Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 28 maart 2001
ECLI:NL:HR:2001:AB0764Zaaknummer 35968
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 maart 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 35968
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, in tegen-woordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2001.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 35968
28 maart 2001
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 januari 2000, nr. 95/1489, betreffende na te melden beschikking inzake heffingsrente.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is door de Inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te P (hierna: de Inspecteur) over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 januari 1993 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 1.574.130. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van f 320.144 aan heffingsrente in rekening gebracht, welke bedrag op het aanslagbiljet is vermeld.
De beschikking inzake heffingsrente is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot rente over de tot en met 30 juni 1992 van belanghebbende nageheven belasting met als einddatum 28 juni 1995. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In 1991 is belanghebbende een omzetbelastingnummer toegekend. Voor een deel van dat jaar heeft de Inspecteur haar aangiftebiljetten voor de omzetbelasting toegezonden. Zij heeft met enkele van deze biljetten zogenoemde nihilaangiften gedaan. De andere biljetten heeft belanghebbende oningevuld teruggezonden aan de Inspecteur. Vanaf 1992 zijn aan haar geen aangiftebiljetten omzetbelasting meer toegezonden. Belanghebbende heeft bij brieven van 1 juni 1992 en 8 oktober 1992 de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te U vergeefs verzocht aan haar aangiftebiljetten uit te reiken. Belanghebbende heeft de door haar over 1991 en 1992 verschuldigde omzetbelasting niet uit eigen beweging voldaan. Wel heeft zij de door haar verschuldigde omzetbelasting vanaf 1991 als passiefpost opgenomen in de bij haar aangiften vennootschapsbelasting gevoegde fiscale vermogensopstellingen.
3.2. Voor het Hof was in geschil of terecht heffingsrente is berekend over de omzetbelasting welke belanghebbende verschuldigd is geworden in de jaren 1991 en 1992. Het Hof heeft geoordeeld dat vanwege onzorgvuldig handelen van de belastingdienst heffingsrente slechts mag worden berekend over de tot en met 30 juni 1992 verschuldigd geworden omzetbelasting.
3.3. Bij de beoordeling van de tegen voormeld oordeel gerichte middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Bij de heffing van omzetbelasting ligt het initiatief bij de belastingplichtige. Hij dient uit eigen beweging de belasting op aangifte te voldoen, en door de belasting tijdig te voldoen kan hij voorkomen dat heffingsrente wordt verschuldigd. Slechts indien en voorzover voldoening uit eigen beweging om bij de belastingdienst gelegen redenen niet mogelijk is of door de belastingdienst niet wordt gewenst, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht. Voorts kunnen onder omstandigheden ook het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel nopen tot het achterwege laten of beperken van de berekening van heffingsrente.
3.4. Belanghebbende heeft zich voor het Hof ter rechtvaardiging van haar handelwijze beroepen op een afspraak tussen belanghebbende enerzijds en de Inspecteur en de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te U anderzijds, inhoudende dat belanghebbende bij laatstgenoemde dienst geregistreerd zou worden en van deze aangiftebiljetten zou ontvangen. In het oordeel dat het Hof in de brief van de gemachtigde aan laatstgenoemde inspecteur van 5 november 1991 niet leest dat tussen belanghebbende en de belastingdienst een afspraak is tot stand gekomen, ligt besloten dat het Hof het bestaan van die afspraak niet aannemelijk heeft geacht. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het wordt derhalve door middel 1 vergeefs bestreden. Nu middel 2 uitgaat van het bestaan van voormelde afspraak, kan dit evenmin tot cassatie leiden.
3.5. De met 3 aangeduide middelen betreffen in de eerste plaats het oordeel van het Hof dat tot 24 januari 1992 aan beide partijen een verwijt is te maken met betrekking tot het niet tijdig doen van aangifte door belanghebbende. Wat belanghebbende betreft, heeft het Hof dit oordeel gegrond op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf april/mei 1991 over een omzetbelastingnummer beschikte en, gelet op de aan haar toe te rekenen wetenschap van haar gemachtigde omtrent de praktijk van de omzetbelasting, de belasting kon voldoen. De middelen bestrijden deze redengeving met een betoog dat erop neerkomt dat belanghebbende overeenkomstig de hiervóór in 3.4 vermelde afspraak heeft gehandeld. In zoverre moeten de middelen het lot van de middelen 1 en 2 delen.
Voorts betogen de middelen dat als ook de Inspecteur een verwijt kan worden gemaakt, zoals het Hof heeft geoordeeld, zulks ook voor de Belastingdienst financiële gevolgen zou moeten hebben. Die opvatting kan evenwel niet als juist worden aanvaard, nu gelet op het zo-even overwogene ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende door uit eigen beweging de omzetbelasting te voldoen, de verschuldigdheid van heffingsrente had kunnen voorkomen.
Om dezelfde reden falen de middelen voorzover zij betogen dat veel eerder dan 1 juli 1992 het punt was bereikt dat de belastingdienst te dezen zodanig onzorgvuldig handelen kan worden verweten, dat hij zijn recht om aan belanghebbende heffingsrente in rekening te brengen, heeft verwerkt.
3.6. Middel 4 verwijt het Hof terecht dat het onbehandeld heeft gelaten het beroep van belanghebbende op het begunstigende beleid met betrekking tot startende ondernemers, dat is neergelegd in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 1995, V-N 1995, blz. 1067. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. Uit de onderdelen 10 en 13 van dat besluit blijkt immers dat het begunstigende beleid is bedoeld voor gevallen waarin de startende ondernemer niet uit eigen beweging de omzetbelasting kan betalen, omdat hij niet in het bezit is van een omzetbelastingnummer. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
Het Hof heeft de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot rente over de tot en met 30 juni 1992 van belanghebbende nageheven belasting met als einddatum 28 juni 1995. Zonder nadere gegevens omtrent de tot en met 30 juni 1992 verschuldigd geworden omzetbelasting, die niet blijken uit ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding, valt aan de hand van deze beslissing de verschuldigde heffingsrente niet te berekenen. Het Hof heeft aldus derhalve verzuimd de grondslag voor de berekening van de heffingsrente, zijnde de verschuldigd geworden belasting, vast te stellen.
’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Nu het beroep in cassatie, zij het op een ambtshalve bijgebrachte grond, leidt tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak, moet het gegrond worden verklaard.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, in tegen-woordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2001.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9919 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:1044 Parket bij de Hoge Raad, 26 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:743 Gerechtshof Den Haag, 11 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:434 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2112 Gerechtshof Den Haag, 25 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1028 Gerechtshof Den Haag, 26 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:383 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:384 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:385 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:386 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:387 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:388 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:389 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:390 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:391 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:392 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:393 Gerechtshof Den Haag, 16 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:1303 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:367 Rechtbank Den Haag, 5 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1687 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1689 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12429 Rechtbank Noord-Holland, 21 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1988 Gerechtshof Den Haag, 22 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad, 13 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11346 Rechtbank Den Haag, 8 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:1468 Raad van State, 7 juli 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:1883 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12998 Rechtbank Den Haag, 10 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2412 Gerechtshof Den Haag, 9 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2383 Gerechtshof Den Haag, 1 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1605 Gerechtshof Den Haag, 11 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2519 Rechtbank Noord-Nederland, 10 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1200 Gerechtshof Den Haag, 12 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:2522 Rechtbank Den Haag, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10477 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:9734 Rechtbank Den Haag, 29 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:459 Rechtbank Gelderland, 30 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4922 Gerechtshof Amsterdam, 13 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3831 Rechtbank Gelderland, 6 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:3126 Hoge Raad, 15 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4582 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:220 Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9612 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:6854 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2122 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1853 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 mei 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:2926 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 april 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:8722 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:8723 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2014:3816 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4633 Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:5102 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:5108 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2014:2480 Rechtbank Noord-Holland, 19 maart 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2013:15140 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2013 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.