Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8330Zaaknummer C/02/435626 / FA RK 25-2601

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/435626 / FA RK 25-2601
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek wijziging gezamenlijk gezag en afwijzing ingetrokken verzoek vervangende toestemming vakantie.

De rechtbank

wijst de verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/435626 / FA RK 25-2601

datum uitspraak: 30 juli 2026

beschikking over vervangende toestemming vakantie en wijziging gezamenlijk gezag

in de zaak van

[de vrouw],

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. R.A. Remport Urban in Maastricht-Airport,

tegen

[de man],

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 2].

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, hierna: [minderjarige].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het procesverloop

1.1

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 21 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Remport Urban d.d. 11 november 2025;

- het bericht van mr. Remport Urban d.d. 3 juli 2026 met gewijzigd verzoek en bijlagen.

1.2

Het verzoek is mondeling behandeld op 9 juli 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig de man en een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3

De rechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank van 7 mei 2014 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 5 juni 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.

2.2

Voorafgaand aan het huwelijk van partijen zijn [kind] en [minderjarige] geboren. [kind] is inmiddels meerderjarig, waardoor de onderhavige procedure alleen op [minderjarige] ziet.

2.3

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.4

De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige].

2.5

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2014 is het hoofdverblijf van [minderjarige] (en [kind]) bij de vrouw bepaald. Tevens is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (en [kind]) bepaald alsook dat de onderlinge regelingen uit het aan de beschikking gehechte convent en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking.

3 Het verzoek

3.1

De vrouw verzoekt bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om met [minderjarige] in de periode van 5 tot 16 augustus 2025 naar Portugal te reizen;

en bij wijze van voorwaardelijk verzoek:

II mocht de man zich niet bedenken en bij zijn beslissing blijven om niet met de vrouw te willen communiceren: de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].

3.2

Bij bericht van 3 juli 2026 is namens de vrouw het verzoek onder II gewijzigd, in die zin dat dit niet langer bedoeld is als een voorwaardelijk verzoek. Ter zitting van 9 juli 2026 heeft mr. Remport Urban het verzoek onder I ingetrokken, omdat de rechtbank in het kader van een provisionele voorziening (C/02/435506 / FA RK 25-2545) reeds hierover heeft beslist.

3.3

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. Hij verzoekt dit verzoek af te wijzen.

3.4

Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen het gezamenlijk gezag is vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt.

4.2

Als eerste dient de rechtbank dan ook te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval, nu [minderjarige] in de zomer van 2024 heeft besloten het contact met zijn vader te verbreken en de verhouding en communicatie tussen partijen in de afgelopen jaren ernstig verstoord is geraakt. Daarbij wordt geen uitvoering meer gegeven aan de zorgregeling zoals zij die hebben opgenomen in het ouderschapsplan. De vrouw kan hierdoor worden ontvangen in haar verzoek.

4.3

In artikel 1:253n lid 2 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind klem komt of verloren raakt tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert. Het gezamenlijke bezag kan ook beëindigd worden als dat anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.4

Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen.

4.5

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] volgend jaar 18 jaar wordt. Dit betekent dat de tijd die resteert tot dat hij meerderjarig is nog kort en overzichtelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat er het komende jaar onoverkomelijke problemen zullen ontstaan wanneer het gezamenlijk gezag in stand blijft en dat dit ertoe zal leiden dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te geraken tussen zijn ouders. Volgens de vrouw spelen er namelijk op dit moment geen zaken rondom [minderjarige] waarvoor het komende jaar toestemming van de man nodig zal zijn, behalve de vakantie aan de zijde van de vrouw die waarschijnlijk in augustus/september 2027, maar mogelijk ook later, zal plaatsvinden. Ook vindt de rechtbank de onrust die [minderjarige] zou ervaren op de momenten dat de toestemming van de man niet verkregen wordt, en waardoor wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] zou zijn, onvoldoende onderbouwd door de vrouw.

4.6

De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. De communicatie tussen partijen levert met regelmaat spanningen op, waardoor zij inmiddels alleen nog per e-mail met elkaar communiceren en vaak alleen op de momenten dat van de man een toestemming wordt verlangd. De man heeft in 2024 aangegeven geen contact meer te willen met de vrouw, naar zijn zeggen uit wanhoop, en de vrouw houdt zich hier strikt aan, omdat zij het vaak genoeg geprobeerd heeft om ‘normaal’ te communiceren met de man. Volgens de man heeft hij dit gezegd uit frustratie en wanhoop en heeft hij hier spijt van, ook van de fouten die hij in het contact met [minderjarige] heeft gemaakt. [minderjarige] heeft naar de rechter uitgesproken dat hij last ondervindt van de spanningen tussen zijn ouders en dat hij zich in de afgelopen jaren niet gehoord en gezien heeft gevoeld door zijn vader. [minderjarige] is teleurgesteld in zijn vader en dit heeft hem doen besluiten het contact met zijn vader (tijdelijk) te verbreken. De man mist [minderjarige] enorm, maar respecteert zijn wens om voor nu geen contact te hebben en biedt hem de rust die hij nodig heeft. Hij hoopt dat [minderjarige] over enige tijd wel de ruimte ervaart voor het contact. [minderjarige] heeft dit namelijk ook zo naar hem benoemd. De man voelt zich verantwoordelijk in zijn rol als ouder van [minderjarige] (met gezag). Ondanks dat hij momenteel geen contact heeft met [minderjarige], wil hij betrokken blijven bij zijn zoon en de zaken die rondom hem spelen, ook met het oog op een toekomstig contactherstel. De man heeft naar eigen zeggen absoluut niet in de insteek om [minderjarige] ergens in te belemmeren. Om zijn toestemming weloverwogen te kunnen geven ontbreekt het volgens de man aan voldoende uitleg en achtergrondinformatie vanuit de vrouw. Hij wil goed geïnformeerd worden over wat er speelt rondom [minderjarige] om op basis van die informatie weloverwogen al dan niet zijn toestemming als medegezaghebbende ouder te kunnen geven. De rechtbank kan de visie van de man hierin goed volgen. Het is aan de vrouw als hoofdopvoeder van [minderjarige] om de man te informeren over het wel en wee in het leven van [minderjarige] en om zaken waarvoor zijn toestemming nodig is tijdig en onderbouwd aan hem voor te leggen. De wijze waarop partijen op dit moment met elkaar communiceren bemoeilijkt dit, maar brengt niet zonder meer met zich mee dat in het belang van [minderjarige] het gezamenlijk gezag gewijzigd moet worden. Het is een punt waar beide partijen aan moeten werken. Een eerste stap hierin is gezet, nu de vrouw ter zitting heeft aangeboden om de man voortaan iedere maand een e-mail te sturen met daarin informatie over algemene zaken die spelen rondom [minderjarige]. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank hoopt dat dit gaat leiden tot een verbeterde verstandhouding tussen partijen en een minder moeizame communicatie. Dit zal namelijk ook [minderjarige] ten goede komen.

47 Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank, met het oog op voormeld wettelijk uitgangspunt en het bepaalde in artikel 1:251a lid 1 BW, onvoldoende redenen om het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen te beëindigen en de vrouw te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

4.8

Tot slot benoemt de rechtbank dat het verzoek van de vrouw ten aanzien van de zomervakantie 2025 eveneens zal worden afgewezen, nu dit verzoek namens de vrouw ter zitting is ingetrokken. Een inhoudelijke beoordeling en beslissing van de rechtbank is dan ook niet meer nodig.

4.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.