Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8341Zaaknummer C/02/449444 / KG ZA 26-336
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/449444 / KG ZA 26-336
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort geding, Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling tot nakoming zorgregeling op straffe van een dwangsom, vervangende toestemming identiteitskaart, afwijzing vordering vervangende toestemming vakantie
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie:
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de beschikking van 22 mei 2025, ingevolge welke beschikking de man en de minderjarige [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 1 juli 2025 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdag na school tot maandagochtend voor school, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag na school ophaalt en haar op maandagochtend naar school brengt, alsmede de helft van de vakanties en bijzondere dagen in onderling overleg nader tussen partijen in te vullen, zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,-- (zegge: tweehonderd en vijftig euro) voor iedere keer dat zij niet aan dit vonnis voldoet, met een maximum van € 15.000,-- (zegge: vijftienduizend euro) aan te verbeuren dwangsommen;
In reconventie:
verleent toestemming aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, ten behoeve van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart voor de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;
In conventie en reconventie:
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Diepen, griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/449444 / KG ZA 26-336
30 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie.
De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn de man en de vrouw verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is een medewerker namens de Raad aanwezig geweest om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
2 De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is het navolgende kind geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2025 is het hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 1 juli 2025 bij de vrouw bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] en de man met ingang van 1 juli 2025 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdag na school tot maandagochtend voor school, alsmede de helft van de vakanties en bijzondere dagen in onderling overleg nader tussen partijen in te vullen.
3 De vorderingen in conventie en reconventie
De man vordert in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de vrouw te veroordelen tot nakoming van de beschikking van 22 mei 2025, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat de vrouw niet aan dit vonnis voldoet, en de man te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen;
- met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit kort geding.
Door en namens de man is daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat de vrouw recentelijk heeft aangegeven niet langer uitvoering te geven aan de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige]. Dit naar aanleiding van een door de vrouw gesteld incident op 29 mei 2026 dat niet heeft plaatsgevonden, althans niet op de wijze zoals dat door de vrouw is beschreven. Dit betekent dat er op dit moment geen omgang is tussen de man en [minderjarige]. De man stelt dat partijen al jaren bezig zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Niet eerder heeft de vrouw beschuldigingen geuit over mishandeling van [minderjarige] door de man. De door de vrouw gestelde mishandeling komt voor de man dan ook uit de lucht vallen en wordt nadrukkelijk door de man betwist. De vrouw heeft op vrijdag 29 mei 2026 de politie gebeld om melding te doen van de door haar beweerdelijk geconstateerde mishandeling. De politie heeft die vrijdag ook de man en [minderjarige] nog gesproken en gezien. [minderjarige] heeft vervolgens nog het hele weekend bij de man verbleven. De vrouw is op maandag 1 juni 2026 met [minderjarige] naar de huisarts gegaan en de huisarts heeft letsel geconstateerd bij [minderjarige]. Op dat moment verbleef [minderjarige] echter al niet meer bij de man.
Ten aanzien van de vorderingen in reconventie stelt de man dat de vrouw het afgelopen jaar in totaal vier maanden in Turkije heeft verbleven. De man heeft het vermoeden dat de vrouw voornemens is om definitief met [minderjarige] naar Turkije te vertrekken. Daar komt bij dat de man [minderjarige] nog langer moet missen als de vrouw nu vervangende toestemming voor de vakantie wordt verleend. De man vindt het in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen hen zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Hierbij vindt hij ondersteuning wenselijk; ook om te komen tot een verbetering van de oudercommunicatie. Wanneer het contact tussen de man en [minderjarige] is hersteld en de situatie tot rust is gekomen, kan de moeder met [minderjarige] op vakantie naar Turkije.
De man trekt het verzoek om de tenuitvoerlegging van dit vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie te bewerkstelligen in.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen;
In reconventie vordert de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de verklaring van toestemming van de man, dat ten behoeve van [minderjarige] een reisdocument wordt verstrekt ingevolge artikel 34 lid 2 van de Paspoortwet;
II. de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de verklaring van toestemming van de man, om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Turkije voor de duur van drie weken in de periode van 10 juli 2026 tot en met 23 augustus 2026.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen in reconventie voert de vrouw aan dat zij de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man heeft stopgezet vanwege het ernstige incident op 29 mei 2026. Partijen wonen sinds ongeveer twee jaar in hetzelfde appartementencomplex. De vrouw heeft zelf gezien dat de man [minderjarige] op 29 mei 2026 heeft mishandeld. Ook heeft [minderjarige] dit zelf verteld, zowel aan de huisarts als aan de vrouw. De vrouw heeft hier ook aangifte van gedaan. Tot het incident verliep de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] goed. De overdracht vond plaats op school. Partijen komen elkaar, ondanks dat zij in hetzelfde gebouw wonen, nauwelijks tegen.
De vrouw stelt dat partijen op de wachtlijst staan voor hulpverlening bij het Jeugdloket van de gemeente Roosendaal. De vrouw wil eerst deze hulpverlening afwachten voordat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt hersteld. Het is dus niet zo dat de vrouw [minderjarige] het contact met de man niet gunt of [minderjarige] bij de man wil weghouden. De vrouw realiseert zich dat het petitum van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie verkeerd is geformuleerd en abusievelijk niet de voorlopige ontzegging van de omgang is gevorderd in reconventie. Desondanks wordt namens de vrouw verzocht deze vordering als eis in reconventie mee te nemen. Verder vordert de vrouw vervangende toestemming te verlenen ten behoeve van een reisdocument voor [minderjarige] en vervangende toestemming om met [minderjarige] op vakantie te mogen gaan naar Turkije deze zomervakantie. De vrouw gaat alleen naar Turkije voor vakantie en is niet voornemens zich daar met [minderjarige] te vestigen. Het klopt dat de vrouw in mei 2026 nog met [minderjarige] in Turkije is geweest en daar langer heeft verbleven dan vooraf kenbaar gemaakt. Dit kwam doordat de vrouw nog wat artsen wilde raadplegen vanwege de hartklachten van [minderjarige].
De Raad heeft tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Vooropgesteld wordt dat het zorgelijk is dat er op 29 mei 2026 een incident heeft plaatsgevonden. Dit incident moet niet gebagatelliseerd worden, maar moet ook niet groter worden gemaakt dan het is. De Raad heeft ook naar de voorgeschiedenis van partijen gekeken en hieruit blijkt niet dat er al eerder zorgen waren over het contact tussen [minderjarige] en de man. De Raad ziet het als een incident waarbij partijen ieder een andere visie hebben. De Raad vindt het van belang dat er een betere afstemming komt tussen partijen, zodat [minderjarige] minder wordt belast. De Raad vindt het eveneens van belang dat hulpverlening voor partijen wordt opgestart, gericht op de oudercommunicatie en om partijen te leren hoe zij beter bij [minderjarige] kunnen aansluiten. Het contact tussen de man en [minderjarige] dient in de visie van de Raad zo spoedig mogelijk hersteld te worden, ook als de benodigde hulpverlening nog niet is opgestart. Nu partijen en [minderjarige] in hetzelfde gebouw wonen, staat [minderjarige] continu onder spanning of zij de man tegen zal komen. Aangezien er nog geen bodemprocedure door een van partijen aanhangig is gemaakt, adviseert de Raad partijen om contact op te nemen met het CJG voor het starten van de benodigde hulpverlening.
4 De beoordeling in conventie en in reconventie
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. De man heeft immers sinds 1 juni 2026 geen contact meer met [minderjarige], terwijl daarvoor sprake was van een wekelijkse weekendregeling. De vorderingen van de vrouw zien op een paspoort dat binnen enkele weken verloopt, alsmede op de al gestarte zomervakantie.
De zorgregeling
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een door de rechtbank eerder vastgestelde definitieve zorgregeling moet worden nageleefd. Dit kan anders worden indien feiten zijn voorgevallen die maken dat deze zorgregeling niet (meer) in het belang van het kind moet worden geacht.
De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het incident van 29 mei 2026 impact heeft gehad op [minderjarige], ongeacht of hierin de weergave van de vrouw of van de man wordt gevolgd. Onduidelijk is wat er precies is gebeurd op 29 mei 2026, maar geconstateerd wordt dat de door de vrouw ingeschakelde politie geen aanleiding heeft gezien in te grijpen, alsmede dat de vrouw [minderjarige] na het door haar gestelde incident nog het hele weekend bij de man heeft laten verblijven. Voorts constateert de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van zorgen over het contact tussen de man en [minderjarige] daterend vóór 29 mei 2026.
Vanwege de aangifte die de moeder bij de politie heeft gedaan is ook Veilig Thuis bij het gezin betrokken. Veilig Thuis heeft partijen voor de benodigde vervolgstappen overgedragen aan Jeugdloket [woonplaats]. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat naar verwachting na de zomervakantie een start zal worden gemaakt met de benodigde hulpverlening. De vrouw vindt het belangrijk dat eerst wordt gestart met deze hulpverlening alvorens een start wordt gemaakt met het contactherstel. Gelet op het hiervoor in rechtsoverweging 4.4. overwogene, is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn op grond waarvan de contactregeling tussen de man en [minderjarige] nu geen doorgang kan vinden. De voorzieningenrechter is met de Raad van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het contactherstel met de man zo snel mogelijk zal plaatsvinden en dat hiervoor niet eerst de start van de hulpverlening afgewacht hoeft te worden. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat partijen in hetzelfde appartementencomplex wonen en het in het belang van [minderjarige] is dat zij zich zonder spanning kan bewegen in en om het appartementencomplex en derhalve zonder de spanning dat zij haar vader -die zij al enige tijd niet heeft gezien- in haar directe woonomgeving zal tegenkomen.
Op grond van het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de beschikking van 22 mei 2025 toewijzen. De door de man gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden, zoals hierna in het dictum is vermeld.
Vervangende toestemming reisdocument
De vrouw vordert haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een reisdocument ten behoeve van [minderjarige] en haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] op vakantie naar Turkije te gaan. Ten aanzien van deze vorderingen heeft de vrouw, vanwege het gezamenlijk gezag over [minderjarige], de toestemming van de man nodig.
Op 13 augustus 2026 verloopt het paspoort van [minderjarige]. Blijkens het verhandelde ter zitting wenst de vrouw tot de aanvraag van een paspoort te komen, terwijl de man van mening is dat een identiteitskaart volstaat. Nu de vrouw niet meewerkt aan het aanvragen van een identiteitskaart voor [minderjarige], weigert de man zijn toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige]. De man vreest dat de vrouw met [minderjarige] naar Turkije gaat en niet terugkeert.
Het is in het belang van [minderjarige] dat zij over een geldig legitimatiebewijs beschikt, ook in verband met reizen naar het buitenland of dagtripjes (bijvoorbeeld met school) naar het buitenland. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument dan ook toewijzen. De voorzieningenrechter zal vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart, aangezien hiermee ook naar Turkije kan worden gereisd, mits deze bij aankomst nog 150 dagen geldig is.
Vervangende toestemming vakantie
De voorzieningenrechter acht het echter onder de huidige omstandigheden waarbij het contact met haar vader abrupt is verbroken en er zo spoedig mogelijk contactherstel moet plaatsvinden, niet in het belang van [minderjarige] om met de vrouw op vakantie te gaan voordat aan het contactherstel met de man is gewerkt. Wanneer de vrouw nu met [minderjarige] op vakantie gaat voor de duur van drie weken, wordt de periode dat de man en [minderjarige] geen contact met elkaar hebben gehad steeds groter en daarmee ook de stap om te komen tot contactherstel. De vordering van de vrouw tot vervangende toestemming om met [minderjarige] op vakantie te gaan, zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
De man vordert de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de kosten van deze procedure. In de omstandigheid dat partijen samen de ouders zijn van [minderjarige], ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat iedere partij (zowel in conventie als in reconventie) de eigen proceskosten draagt. De vorderingen van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure zal de voorzieningenrechter dan ook afwijzen.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie:
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de beschikking van 22 mei 2025, ingevolge welke beschikking de man en de minderjarige [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 1 juli 2025 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdag na school tot maandagochtend voor school, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag na school ophaalt en haar op maandagochtend naar school brengt, alsmede de helft van de vakanties en bijzondere dagen in onderling overleg nader tussen partijen in te vullen, zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,-- (zegge: tweehonderd en vijftig euro) voor iedere keer dat zij niet aan dit vonnis voldoet, met een maximum van € 15.000,-- (zegge: vijftienduizend euro) aan te verbeuren dwangsommen;
In reconventie:
verleent toestemming aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, ten behoeve van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart voor de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;
In conventie en reconventie:
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Diepen, griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.