Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8293Zaaknummer C/02/449945 / JE RK 26-1173

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449945 / JE RK 26-1173
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt het vonnis van de rechtbank van 22 december 2022 (in de zaak met kenmerk C/02/403891/KG ZA 22-566) en bepaalt dat [minderjarige] en de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding gedurende één uur per week;

6.2.

bepaalt dat de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de man zal liggen bij de GI en dat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de man en [minderjarige];

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, in aanwezigheid van D. Dekkers als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449945 / JE RK 26-1173

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de vrouw],

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. A Koop-Van Vliet,

tegen

[de man],

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers.

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen de GI.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met producties, ontvangen op 2 juli 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met producties, ontvangen op 21 juli 2026;
  • een productie ingediend door mr. Koop- Van Vliet op 22 juli 2026;
  • het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 22 december 2022.
1.2.

De verzoeken zijn met gesloten deuren mondeling behandeld op de zitting van 23 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Verder waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI en een vertegenwoordigster namens de Raad.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.

2.2.

[minderjarige] is erkend door de man.

2.3.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.4.

[minderjarige] woont bij de vrouw.

2.5.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 december 2022 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: De man en [minderjarige] hebben recht op begeleide omgang op de woensdagen dat de zonen van de man omgang hebben met de man van 12.30/13.00 uur tot 17.00 uur onder begeleiding van [persoon] en de moeder van de man en op de overige woensdagen van 10.00 uur tot 11.00 uur onder begeleiding van een professionele derde, zoals door Veilig Thuis aan de man is voorgesteld, met dien verstande dat, indien de man de ochtenden vanwege (opstart) van werk verhinderd is, begeleide omgang dient te worden voorzien tijdens de overige woensdagmiddagen.

2.6.

Sinds 28 december 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Die maatregel is sindsdien steeds verlengd.

3 De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt de door de kinderrechter op 22 december 2022 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat de omgang c.q. het contact tussen de man en [minderjarige] wordt stopgezet en de regie over de vorm, de duur en de frequentie met betrekking tot het herstarten van het (begeleide) contact c.q. de omgang bij de GI wordt belegd en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De man verzoekt de kinderrechter het verzoek van de vrouw af te wijzen. De man doet een zelfstandig verzoek -samengevat- inhoudende dat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt uitgebreid op de wijze zoals opgenomen onder het kopje ‘redenen waarom’ in het zelfstandig verzoek, in stapjes met uitbreidingen iedere vier weken en bij de laatste stap na zes weken. De uiteindelijke definitieve regeling moet volgens het verzoek van de man een regeling worden waarbij de man eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot en met zondagavond 18.30 uur contact heeft met [minderjarige] alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen. De man verzoekt de rechtbank de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De vrouw verwijst voor haar standpunt naar haar verzoekschrift en licht daarbij het navolgende toe. Het contact tussen de man en [minderjarige] moet, met een beroep op artikel 1:265g lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), worden stopgezet. Het is heel duidelijk dat de man niet in staat is om de afspraak waarbij de man en [minderjarige] wekelijks contact hebben, na te komen. Dit wordt bevestigd door het feit dat in de periode in mei/juni 2026 opnieuw een aantal weken achter elkaar geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de man. Ook daarvoor is het contact met regelmaat niet doorgegaan. De vrouw wijst erop dat uit de omgangsverslagen uit juli 2026 blijkt dat [minderjarige] niet naar de contactmomenten met de man toe wil. [minderjarige] klaagt over buikpijn en geeft aan liever bij de vrouw te willen blijven. Na het laatste contactmoment heeft [minderjarige] alleen maar gehuild tot zij in slaap is gevallen. Zij wilde niet zeggen wat er was, ook niet de volgende dag. Een andere zorg van de vrouw is het alcohol- en drugsgebruik van de man. Naar de mening van de vrouw zijn dit allemaal contra-indicaties voor contact tussen de man en [minderjarige]. Daar komt bij dat de man niet eerlijk is en daardoor niet te vertrouwen. Verder heeft tot op heden is nog steeds geen persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden terwijl dit een voorwaarde is voor uitbreiding van het contact. De vrouw is van mening dat er eerst een persoonlijkheidsonderzoek moet worden gedaan en dat er dan pas weer contactmomenten kunnen zijn tussen de man en [minderjarige]. Het is volgens de vrouw overigens niet vreemd dat de instanties geen persoonlijkheidsonderzoek uit willen voeren. De man zegt immers steeds dat hij geen hulpvraag heeft. De vrouw is het er niet mee eens dat de GI het begeleide contact opnieuw is gestart in juli 2026, na de vervangende hechtenis van de man.

4.2.

Door en namens de man is aangevoerd dat de door de vrouw gekozen grondslag akkoord is, met name omdat nu wijzing wordt gevraagd van een door de GI bepaalde regeling. De man vindt niet dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moet worden stopgezet. Hij vindt dat deze moet worden uitgebreid. De man is geschrokken van alles wat er wordt gezegd en geschreven over hem. Hij ontkent dat hij iets te maken heeft met de krantenartikelen die in het geding zijn gebracht. Hij heeft ook niks te maken met de reden waarom de vrouw nu al maandenlang met code rood in [locatie] verblijft.

De man heeft inderdaad gemerkt dat [minderjarige] tijdens de laatste contactmomenten gezegd heeft dat zij last had van buikpijn. Maar hij heeft ook gemerkt dat de contactmomenten vervolgens meestal goed verliepen en tijdens een van de momenten wilde [minderjarige] zelfs nog langer blijven. De man vindt het ook belangrijk dat onderzocht wordt waar de buikpijn van [minderjarige] vandaan komt. Hij sluit niet uit dat hiervoor andere oorzaken aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld het feit dat haar moeder al maanden in code rood zit. [minderjarige] krijgt dit natuurlijk mee, bijvoorbeeld doordat zij steeds door begeleiding naar school wordt gebracht of doordat zij aan leuke evenementen steeds zonder haar moeder deelneemt.

De man is inderdaad niet eerlijk geweest over zijn afwezigheid. Hij was echter bang dat als hij aan zou geven dat hij een vervangende hechtenis uit zou moeten zitten dat tegen hem zou gaan werken. Om die reden heeft hij verteld dat hij onverwacht op vakantie ging. De man realiseert zich dat hij in het vervolg beter eerlijk kan zijn.

Voor wat betreft het persoonlijkheidsonderzoek heeft de man zich tot verschillende instanties (waaronder ggz) gewend. Deze instanties hebben allemaal aangegeven geen persoonlijkheidsonderzoek uit te zullen voeren.

4.3.

De GI vindt het bijzonder dat de man en de vrouw zo weinig aan het belang van [minderjarige] denken. Het is van belang dat [minderjarige] contact heeft met beide ouders. De begeleiding bij de contactmomenten was in het verleden nodig. De GI heeft begrepen dat de man heeft gezegd dat hij niet zou weten waarom hij een persoonlijkheidsonderzoek moet doen. De GI heeft daarna zelf geprobeerd om een persoonlijkheidsonderzoek in te zetten maar de betrokken instanties zeggen dat zij dat alleen uit willen voeren als de hulpvraag van de man komt. De GI heeft steeds gezegd dat er zonder persoonlijkheidsonderzoek geen onbegeleide contactregeling zal komen. Dat is in principe nog steeds zo. De GI zal nog onderzoeken welke (uitbreidings)mogelijkheden er wel zijn.

De GI vindt het verder bijzonder om te moeten lezen dat de man niet eerlijk is geweest over zijn afwezigheid. De GI begrijpt niet waarom de man hierover in eerste instantie heeft gelogen. En merkt op dat de man hierover ook later geen open kaart heeft gespeeld met de GI. De GI heeft verder gehoord dat de man niet lang meer te leven zou hebben. De GI vraagt zich af waarom zij dit via de oudste zoon van de man moeten horen en waarom de man zoiets belangrijks niet zelf deelt. De GI vindt om al deze redenen dat de man nog te onbetrouwbaar is om de contactmomenten uit te breiden. Er zullen eerst nog een aantal goede gesprekken plaats moeten vinden met de man en hij zal aan moeten tonen dat hij betrouwbaar is en dat hij structureel aanwezig is op contactmomenten. De GI heeft verder ter voorkoming van verdere onduidelijkheid nog toegelicht dat het niet zo is dat de gemeente de begeleide contactmomenten niet langer wil financieren. De hulpverlening voor [minderjarige] en de begeleiding van de contactmomenten is tot op heden gefinancierd uit hetzelfde budget. Dat kan niet langer. Er wordt op dit moment door de gemeente gekeken uit welk budget de begeleide contactmomenten gefinancierd moeten gaan worden.

4.4.

De Raad vindt het lastig een goed advies te geven omdat hij de indruk heeft dat hij een informatie achterstand heeft. Er is al heel veel informatie beschikbaar in het kader van de ondertoezichtstelling en partijen brengen veel in. De Raad heeft echter ook nog veel vragen naar aanleiding van hetgeen hij gelezen heeft. Zo heeft de Raad gelezen dat de man niet lang meer te leven zou hebben, maar op dat punt ontbreekt een toelichting. Verder is niet duidelijk hoe het zit het middelengebruik en met de emotieregulatie van de man. Er is namelijk geen (recente) informatie gegeven over deze onderwerpen. Dat de ggz geen informatie over de man wil delen is begrijpelijk, maar de man had meer informatie in kunnen brengen. Het valt de Raad op dat de verslagen over de omgangsmomenten heel feitelijk zijn. Hieruit kan niet worden opgemaakt hoe de interactie is tussen man en [minderjarige]. Het lijkt er volgens de Raad overigens wel op dat dit goed gaat. De raad ziet weinig informatie op basis waarvan hij op dit moment adviseert om het contact uit te breiden. De regie over een eventuele uitbreiding moet bij de GI komen te liggen. De zorgen over de buikpijn van [minderjarige] kan de Raad niet een-op-een linken aan het contact met de man. Te meer niet omdat [minderjarige] eerder ook overstuur was als een contactmoment niet doorging. Op basis van de informatie die de Raad wel heeft, is de Raad het eens met het standpunt van de GI.

5 De beoordeling

Grondslag van de vordering

5.1.

In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige]. De vrouw heeft haar vordering tot wijziging van de beschikking van 22 december 202 en tot stopzetting van het contact tussen [minderjarige] en de man, gebaseerd op artikel 1: 265g van het Burgerlijk Wetboek (BW). Namens de man is aangegeven dat hij zich in de aangevoerde grondslag kan vinden.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat artikel 1:265g BW niet de grondslag kan zijn van het verzoek van de vrouw. Dit artikel bepaalt namelijk in lid 1:

Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

en in lid 2:

Op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.4.

In dit geval wordt niet gevraagd om wijziging van een op verzoek van de GI vastgestelde regeling maar om de aanpassing van vonnis waarbij de man en de vrouw partij waren. De GI was op dat moment nog niet bij de procedure betrokken. De ondertoezichtstelling dateert van een aantal dagen later. Naar het oordeel van de kinderrechter had de vrouw als grondslag voor de vordering een beroep moeten doen op artikel 1:253a BW. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen met overeenkomstige toepassing van artikel 377a lid 3 BW een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben. Uit lid 4 van artikel 1:253a BW blijkt dat (voor zover hier van belang) artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is. De kinderrechter vult om de rechtsgronden ambtshalve aan.[_eab18cf3-a4fc-45a7-b9d3-4a123fb5ee7c]

Inhoudelijke beoordeling

5.5.

Dat sprake is van wijziging van omstandigheden die aanpassing van de bestaande regeling rechtvaardigt dat staat naar het oordeel van de kinderrechter voldoende vast. Er is immers kort nadat de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld een ondertoezichtstelling uitgesproken. Tijdens deze ondertoezichtstelling heeft de GI, in afwijking van de beschikking van de rechtbank, met ingang van januari 2023 een contactmoment van één uur per week vastgesteld tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van Inzet voor Zorg. Sindsdien wordt uitvoering gegeven aan de door de GI bepaalde regeling en niet (meer) aan het vonnis van de rechtbank.

5.6.

De kinderrechter ziet geen aanleiding om de contactmomenten die sinds begin juli weer zijn opgestart te stop te zetten. Het uitgangspunt is dat minderjarige kinderen recht hebben op contact met beide ouders. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn[_dedb2a35-561d-4bc7-9fe0-e5a81a49233b], die afwijking van het uitgangspunt noodzakelijk maken. De kinderrechter ziet dergelijke redenen in deze zaak niet. Voorafgaand aan de vervangende hechtenis van de man verliepen de contactmomenten redelijk goed. Daarin ziet de kinderrechter dan ook geen aanleiding te stoppen met de omgang. Ook het feit dat de man niet eerlijk is geweest over zijn vervangende hechtenis is geen aanleiding om de contactmomenten tussen de man en [minderjarige] te stoppen. Dat [minderjarige] een aantal keren heeft aangegeven buikpijn te hebben is op zich zorgwekkend, maar dit kan de kinderrechter niet een-op-een aan het contact met de man linken. Het is helaas zo dat [minderjarige] in haar jonge leventje al veel mee heeft moeten maken. Mogelijk zijn er dan ook andere of meerdere oorzaken voor de buikpijn. De kinderrechter is gezien het bovenstaande van oordeel dat het contact tussen de man en [minderjarige] in stand moet blijven.

5.7.

De kinderrechter ziet op basis van hetgeen zij heeft gelezen in het dossier en op basis van hetgeen zij ter zitting heeft gehoord wel aanleiding om de beschikking van 22 december 2022 te wijzigen en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken meer in overeenstemming te brengen met de feitelijke gang van zaken. Nu al sinds 2023 een contactregeling geldt waarbij de man en [minderjarige] gedurende één uur per week begeleid contact met elkaar hebben, zal de kinderrechter bepalen dat dat het uitgangspunt is. Daarnaast zal de kinderrechter -zoals verzocht door de vrouw en niet weersproken door de man- de regie over het contact tussen [minderjarige] en de man neerleggen bij de GI, zodat de GI kan beslissen tot verdere uitbreiding van het contact in frequentie, duur en mate van begeleiding, dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de man en [minderjarige].

5.8.

De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarige is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5.9.

Het verzoek van de man zal gezien het bovenstaande worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt het vonnis van de rechtbank van 22 december 2022 (in de zaak met kenmerk C/02/403891/KG ZA 22-566) en bepaalt dat [minderjarige] en de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding gedurende één uur per week;

6.2.

bepaalt dat de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de man zal liggen bij de GI en dat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de man en [minderjarige];

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, in aanwezigheid van D. Dekkers als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Zie artikel 1:377a lid 3 BW voor de ontzeggingsgronden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.