Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8317Zaaknummer C/02/440316 FA RK 25-5017

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/440316 FA RK 25-5017
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Combizaak. Voorl zorgregeling vastgesteld en gezag tijdelijk stopgezet. Definitieve beslissingen zorgregeling en gezag aangehouden. Zorgr in afwachting van verloop begeleide contacten en gezag in afwachting raadsonderzoek. Kal naar rol verwezen.

De rechtbank

5.1.

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van de beschikking d.d. 2 oktober 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor zover het de zorgregeling betreft, dat de man en de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 1],

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats 1],

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van door “ [hulpverlening] ” begeleide contacten met elkaar, waarbij de duur en frequentie van één of tweemaal per week, nader door [hulpverlening] wordt bepaald;

5.2.

beëindigt, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van de datum van deze beschikking en voor de duur van een jaar het ouderlijk gezag van [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 2] op

[geboortedag 4] 1989, over voornoemde minderjarigen;

5.3.

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

5.4.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg zijn reeds ingestelde beschermingsonderzoek uit te breiden en een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag:

- bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

en de rechtbank hieromtrent te rapporteren en te adviseren;

5.5.

houdt de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de definitieve zorgregeling en het gezag aan tot een nog nader te bepalen zitting over 9 maanden met het verzoek aan [hulpverlening] en partijen om de rechtbank vóór die zittingsdatum te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de begeleide contacten en met het verzoek aan de Raad om zijn rapport en advies zoals gevraagd onder r.o. 4.8. van deze beslissing vóór die zittingsdatum aan de rechtbank te doen toekomen;

5.6.

bepaalt dat de griffier partijen, hun advocaten, de Raad en de casusregisseur oproept voor de zitting;

5.7.

houdt de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage aan tot de familiekamerrol van

11 augustus 2026, teneinde de man in de gelegenheid te stellen zich tot een advocaat te wenden om uiterlijk op voornoemde roldatum een verweerschrift in te dienen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, rechter, tevens kinderrechter, en, in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. J.C. Krijger-de Keuning, griffier, verkort op schrift gesteld op 1 juli 2026 en nader uitgewerkt op 30 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 De verzoeken
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/440316 FA RK 25-5017

uitwerking d.d. 30 juli 2026 van de verkorte beschikking d.d. 1 juli 2026 betreffende gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. T. de Jong te Utrecht,

en

[de man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de man.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 26 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 29 december 2025 ontvangen aanvullend verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling en kinderalimentatie met bijlagen;

- het F9D-formulier d.d. 13 maart 2026 van mr. De Jong met bijlage;

- de op 22 juni 2026 ontvangen akte indiening producties en wijziging petitum met

bijlagen;

- het e-mailbericht d.d. 29 juni 2026 van de man;

- de op 29 juni 2026 door mr. De Jong ingediende stukken;

- het bericht d.d. 29 juni 2026 van de griffier aan partijen dat de zitting doorgaat.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en de casusregisseur van [hulpverlening], mevrouw [persoon]. Tijdens de zitting is reeds mondeling uitspraak gedaan welke verkort op schrift is gesteld op 1 juli 2026. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige 1] heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek met de kinderrechter gevoerd. [minderjarige 2] heeft een briefje geschreven. Tijdens de zitting heeft de rechter teruggekoppeld wat de minderjarigen hebben aangegeven. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad. De ontbinding is uitgesproken bij beschikking d.d. 2 oktober 2024 door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo. De beschikking is op 6 november 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit hun relatie zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedag 3] 2022 te [geboorteplaats 1].

2.3.

In genoemde beschikking d.d. 2 oktober 2024 zijn opgenomen de getroffen regelingen zoals die staan in het aangehechte convenant en ouderschapsplan.

Ingevolge voornoemd ouderschapsplan hebben de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw. Er is een zorgregeling opgenomen in bijlage1 bij het ouderschapsplan, welke voor zover van belang, als volgt luidt:

  • ouders maken samen een rooster op basis van 8 dagen bij moeder en 3 bij vader;
  • de weekenden worden evenredig verdeeld;
  • ouders overleggen en evalueren in elk geval 4 keer per jaar deze zorg- en contactregeling;
  • tijdens dit overleg worden de feestdagen en de vakanties verdeeld;
  • ouders hebben de intentie om feestdagen en vakanties 50-50 te verdelen;
  • de zomervakantie wordt verdeeld in 2 maal 2 weken en 2 maal 1 week;
  • de omgangsregeling geldt ook bij vakanties van 1 week. Daar kan alleen na akkoord van de andere ouder van af worden geweken.

Voor zover hier van belang is voorts, met ingang van de dag waarop de vader of de moeder zich inschrijft op een ander adres in de Basisregistratie Personen (BRP) een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 450,= per maand, met een jaarlijkse indexering per 1 januari 2025.

2.4.

Partijen en de minderjarigen hebben volgens de BRP-gegevens in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

3 De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt thans, na wijziging, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

  • primair: haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen;
  • subsidiair: haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 3] in te schrijven op de voorschool [voorschool] (België);
  • de bij beschikking d.d. 2 oktober 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, vastgestelde zorgregeling te wijzigen en een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen iedere vier tot zes weken een aantal uren contact hebben met de man;
  • de beschikking d.d. 2 oktober 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, te wijzigen door de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage op € 400,= per minderjarige per maand te stellen, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen onderhoudsbijdrage.
3.2.

De man heeft tijdens de zitting verweer gevoerd.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Gezag, vervangende toestemming en zorgregeling

4.1.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken tot wijziging van het gezag, het verkrijgen van vervangende toestemming en wijziging van de zorgregeling, samengevat en voorzover van belang, het volgende aangevoerd. Er is sprake van een onaanvaardbaar risico dat bij instandhouding van het gezag de minderjarigen klem of verloren raken tussen partijen en niet te verwachten is dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt.

Partijen kunnen geen normale gesprekken voeren; vrijwel alle gesprekken die partijen hebben over de minderjarigen resulteren daarin dat de man de vrouw van alles verwijt. De man wilde niet meewerken aan ouderschapsbemiddeling. De vrouw verwijst naar de door haar overgelegde correspondentie tussen partijen. Het kost de vrouw moeite om met de man in overleg te blijven, zij wijst daarbij op een incident in 2025 waarbij de man de vrouw fysiek aanviel en waarbij zij een gebroken neus opliep, in welk verband nu nog een artikel 12 procedure loopt. Pas nadat de vrouw een kort geding procedure startte, is via de advocaat van de man toestemming verleend voor een vakantie van de vrouw met de minderjarigen. De man verleent geen toestemming om [minderjarige 3] in te schrijven op de voorschool [voorschool] en ook wilde de man eerst geen toestemming verlenen voor een reis van de vrouw met de twee oudste minderjarigen naar Roemenië. De man dreigde de vrouw toen zij om deze toestemming vroeg, in het bijzijn van de minderjarigen, met het breken van andere delen van haar lichaam. De man geeft richting de vrouw en minderjarigen aan dat hij ook met hen mee wil gaan op vakantie naar Turkije. De man wil samen met de vrouw en de minderjarigen eten, hetgeen gelet op de verhoudingen tussen partijen niet mogelijk is. Er is langdurig geen sprake van duurzaam en structureel contact tussen de man en de minderjarigen; de man komt het ouderschapsplan niet na. Hij is vrijwel niet betrokken in de levens van de minderjarigen en hij is ook niet op de hoogte van hetgeen er speelt in hun levens. De man geeft geen invulling aan zijn ouderschap en kan niet overzien wat in het belang van de minderjarigen is. Partijen zijn derhalve niet in staat tot een behoorlijke gezagsuitoefening. Zij zijn niet in staat beslissingen over hun kinderen in gezamenlijk overleg te maken en kunnen vooraf geen afspraken maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. De man heeft in eerste instantie aangegeven de vrouw een volmacht te zullen geven, maar heeft dat niet gedaan. De vrouw kan niet op de uitkomst van het Raadsonderzoek wachten maar heeft nu een beslissing omtrent het gezag nodig; zij moet nu beslissingen kunnen nemen. Het levert de vrouw stress op als zij de man in verband met beslissingen ergens om moet vragen. Zij verwacht ook niet dat de situatie beter wordt. De juridische situatie moet in overeenstemming met de feitelijke worden gebracht. De man controleert de vrouw en dat moet stoppen. Zo heeft de man een tracker onder haar auto geplaatst. De man dient hulp te zoeken en mogelijk kan hij dan later weer het gezag uitoefenen. Er dient nu rust en duidelijkheid te komen. Omdat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling niet wordt nagekomen, verzoekt de vrouw wijziging van de zorgregeling. De man komt gemaakte afspraken niet na zodat de omgang vaak niet wordt nagekomen en de minderjarigen teleurgesteld worden, aldus de vrouw.

4.2.

De man voert verweer, samengevat en voor zover relevant, als volgt. Hij heeft op dit moment twee rechtszaken tegen hem lopen en hij wil dat graag achter de rug hebben nu hij dat niet los kan zien van andere dingen. Hij heeft dagen waarop hij zich slecht voelt maar er zijn ook dagen waarop hij zich beter voelt. Hij verwacht dat het voor hem makkelijker zal zijn als de rechtszaken achter de rug zijn. Hij heeft richting de casusregisseur aangegeven dat hij de gemaakte afspraken wil parkeren en na de uitspraak van de rechtbank daarmee verder wil gaan. Mogelijk kan de contactpersoon van [hulpverlening] ook aanwezig zijn tijdens de bezoekmomenten van de kinderen zodat geëvalueerd kan worden en mogelijk de afspraken kunnen worden versoepeld. Uiteindelijk wil hij de kinderen om het weekend zien en doordeweeks samen aan de eettafel zitten. De man heeft niet tegen [minderjarige 2] gezegd dat hij met hen mee zou gaan op vakantie naar Turkije, dat berust op een misverstand. Hij heeft aangegeven dat hij dit jaar ook naar Turkije zou gaan. Hij heeft de vrouw altijd toestemming gegeven voor vakanties. Hij wil een vast belmoment van om de twee dagen, hij wordt dan meer ontzorgd. Het gaat hem om de kinderen en niet om de vrouw; hij gaat verder met zijn leven. Hij ziet het niet zitten om de vrouw volmacht te geven. Mogelijk gaat de vrouw indien zij eenhoofdig gezag heeft verhuizen en dan moet hij uren rijden om de kinderen op te halen en dat wil hij niet. De man wil bij de school van de kinderen betrokken worden. Hij zou teruggebeld worden door de directrice van de school van de kinderen maar nu zij is overleden, is dat niet gebeurd. De man wil dat na de zomervakantie oppakken. Hij wil graag de ouderavonden bezoeken en rapporten van de kinderen ontvangen.

4.3.

De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven zorgen omtrent de minderjarigen te hebben. Het lukt partijen niet om het ouderschap vorm te geven. De Raad doet onderzoek naar een kinderbeschermende maatregel. De verzoeken die de vrouw heeft ingediend, zijn ingrijpend. De Raad vindt het lastig om nu advies te geven over het gezagsverzoek en wil dit meenemen in zijn beschermingsonderzoek. Het is de verwachting dat dit onderzoek in september/oktober as. zal starten. Dat de omgang begeleid plaatsvindt, is passend omdat er zicht moet komen op de thuissituatie van de man. De man moet laten zien zijn bereidwilligheid voort te zetten en dat hij de hulpverlening aangaat. Ook dient de omgang begeleid plaats te vinden om bij de vrouw het vertrouwen in de man te laten groeien, aldus de Raad.

juridisch kader zorgregeling

4.4.

Ingevolge artikel 1:253a BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van ouders of een van hen een beslissing over een zorgregeling of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in een dergelijk geval een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Nu vaststaat dat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling niet wordt nagekomen, is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De zorgregeling zal daarom opnieuw worden beoordeeld.

inhoudelijke beoordeling zorgregeling

4.5.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het volgende gebleken. Ondanks de ingezette hulpverlening van casusregie en ambulante begeleiding is het ouders tot op heden niet gelukt om het ouderschap samen vorm te geven. De man heeft zich herhaaldelijk niet gehouden aan de met de hulpverlening gemaakte afspraken rondom de contactmomenten en de communicatie tussen partijen en heeft onvoldoende meegewerkt aan de hulpverlening. Daardoor zijn de minderjarigen gedurende langere tijd blootgesteld aan onvoorspelbaarheid en onduidelijkheid voor wat betreft de omgang met de man; hetgeen bij hen spanning oplevert. Er is daardoor ook nog geen zicht op de man en zijn opvoedsituatie verkregen. Tijdens de zitting is door de casusregisseur naar voren gebracht dat het starten van de door [hulpverlening] begeleide bezoeken bij de man thuis nog niet van de grond is gekomen maar dat daarover binnen 2 weken na de zitting contact met de man zal worden opgenomen, dat de begeleide omgang op de maandagmiddag zal zijn en dat verdere afspraken nog niet zijn gemaakt. De casusregisseur heeft aangegeven er hoop in te hebben. Gezien het vorenstaande en het advies van de Raad tijdens de zitting, zoals dat is opgenomen onder r.o. 4.3. van deze beschikking waaruit blijkt dat er zicht moet komen op de thuissituatie bij de man, ook om het vertrouwen in de man bij de vrouw te laten groeien, zal de rechtbank bepalen dat er voorlopig een zorgregeling zal gelden waarbij de man en de minderjarigen door [hulpverlening] begeleide contacten met elkaar zullen hebben, waarbij de duur en frequentie van één of tweemaal per week nader door [hulpverlening] wordt bepaald.

4.6.

De definitieve beslissing omtrent de zorgregeling zal in afwachting van de ontwikkelingen worden aangehouden en verwezen naar een nog nader te bepalen zitting over 9 maanden. De rechtbank vraagt [hulpverlening] om de rechtbank voor die zittingsdatum te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de begeleide contacten.

juridisch kader gezag

4.7.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is op basis van de voorliggende stukken en de tijdens de zitting geschetste feiten en omstandigheden van oordeel, dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen zijn gewijzigd. Zo is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden en is er hulpverlening van [hulpverlening] bij partijen betrokken. De Raad is kort geleden, nadat de casusregisseur daartoe een verzoek had gedaan, een beschermingsonderzoek gestart. Daarop gelet wordt de vrouw ontvangen in haar verzoek om alleen met het gezag over de minderjarigen te worden belast.

inhoudelijke beoordeling gezag

4.8.

De rechtbank acht zich onvoldoende ingelicht om thans een definitieve beslissing omtrent het gezag te kunnen nemen. Zij verzoekt daarom, conform het Raadsadvies, de Raad zijn reeds ingestelde beschermingsonderzoek uit te breiden met de vraag of er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijzen van het in de wet neergelegde uitganspunt dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? De Raad wordt verzocht de rechtbank hieromtrent te rapporteren en adviseren.

De rechtbank zal de zaak ten aanzien van de definitieve gezagsbeslissing aanhouden en verwijzen naar een nog nader te bepalen zitting over 9 maanden en vraagt de Raad om zijn rapport en advies omtrent voornoemde vraag voor die zitting aan de rechtbank te doen toekomen.

4.9.

De rechtbank acht het noodzakelijk om thans tijdelijk, voor de duur van een jaar, het gezag van de man te beëindigen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de zorgregeling dienen partijen zich naar het oordeel van de rechtbank de komende periode te richten op de zorgregeling in die zin dat zij alles in het werk zullen stellen om de omgang goed te laten verlopen. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank in alle rust plaats te kunnen vinden. Dat er een zorgregeling tot stand komt, acht de rechtbank in het belang van de minderjarigen. Gelet op hetgeen de vrouw heeft aangevoerd en naar het oordeel van de rechtbank ook aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van haar concrete stellingen en overgelegde stukken, die door de man niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken, voelt de vrouw zich gecontroleerd door de man. Dit zorgt voor de vrouw bij stress, zo heeft zij onweersproken gesteld, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook zijn weerslag op de minderjarigen zal hebben. Voorts is gebleken dat partijen niet kunnen communiceren en dat de vrouw veel moeite moet doen om toestemming van de man voor reizen met de minderjarigen te krijgen. Voor het inschrijven van [minderjarige 3] op de voorschool [voorschool] heeft de man geen toestemming verleend. Voornoemde omstandigheden veroorzaken naar het oordeel van de rechtbank onrust tussen partijen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank de omgang niet ten goede zal komen. Om de komende periode rust te creëren om aan de omgang te kunnen werken, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de vrouw de komende periode gezagsbeslissingen alleen kan nemen en daarbij niet afhankelijk van de man is. Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat tijdelijk, voor de duur van een jaar, het gezag van de man wordt beëindigd.

4.10.

Gezien het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 3] in te schrijven op de voorschool [voorschool] (België).

4.11.

Het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kinderbijdrage zal worden aangehouden tot de familiekamerrol van dinsdag 11 augustus 2026, teneinde de man in de gelegenheid te stellen zich tot een advocaat te wenden om uiterlijk op die roldatum een verweerschrift in te dienen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van de beschikking d.d. 2 oktober 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor zover het de zorgregeling betreft, dat de man en de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 1],

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats 1],

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van door “ [hulpverlening] ” begeleide contacten met elkaar, waarbij de duur en frequentie van één of tweemaal per week, nader door [hulpverlening] wordt bepaald;

5.2.

beëindigt, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van de datum van deze beschikking en voor de duur van een jaar het ouderlijk gezag van [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 2] op

[geboortedag 4] 1989, over voornoemde minderjarigen;

5.3.

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

5.4.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg zijn reeds ingestelde beschermingsonderzoek uit te breiden en een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag:

- bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

en de rechtbank hieromtrent te rapporteren en te adviseren;

5.5.

houdt de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de definitieve zorgregeling en het gezag aan tot een nog nader te bepalen zitting over 9 maanden met het verzoek aan [hulpverlening] en partijen om de rechtbank vóór die zittingsdatum te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de begeleide contacten en met het verzoek aan de Raad om zijn rapport en advies zoals gevraagd onder r.o. 4.8. van deze beslissing vóór die zittingsdatum aan de rechtbank te doen toekomen;

5.6.

bepaalt dat de griffier partijen, hun advocaten, de Raad en de casusregisseur oproept voor de zitting;

5.7.

houdt de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage aan tot de familiekamerrol van

11 augustus 2026, teneinde de man in de gelegenheid te stellen zich tot een advocaat te wenden om uiterlijk op voornoemde roldatum een verweerschrift in te dienen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, rechter, tevens kinderrechter, en, in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. J.C. Krijger-de Keuning, griffier, verkort op schrift gesteld op 1 juli 2026 en nader uitgewerkt op 30 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.