Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8308Zaaknummer C/02/436212 FA RK 25-2898 (bodemprocedure) + 449041 (vovo)
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/436212 FA RK 25-2898 (bodemprocedure) + 449041 (vovo)
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo + bodem - aanhouding bodem ivm niet verschijnen op zitting GI
De rechtbank
C/02/449041 / FA RK 26-2924 (voorlopige voorziening)
bepaalt bij wege van voorlopige voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:
dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week van vrijdag vanaf 14.45 uur na school/opvang tot zondag 18.30 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
C/02/436212 / FA RK 25-2898 (bodemprocedure)
houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot de nadere zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10 te Breda op [datum] 2026, om [uur] en roept partijen en hun advocaten, de GI en de Raad (mevrouw J. Kamp) op dan te verschijnen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
| Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. |
verzonden op:
[_7bca4240-9401-4f8e-857b-45d810f97580]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/436212 FA RK 25-2898 (bodemprocedure)
C/02/449041 FA RK 26-2924 (voorlopige voorziening)
datum uitspraak: 29 juli 2026
beschikking over voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en over een vaststelling van (definitieve) zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, kantoorhoudende in Roosendaal,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel, kantoorhoudende in Rotterdam,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019; - [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 Rv is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1 Het procesverloop
In de dossiers zitten de volgende stukken:
C/02/436212 FA RK 25-2898
- het op 5 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van de rechtbank aan de vrouw van 11 juni 2025;
- het stelbericht van mr. Van Bemmel van 16 juni 2025;
- de F9-formulieren (met bijlage) van mr. De Jongh van 4 juli 2025, 21 juli 2025,
9 januari 2026, 3 juni 2026, 10 juli 2026;
- de oproepbrieven aan partijen van 7 juli 2025;
- de brieven van mr. Van Bemmel van 21 juli 2025 en 13 januari 2026;
- de brief van de rechtbank aan partijen van 22 juli 2025;
- de brief van de rechtbank aan mr. Van Bemmel van 9 juni 2026
- de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. Van Bemmel van 22 juni 2026, 9 juli 2026 en 10 juli 2026.
C/02/449041 FA RK 26-2924
- het op 8 juni 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. De Jongh van 12 juni 2026, 1 juli 2026,
9 juli 2026, 10 juli 2026 en 13 juli 2026;
- de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. Van Bemmel van 9 juli 2026 en 10 juli 2026.
Gelet op de samenhang heeft de rechtbank beide verzoeken gelijktijdig behandeld op 15 juli 2026 tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord de man en zijn advocaat, de vrouw en haar advocaat en een vertegenwoordigster van de Raad. Als toehoorder was aanwezig mevrouw Visser, kantoorgenoot van mr. Van Bemmel.
Hoewel correct opgeroepen is de GI, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
2 De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
Bij beschikking van 24 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 november 2025 tot 24 november 2026.
3 De verzoeken
C/02/436212 FA RK 25-2898 (bodemprocedure)
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, indien en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, na een door de rechtbank in goede justitie te bepalen opbouwschema, te beginnen met een toevoeging aan de omgang van vrijdag 9.30 uur tot zaterdag 16.00 uur, de kinderen uiteindelijk in een tweewekelijks schema een hele week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw, met een wisselmoment op vrijdag uit school/na de opvang, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, tijdstippen en data in nader onderling overleg te bepalen, althans een zodanige zorgregeling te treffen als de rechtbank juist acht.
C/02/449041 FA RK 26-2924 (voorlopige voorziening)
De man verzoekt de rechtbank, bij wege van provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv te bepalen dat:
I. de man en de kinderen gerechtigd zijn om eens per twee weken met elkaar door te brengen van vrijdag 18:45 uur tot zondag 18:45 uur, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag bij de man brengt en de man de kinderen op zondag bij de vrouw brengt;
ll. te bepalen dat de man en de kinderen tijdens de zomervakantie van 2026 gedurende
week 33 van vrijdag 7 augustus 18:45 uur tot zondag 16 augustus 18:45 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man brengt en de kinderen op zondag door de man worden teruggebracht;
III. althans een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het kader van de
provisionele voorziening vast te stellen als de rechtbank juist acht.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man in de bodemprocedure en de voorlopige voorziening.
4 De standpunten en het advies van de Raad
De man
De man legt aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag.
Er heeft een tijd geen contact plaatsgevonden tussen de man en de kinderen. Dit was naar aanleiding van een incident dat op 2 augustus 2024 heeft plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 1] zich bezeerd heeft, doordat de man hem vanuit een reflex vastpakte, waardoor [minderjarige 1] tegen de tafel aankwam. De man heeft hiervoor in voorlopige hechtenis gezeten, waarna zijn voorlopige hechtenis werd geschorst. In november 2024 is het contact met de kinderen hersteld en heeft er weer (begeleid) contact plaatsgevonden. Deze contacten zijn geleidelijk uitgebreid, eerst nog onder begeleiding van “Eigenwijze hulpverlening”. Sinds januari 2025 vindt er onbegeleid contact plaats. Sinds 24 januari 2025 is dit contact eens in de veertien dagen van vrijdag 14.45 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. Hij haalt [minderjarige 1] uit school en haalt [minderjarige 2] bij de vrouw op. Dit contact verloopt goed. De man herkent niet dat er sprake is van kindeigen problematiek bij [minderjarige 1]. De kinderen doen het goed bij hem en slapen ook goed. De man wenst uitbreiding van de contactregeling zodat uiteindelijk tot een volledig co-ouderschap kan worden gekomen. Hij wil graag dat er een opbouwende regeling wordt vastgelegd, omdat hij behoefte heeft aan duidelijkheid. Er is weliswaar een ondertoezichtstelling uitgesproken, maar er is pas sinds kort een vaste jeugdzorgwerker betrokken.
Tijdens de zitting heeft de man desgevraagd aangegeven dat hij voor het incident op 2 augustus 2024 is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf. Hij heeft de verplichte behandeling bij Fivoor van een half jaar met goed gevolg afgerond. De man wijst erop dat alle verslagen van de begeleide contacten positief zijn. Vanuit de hulpverlening zijn er geen zorgen over het contact en is er geen bezwaar om deze contacten uit te breiden. Recent is [minderjarige 2] tijdens een weekend bij de man ernstig gewond geraakt aan haar geslachtsdelen. Zij was met [minderjarige 1] in het schuurtje en was op een stapel opgestapelde stoelen geklommen. Zij is er toen afgevallen en kwam met haar vagina op een stepje terecht. De man heeft het niet zien gebeuren, maar is er meteen op afgegaan toen hij [minderjarige 2] hoorde huilen. Hij heeft haar zo goed mogelijk verzorgd en heeft haar naar de vrouw gebracht, aangezien het aan het einde van de zondag was. Wanneer de verhoudingen tussen partijen normaal zouden zijn geweest, zou de man met [minderjarige 2] naar de huisartsenpost gereden zijn en had hij de vrouw bericht dat ze wat later zouden komen. Hij heeft hier nu niet voor gekozen, omdat hij bang was dat de vrouw het tegen hem zou gebruiken wanneer hij te laat bij haar zou arriveren.
De man meent ten slotte dat het brengen en halen van de kinderen zou moeten worden verdeeld tussen hem en de vrouw. Nu hij weer werkt is het voor hem niet mogelijk om de kinderen al op vrijdagmiddag te komen halen. Dit zou op zijn vroegst om 18.30 uur kunnen. De man is van mening dat de vrouw de kinderen op vrijdag naar hem zou moeten brengen. Hij wijst erop dat de [hulpverlening] eerder heeft aangegeven dat het uitgangspunt is dat ouders het brengen en halen verdelen. De man heeft destijds weliswaar voorgesteld om het brengen en halen voor zijn rekening te nemen, maar dit was slechts bedoeld als tijdelijke regeling om het contact tussen hem en de kinderen weer op gang te brengen.
In het kader van de voorlopige voorziening heeft de man aangegeven dat het contactmoment in het weekend van 29 tot en met 31 mei 2026 niet is doorgegaan naar aanleiding van een melding van het kinderdagverblijf bij Veilig Thuis. De man herkent zich totaal niet in de uitlatingen van [minderjarige 2]. De contactregeling is gelukkig hervat. De man wil graag dat de kinderen van 7 augustus tot 16 augustus 2026 bij hem verblijven. Hij wil een aantal dagen met de kinderen naar zee. De man geeft aan dat hij altijd heeft meegewerkt aan het traject bij [hulpverlening] en, in tegenstelling tot de vrouw, tijdig zijn vakantiewensen heeft doorgegeven. Vanwege het feit dat hij recent weer is gestart met werken, zijn zijn wensen wat gewijzigd. Hij heeft nog niet officieel vrij gevraagd op zijn werk, omdat hij niet zeker wist wanneer de vrouw weg ging. Wanneer het niet mogelijk is dat de kinderen die periode bij hem blijven, wil hij graag dat de kinderen een donderdag en vrijdag voorafgaand aan het omgangsweekend bij hem zijn, zodat ze een lang weekend samen hebben.
De vrouw
Door de vrouw wordt verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. Zij maakt zich ernstige zorgen omdat sinds de uitbreiding van de contactregeling de signalen bij de kinderen van onveiligheid en stagnatie in hun ontwikkeling toenemen. Er loopt nog begeleiding vanuit [hulpverlening] en er is sinds kort een nieuwe jeugdbeschermer betrokken. Deze heeft laten weten dat er eerst zorgvuldig uitgezocht moet worden waardoor de ontwikkeling stagneert en waarom [minderjarige 2] zich zo onveilig voelt. [minderjarige 2] is van vloeiende spraak overgegaan in stotteren. Maanden geleden vertelde zij aan familieleden al dat papa haar slaat en knijpt. Zij laat dit ook al maanden zien middels spel op het kinderdagverblijf. Deze zorgen zijn gemeld bij Veilig Thuis. Ook met [minderjarige 1] gaat het niet goed. Zijn didactische ontwikkeling stagneert ondanks inzet van remedial teaching. Zijn werkhouding en inzet zijn afgenomen sinds de uitbreiding van het contact. De behandelaar van Beleefrijk geeft aan dat behandeling op dit moment niet mogelijk is omdat er geen ruimte is in het hoofd van [minderjarige 1]. Met al deze signalen meent de vrouw dat uitbreiding van het contact niet verstandig is, zonder dat er opnieuw gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden. De vrouw geeft verder aan dat de man steeds wijzigingen wil in tijdstippen en afspraken. Dit geeft veel spanning en onzekerheid.
Het recente incident waarbij [minderjarige 2] verwond is geraakt toont volgens de vrouw aan dat de man zijn verantwoordelijkheid niet neemt. Toen [minderjarige 2] bij de vrouw aankwam zat haar luier vol bloed. De vrouw heeft meteen contact opgenomen met de huisarts. Er was niet zomaar sprake van een klein wondje, maar haar vagina was ingescheurd. Zij heeft hierdoor veel pijn gehad. Het baart de vrouw zorgen dat de man hier zo licht mee om is gegaan.
De vrouw meent ten slotte dat er duidelijkheid moet komen over de afspraken, zodat er meer rust voor de kinderen komt.
Zij acht het in het belang van de kinderen dat de procedure wordt aangehouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en de verdere hulpverlening.
In het kader van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening geeft de vrouw aan dat hier geen reden voor is. Het verzoek onder I. moet worden afgewezen omdat het contact inmiddels weer is opgestart. Er is daarom geen belang meer bij dat verzoek. Momenteel loopt er een zorgregeling, eens per veertien dagen van vrijdag omstreeks 16.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. Er is geen reden om het halen en brengen te wijzigen. De man heeft zelf toegezegd dat hij dit voor zijn rekening zou nemen toen hij een half jaar geleden op een grotere afstand van de vrouw is gaan wonen. De vrouw kan de kinderen op vrijdag feitelijk ook niet brengen in verband met haar werkafspraken. Ook het verzoek onder II dient te worden afgewezen. De man geeft een onjuiste voorstelling van zaken over de vakantieplanning. Hij heeft eerder aangegeven dat zijn vakantieperiode van 10 t/m 22 juli 2026 was. Daarop heeft de vrouw haar vakantie geregeld. Dit is in maart 2026 nog besproken bij [hulpverlening]. De man heeft pas recent zijn plannen weer gewijzigd. Dit is een bekend patroon.
De vrouw heeft van vrienden een vakantie op een camping in Nederland cadeau gekregen. De caravan is voor haar en de kinderen gereserveerd van 30 juli t/m 14 augustus 2026. Zij vindt sowieso dat een week vakantie met de man voor de kinderen te lang is gelet op de zorgen die er zijn.
De Raad
De situatie tussen partijen roept bij de Raad veel vragen op, die vooral bedoeld zijn voor de GI. De Raad constateert dat er sprake is van een situatie waarin de ene ouder zich voortdurend verdedigt en de andere ouder alles in twijfel trekt. Bij [minderjarige 1] lijkt er sprake van kindeigen problematiek, hetgeen door de man niet lijkt te worden onderkend. Het is mogelijk dat de kinderen zich bij beide ouders anders uiten. Blijkbaar kunnen zij onvoldoende zichzelf zijn door de manier waarop de ouders zich opstellen. De Raad meent dat de GI hier echt de regie moet gaan pakken. De manier waarop de man is omgegaan met het ongelukje van [minderjarige 2] maakt duidelijk dat de angst regeert, terwijl de zorg voor de kinderen zou moeten regeren. De Raad vindt de situatie heel zorgelijk.
De Raad meent dat er duidelijkheid moet komen over de contactregeling, waarbij de regie bij de GI moet liggen. De Raad kan zich voorstellen dat de huidige regeling voorlopig blijft gelden. Wanneer er omstandigheden zijn die maken dat deze niet langer passend is, bijvoorbeeld omdat het een te grote belasting voor de kinderen is, moet de GI de mogelijkheid hebben om hierop in te spelen en de regeling aan te passen.
Ten aanzien van de vakantie is de Raad van mening dat de kinderen recht hebben op een vakantie met zowel hun moeder als hun vader. De Raad ziet in beginsel geen belemmeringen om de kinderen een week bij de man te laten zijn. De Raad heeft echter wel zorgen over hoe de ouders dit willen organiseren zonder de kinderen te belasten.
5 De beoordeling
In de zaak met het kenmerk C/02/449041 / FA RK 26-2924 (voorlopige voorziening)
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de bodemprocedure, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoeken.
Spoedeisendheid
Ter beantwoording van de vraag of er plaats is voor een toewijzing van de verzoeken van de man tot het vaststellen van voorlopige voorzieningen als voormeld dient de rechtbank te onderzoeken of hierbij een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van dergelijke verzoeken is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat deze de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Nu tijdens de zitting met partijen reeds is besproken dat de bodemprocedure zal worden aangehouden, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van voldoende spoedeisend belang. De rechtbank zal dan ook een beslissing nemen op de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Inhoudelijke beoordeling
Met partijen en de Raad is de rechtbank van oordeel dat er duidelijkheid moet komen over de contacten tussen de man en de kinderen. Zowel voor partijen als voor de kinderen is het belangrijk dat er een contactregeling wordt vastgelegd, waar beide partijen zich aan houden en waar niet aan getornd wordt. In principe zijn partijen het eens over het vastleggen van de regeling zoals deze momenteel loopt. Zij verschillen alleen van mening over het aanvangstijdstip en over het halen en brengen. Op dit moment is de regeling zo dat de man eens in de twee weken op vrijdag [minderjarige 2] om 14.45 uur bij de vrouw ophaalt, waarna hij [minderjarige 1] uit school haalt. Op zondagavond brengt hij hen om 18.30 uur weer terug bij de vrouw. De man geeft aan dat hij om praktische redenen de contactregeling op vrijdag pas om 18.45 uur wil laten starten. Hij is na lange tijd thuis te hebben gezeten met burn-outklachten recent weer gestart met werken. Hij kan de kinderen daarom niet eerder bij zich hebben dan 18.45 uur. De vrouw heeft dezelfde reden aangevoerd. Ook zij heeft werkzaamheden gepland op de vrijdagmiddag. De rechtbank stelt vast dat de huidige regeling, waarbij de man [minderjarige 2] om 14.45 uur ophaalt en daarna [minderjarige 1] uit school haalt, al langere tijd loopt. De man vraagt in de bodemprocedure om het wisselmoment op vrijdag uit school/opvang vast te stellen en uiteindelijk op te bouwen naar een volledige co-ouderschapsregeling. Gelet op deze omstandigheden valt niet in te zien dat nu als voorlopige voorziening het tijdstip waarop de man de kinderen ophaalt gewijzigd moet worden. Dit stelt de man tevens in de gelegenheid om contact te hebben met school, waarvan hij aangeeft dat hij dat belangrijk vindt.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de man bij e-mailbericht van 19 januari 2026 aan de vrouw ondubbelzinnig heeft toegezegd het halen en brengen van de kinderen volledig voor zijn rekening te nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hiervan af te wijken, te meer niet nu de vrouw geen mogelijkheden heeft om de kinderen op vrijdag bij de man te brengen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepalen, waarbij de kinderen eens in de twee weken op vrijdag na school/opvang tot zondag 18.30 uur contact hebben met de man, waarbij de man de kinderen haalt en brengt.
Ten aanzien van de zomervakantie constateert de rechtbank dat de vrouw niet tijdig heeft gereageerd richting [hulpverlening] op het verzoek om haar zomervakantie door te geven. Dit valt haar te verwijten. Uit het dossier blijkt dat zij reeds in januari 2026 wist wanneer zij op vakantie ging. Pas op 19 mei 2026 heeft zij dit per e-mail aan de man ter kennisgeving doorgegeven. De rechtbank is het dan ook met de man eens dat de vrouw niet constructief heeft gehandeld. Anders dan de man ziet de rechtbank hierin echter geen aanleiding om zijn verzoek onder II toe te wijzen. In dit verband is van belang dat uit het dossier gebleken is dat de man eerder heeft aangegeven dat hij in week 29 en week 30 vakantie met de kinderen wilde. Vervolgens heeft de vrouw op 19 mei 2026 aangegeven dat zij een vakantie met de kinderen had gepland in week 33 en week 34. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw er op dat moment van op de hoogte was dat de man inmiddels ook aan week 33 (en 34) dacht, zoals uit de mail van de man van 13 mei 2026 aan [hulpverlening] blijkt (bijlage 22 bij het verzoekschrift). Nu de man, zoals hij tijdens de zitting heeft aangegeven, in week 33 ook nog geen vakantie heeft opgenomen bij zijn werkgever ziet de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding over te gaan tot het bepalen van de door hem verzochte vakantie met de kinderen. De vorderingen onder II en III zullen dan ook worden afgewezen.
In de zaak met het kenmerk C/02/436212 / FA RK 25-2898 (bodemprocedure)
Wettelijk kader
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over de zorg- en contactregeling, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Tijdens de zitting is gebleken dat er sprake is van een forse ouderstrijd, waarbij de ouders elkaar over en weer wantrouwen. Er is een situatie ontstaan waarin de ene ouder zich voortdurend verdedigt en de andere ouder alles in twijfel trekt. Daarmee komt het ouderschap niet tot zijn recht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn hier de dupe van. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat er op 2 augustus 2024 een incident is geweest dat heeft geleid tot voorlopige hechtenis en een strafrechtelijke veroordeling van de man. De man heeft aangegeven dat hij een behandeling bij Fivoor van een half jaar heeft afgerond. Er is weliswaar al langere tijd [hulpverlening] bij partijen betrokken en er zijn wel stappen voorwaarts gezet, maar de situatie is nog steeds erg zorgelijk. Zo blijkt uit het dossier dat er verschillende meldingen zijn gedaan bij Veilig Thuis, niet alleen over de man, maar ook over de vrouw. Eén van deze meldingen ziet op zorgelijke uitingen die [minderjarige 2] op het kinderdagverblijf heeft gedaan over de man. Ook is er recent een incident met [minderjarige 2] geweest bij de man thuis. Hierbij is [minderjarige 2] ten val gekomen en heeft zij een ernstige verwonding opgelopen aan haar geslachtsdelen. De man heeft aangegeven dat hij er wel aan heeft gedacht om met [minderjarige 2] naar de huisartsenpost te gaan, maar dat hij dit heeft nagelaten uit angst dat de vrouw hem in dat geval zou verwijten dat hij de kinderen te laat bij haar af zou zetten. De vrouw heeft vervolgens zelf contact opgenomen met de huisarts nadat [minderjarige 2] bij haar was afgezet en verwijt de man dat hij daarin niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Dit alles maakt dat de rechtbank de situatie erg zorgelijk vindt.
Hoewel er op 24 november 2025 een ondertoezichtstelling is uitgesproken voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is er lange tijd geen vaste jeugdbeschermer betrokken geweest. Volgens de informatie van partijen is er pas sinds 4 juni 2026 een vaste jeugdbeschermer betrokken bij partijen. Gelet op de zorgelijke situatie en de dringende behoefte aan regie heeft de rechtbank de GI opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 15 juli 2026. Helaas is er op de zitting niemand namens de GI verschenen. Nu zowel de rechtbank als de Raad behoefte hebben om de bestaande zorgen met de GI te bespreken, heeft de rechtbank tijdens de zitting reeds met partijen besproken dat zij de behandeling van de zaak voor korte tijd aan zal houden tot een nadere datum, waarvoor zowel partijen, de Raad als de GI wederom worden opgeroepen. Nu de aanwezigheid van de jeugdbeschermer dringend gewenst is, verwacht de rechtbank dan ook dat zij de komende zitting in persoon aanwezig zal zijn.
Bovenstaande betekent dat als volgt wordt beslist.
6 De beslissing
De rechtbank
C/02/449041 / FA RK 26-2924 (voorlopige voorziening)
bepaalt bij wege van voorlopige voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:
dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week van vrijdag vanaf 14.45 uur na school/opvang tot zondag 18.30 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
C/02/436212 / FA RK 25-2898 (bodemprocedure)
houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot de nadere zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10 te Breda op [datum] 2026, om [uur] en roept partijen en hun advocaten, de GI en de Raad (mevrouw J. Kamp) op dan te verschijnen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
| Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. |
verzonden op:
[_7bca4240-9401-4f8e-857b-45d810f97580]
Voetnoten
- In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.