 21.788,91 onder de Belgische aangiftecode 1158 personenbelasting is geheven. Code 1158 staat voor forfaitair belast.
Bij brieven van 25 april 2023 voor het belastingjaar 2020 en 9 juli 2024 voor het belastingjaar 2021 heeft de inspecteur aangekondigd het ouderdomspensioen van Nationale Nederlanden en van het Pensioenfonds Apothekers in de Nederlandse inkomstenbelastingheffing te zullen betrekken. Belanghebbende heeft daar voor het belastingjaar 2020 op gereageerd bij brief van 15 mei 2023.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.801, bestaande uit de pensioenuitkeringen. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 358 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2021 met dagtekening 28 augustus 2024 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.801, bestaande uit de pensioenuitkeringen. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 523 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
Beoordeling door de rechtbank
Aanslagen IB 2020 en 2021
4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of Nederland het heffingsrecht heeft over de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden op grond van het Belastingverdrag Nederland – België van 5 juni 2001[_9b5296ef-51a4-4a5a-8eb9-676243eb4805] (het Verdrag). Meer specifiek houdt partijen verdeeld of de betaalde premies aan Nationale-Nederlanden in het verleden in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in het verleden in Nederland in aanmerking zijn gekomen voor fiscale faciliëring, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Verdrag. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de overige twee voorwaarden in artikel 18, tweede lid, van het Verdrag wordt voldaan, evenals overigens aan de voorwaarde genoemd in de laatste alinea van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag.
Op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast, rust de bewijslast voor inkomensverhogende factoren op de inspecteur. Het is daarom in eerste instantie aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de uitkering tot het in Nederland belastbare inkomen behoort.
De inspecteur stelt dat aan deze bewijslast is voldaan. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar het standpunt dat hij in de procedure over de jaren 2016 tot en met 2019 heeft ingenomen en naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 juli 2025[_21c88cb1-8592-4a3a-8e3c-a1679b462fd2] in die procedure. Volgens de inspecteur bestaat voor de jaren 2020 en 2021 geen aanleiding om op dit punt tot een ander oordeel te komen.
De rechtbank stelt vast dat ook in deze procedure niet duidelijk is geworden hoe het pensioen destijds tussen belanghebbende en zijn vennootschap is vormgegeven, wie de premies heeft betaald en hoe deze fiscaal zijn behandeld. Stukken die daarover uitsluitstel kunnen geven, zijn niet meer beschikbaar. In de procedure over de jaren 2016 tot en met 2019 heeft het hof geoordeeld dat de inspecteur, gelet op de wijze waarop Nationale-Nederlanden het pensioen heeft gerenseigneerd en de aanduiding van de verzekering op het polisblad, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkeringen voortkomen uit in het verleden door een werkgever aan belanghebbende toegezegde pensioenaanspraken. De rechtbank zie geen aanleiding om het door de inspecteur aangevoerde voor de onderhavige jaren anders te waarderen. Dergelijke werkgeverspensioenen waren in de opbouwfase over het algemeen fiscaal gefacilieerd. Het is daarom aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders was.
Belanghebbende stelt dat de opbouw van het pensioen bij Nationale-Nederlanden niet fiscaal is gefacilieerd. Hij voert daartoe aan dat het hem in de jaren tachtig vrijstond om betaalde premies al dan niet op zijn inkomen in mindering te brengen en dat hij de premies voor de verzekering bij Nationale-Nederlanden niet in aftrek heeft gebracht. Volgens belanghebbende was aftrek daarvan bovendien feitelijk niet mogelijk. Hij betaalde in die periode reeds premies voor het Pensioenfonds Apothekers en aanzienlijke hypotheekrente. Gelet op de hoogte van zijn inkomen resteerde volgens belanghebbende geen ruimte om daarnaast ook de premies voor Nationale-Nederlanden ten laste van zijn belastbare inkomen te brengen. Belanghebbende voert verder aan dat uit het enkele feit dat de premies via zijn BV werden betaald, niet kan worden afgeleid dat de BV deze voor haar rekening heeft genomen. Volgens hem was het destijds gebruikelijk dat ook privé-uitgaven via de BV werden betaald en vervolgens via de rekening-courantverhouding met de BV werden verrekend. De BV zou de premies van Nationale-Nederlanden slechts hebben voorgeschoten. Belanghebbende wijst in dit verband op de stukken betreffende zijn rekening-courantverhouding met de BV die hij in de procedure over de eerdere jaren heeft overgelegd. Ook wijst hij erop dat zijn belastingaangiften destijds werden verzorgd door Coopers & Lybrand. Volgens belanghebbende heeft de fiscale verwerking destijds overeenkomstig de gelden regels plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de pensioenopbouw in zijn geval niet fiscaal is gefacilieerd. Niet uitgesloten is dat de premies destijds zijn behandeld zoals belanghebbende stelt. Zijn toelichting en de door hem genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter – tegenover het betoog van de inspecteur – op zichzelf onvoldoende om dat aannemelijk te maken. Het ligt op de weg van belanghebbende om zijn stelling met objectieve gegevens nader te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende door het tijdsverloop in bewijsnood verkeert, maar die bewijsnood komt in dit geval voor rekening van belanghebbende.
Het voorgaande betekent dat de aanslagen IB 2020 en 2021 niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
Belastingrente
Belanghebbende stelt dat de aan hem in rekening gebrachte belastingrente moet worden verminderd. Hij voert aan dat de Belastingdienst hem, ondanks herhaalde verzoeken, geen aangiftebiljetten heeft toegezonden. Hij heeft daarom voor de jaren 2020 en 2021 zelf op papier zijn inkomensgegevens aan de Belastingdienst verstrekt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur deze gegevens vervolgens geruime tijd laten liggen voordat de aanslagen zijn vastgesteld, terwijl over die periode wel belastingrente in rekening is gebracht. Dat acht belanghebbende niet redelijk.
De rechtbank stelt voorop dat onder omstandigheden algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, kunnen meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt.[_bdc013b9-41ea-453c-a6e0-46e13f9f6c3d] De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om de berekening van belastingrente te beperken. Ook indien de inspecteur naar aanleiding van de brieven van belanghebbende eerder een voorlopige aanslag had opgelegd, mocht hij daarbij in beginsel uitgaan van de door belanghebbende verstrekte gegevens. De inspecteur hoefde in dat stadium niet te onderzoeken of het daarin ingenomen standpunt over de uitkering van Nationale-Nederlanden juist was. Belanghebbende had die uitkering in zijn brieven niet tot het in Nederland belastbare inkomen gerekend. Een voorlopige aanslag overeenkomstig die gegevens zou daarom niet hebben voorkomen dat bij de definitieve aanslagen alsnog belastingrente werd berekend over de correcties van die uitkering. Dat de definitieve aanslagen pas op een later moment zijn vastgesteld, maakt onder deze omstandigheden niet dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de inspecteur voor het vaststellen van de definitieve aanslag in beginsel beschikt over de wettelijke aanslagtermijn van drie jaar.
Het voorgaande betekent dat ook de belastingrentebeschikkingen bij de aanslagen IB 2020 en 2021 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB 2020 en 2021 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
| griffier | rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Voetnoten
- Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen gesloten op 5 juni 2001.
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2124.
- Vgl. Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524 en Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.