Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7745Zaaknummer C/02/438064 / JE RK 25-1369
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/438064 / JE RK 25-1369
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling van de vader en de GI. Regie bij de GI belegd.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI met zaaknummer C/02/443040 /JE RK 25-2242 af;
verzoeker vader met zaaknummer C/02/438064 / JE RK 25-1369:
bepaalt dat [minderjarige 2] en de vader gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij de regie over het, begeleide, contact(herstel) bij de GI wordt belegd en wordt toegewerkt naar een wekelijks belmoment tussen [minderjarige 2] en zijn vader en, indien mogelijk, op termijn een fysiek contact, een en ander onder de condities als beschreven in rechtsoverweging 5.3;
bepaalt dat [minderjarige 1] en de vader gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij de regie over het, begeleide, contact(herstel) bij de GI wordt belegd en wordt toegewerkt naar een zorgregeling van een weekend, van zaterdag op zondag, per twee weken, een en ander onder de condities als beschreven in rechtsoverweging 5.6;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders door de vader verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/02/438064 / JE RK 25-1369
C/02/443040 / JE RK 25-2242
Datum uitspraak: 15 juli 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over omgang
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk te Helmond,
verzoeker inzake C/02/438064 / JE RK 25-1369,
belanghebbende inzake C/02/443040 / JE RK 25-2242,
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
verzoekster inzake C/02/443040 / JE RK 25-2242,
belanghebbende inzake C/02/438064 / JE RK 25-1369,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt in beide procedures als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in beide procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/438064 / JE RK 25-1369
- de door kinderrechter op 2 december 2025 gegeven tussenbeschikking en de daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van [geboortedag 2] 2026 met bijlagen.
C/02/443040 / JE RK 25-2242
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 december 2025;
- de brief van de GI van [geboortedag 2] 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Van Wijk, de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader in persoon en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
De behandeling van deze verzoeken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de nog resterende verzoeken van de GI tot verlenging van de onder 5.1 genoemde beschermingsmaatregelen (C/02/439702 / JE RK 25-1651 en C/02/439787 / JE RK 25-1663), de verzoeken van de GI tot bekrachtiging van twee schriftelijke aanwijzingen (C/02/440923 / JE RK 25-1871 en C/02/442105 / JE RK 25-2053) en de nieuwe verzoeken van de GI tot verlenging van de voornoemde maatregelen (C/02/449755 / JE RK 26-1131 en C/02/449756 / JE RK 26-1132). In de andere zaken is bij aparte beschikkingen van heden een beslissing gegeven.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover na de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter.
2 De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] verblijft op een behandelgroep in [plaats 1]. [minderjarige 2] verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 3].
C/02/438064 / JE RK 25-1369
Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de vader tot vervanging van de GI afgewezen. Het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is aangehouden om een gelijktijdige behandeling met de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk te maken.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 december 2025 de volgende voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1]:
bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar deels begeleid door mevrouw [persoon 1], coach/begeleider van de vader, overeenkomstig het navolgend opbouwende schema:
- met ingang van zaterdag, 13 december 2025 gedurende één dagdeel, te weten
van 12:00 uur tot 16:30 uur waarbij [minderjarige 1] de lunch bij de vader gebruikt en de
vader ervoor zorgt dat zij op tijd terug is op het NS station;
- op 20 december 2025 van 11:00 uur tot 18:30 uur, waarbij [minderjarige 1] de lunch bij
de vader gebruikt en de vader ervoor zorgt dat zij op tijd terug is op het NS
station, nadat zij bij de vader avondeten heeft gehad;
- met kerstmis op 24 december 2025 gaat [minderjarige 1] om 14.00 uur naar de vader,
vervolgens is zij op Eerste Kerstdag tot en met Tweede Kerstdag bij de vader tot
18:30 uur;
- op zondag 28 december 2025 gaat [minderjarige 1] naar de vader van 11:00 uur tot 18:30
uur en op 31 december 2025 (Oudjaar) is zij bij de vader, mede uit veiligheids-
oogpunt (vuurwerk) en wel van 14:00 uur op 31 december tot en met 1 januari
2026 15:00 uur;
- [minderjarige 1] is van zaterdag 3 januari 2026 vanaf 11:00 uur tot en met zondag 4
januari 2026 18:30 uur bij de vader;
- daaropvolgend is [minderjarige 1] wekelijks bij de vader, te weten met ingang van 9
januari 2025 van zaterdag 17:00 uur tot zondag 16:30 uur, met dien verstande,
dat
a) in geval van een plaatsing in een gezinshuis en afhankelijk van de
gewenningsperiode aldaar de frequentie kan wijzigen naar éénmaal per
veertien dagen, zij het telkens onder auspiciën van het Leger des Heils, de
gecertificeerde instelling;
b) aan de coach van de vader de ruimte wordt gelaten om ook soms
onaangekondigd het verloop van de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader mee
te maken en daarvan schriftelijk verslag te doen aan de advocaat van de
vader en aan het Leger des Heils.
De behandeling van het verzoek van de vader is voor het overige, waaronder het deel dat betrekking had op [minderjarige 2], aangehouden in afwachting van schriftelijk bericht van de GI.
3 De (resterende) verzoeken
C/02/438064 / JE RK 25-1369
Aan de orde is nog het verzoek van de vader om te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem zullen verblijven op de wijze als door hem verzocht.
C/02/443040 JE RK 25-2242
De GI verzoekt de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] zoals vastgesteld in de beschikking van 2 december 2025 te wijzigen in die zin dat:
De Gezinsmanager start met een wekelijks begeleide omgang van een keer per week en dat de GI de regie heeft over de omgang en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De (nadere) standpunten
Namens de vader wordt aangevoerd dat hij graag contact wil met [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar dat hij ook hulpverleningsmoe is. Op dit moment is [minderjarige 2] heel stellig dat hij geen contact met de vader wil. Ten aanzien van [minderjarige 2] refereert de vader zich dan ook aan het oordeel van de kinderrechter. Ten aanzien van [minderjarige 1] is dit anders. Voor de vorige zitting op 24 november 2025 heeft [minderjarige 1] aan de kinderrechter tijdens het kindgesprek aangegeven dat zij graag wekelijks contact met de vader wil. Conform die wens heeft de kinderrechter toen de voorlopige (opbouwende) zorgregeling vastgesteld. Het klopt dat er sinds mei 2026 geen fysiek contact heeft plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige 1], maar de vader wenst dit contact wel weer te herstellen. De vader ziet dat [minderjarige 1] contact met hem wil. De vader vreest dat wanneer de volledige regie bij de GI wordt belegd de omgang tussen hem en [minderjarige 1] volledig stil komt te liggen. De vader handhaaft dan ook zijn verzoek en wanneer de zorgregeling in frequentie en/of duur wordt verminderd zal hij zich hierbij neerleggen. Hij verzoekt wel een minimale basisregeling vast te leggen tussen hem en [minderjarige 1] van bij voorkeur een weekend per twee weken.
Namens de GI wordt aangevoerd dat de bij beschikking van 2 december 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling voor [minderjarige 1] onverantwoord is. De betrokken jeugdzorgwerker was niet op de zitting van 24 november 2026 aanwezig en de aanwezige zittingsvertegenwoordiger heeft op deze zitting weinig weerstand geboden tegen het vaststellen van de voorlopige zorgregeling. De GI heeft altijd gepleit voor begeleide omgang door De Gezinsmanager zodat op die wijze kan worden bekeken of onbegeleide omgang mogelijk is. De hulpverlening door De Gezinsmanager is echter niet van de grond gekomen vanwege problemen met de gemeente. De voorlopige zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 2 december 2025 is te belastend voor [minderjarige 1]. Zij zou alleen met de trein naar haar vader moeten gaan, terwijl zij nog nooit alleen met de trein heeft gereisd. In het begin is [minderjarige 1] dan ook gehaald en gebracht. De GI heeft altijd het vermoeden gehad dat [minderjarige 1] werd gemanipuleerd. Sinds begin mei 2026 vindt er geen contact meer plaats tussen [minderjarige 1] en de vader, nadat [minderjarige 1] eindelijk de kracht heeft gevonden om haar eigen wensen kenbaar te maken richting de vader. De GI wijzigt, nu de hulpverlening door De Gezinsmanager niet van de grond is gekomen, het verzoek in die zin dat thans wordt verzocht te bepalen dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vader plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij het tempo van [minderjarige 1] wordt gevolgd.
Ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige 2] merkt de GI op dat [minderjarige 2] het contact met de vader blijft afhouden. Hij is teleurgesteld in de vader en bang opnieuw door hem teleurgesteld te worden. De spreekwoordelijke deur staat op een kiertje, maar is niet gesloten. Het is van belang dat in het contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader het tempo van [minderjarige 2] gevolgd wordt. Ook in dit verband dient de regie bij de GI te worden belegd.
De Raad adviseert de regie voor de omgang van de kinderen met de vader bij de GI te beleggen, gelet op het verloop van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] sinds de vorige zitting. De Raad ziet dat de GI oog heeft voor het contact tussen de vader en [minderjarige 1]. Zolang [minderjarige 1] het gevoel heeft dat de GI het contact met de vader stimuleert, zal [minderjarige 1] ook aangeven dat zij contact wil met de vader. Ook al was het tijdens het kindgesprek in november 2025 de wens van [minderjarige 1] om wekelijks contact met de vader te hebben, in de praktijk heeft het haar niet gebracht wat zij ervan gehoopt had. [minderjarige 1] geeft signalen af dat de voorlopige zorgregeling te belastend is voor haar. De vader heeft ook de begeleiding zoals opgenomen in de beschikking van 2 december 2025 niet aanvaard. Om [minderjarige 1] te beschermen is het van belang dat de regie ten aanzien van de omgang bij de GI wordt belegd, zodat het tempo van [minderjarige 1] kan worden gevolgd. Voor wat betreft de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] dient een begin te worden gemaakt wanneer [minderjarige 2] zover is. Ook bij [minderjarige 2] dient dan een opbouw te komen, waarbij zijn tempo wordt gevolgd.
[minderjarige 1] heeft tijdens het, telefonische, kindgesprek op 30 juni 2026 met de kinderrechter aangegeven dat zij inderdaad verblijft op een behandelgroep in [plaats 1] en in [plaats 2] naar school gaat. Zij wil daar blijven wonen. Sinds begin mei 2026 heeft zij geen contact met haar vader, maar ze weet eigenlijk niet hoe dit komt; sinds een week heeft ze echter wel weer via WhatsApp contact met haar vader. [minderjarige 1] wil wel weer op termijn fysiek contact met haar vader gedurende een weekend, van zaterdag op zondag, per twee weken. Zij wil dat haar jeugdbeschermer, [persoon 2], dit contact, zeker in het begin, gaat begeleiden.
[minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek met de kinderrechter op 2 juli 2026 via Teams bevestigd dat hij in een gezinshuis in [plaats 3] woont en na de zomervakantie gaat starten op een middelbare school in [plaats 4]. Hij wil in het ‘gezin’ blijven wonen en daar in [plaats 4] naar school gaan. Hij heeft geen contact met zijn vader. Hij heeft van de jeugdbeschermer vernomen dat zijn vader contact met hem wil en dat zijn vader is veranderd. [minderjarige 2] wil beginnen met het contactherstel door eerst met zijn vader te bellen, waarbij de betrokken jeugdzorgwerker, [persoon 3], bij [minderjarige 2] aanwezig is. Hij wil graag horen wat zijn vader te melden heeft en of hij inderdaad is veranderd. Daarbij wil hij excuses van zijn vader horen over wat hij, de vader, in het verleden heeft gedaan. Mogelijk kan er daarna structureel belcontact plaatsvinden en op termijn fysiek contact.
5 De beoordeling
De kinderrechter heeft bij beschikking van heden in de zaken met nummers /02/449755/
JE RK 26-11131 en C/02/449756 / JE RK 26-1132 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de periode van
4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027.
Op grond van artikel 1:265g lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van onder andere een met het gezag belaste ouder en de GI een in een beschikking vastgestelde zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
[minderjarige 2]
Ten aanzien van [minderjarige 2] is in de beschikking van 2 december 2025 overwogen dat het in zijn belang is om contactherstel met de vader niet te forceren en dat hij de ruimte krijgt om, zodra hij daar zelf aan toe is, daarover met zijn vader het gesprek aan te gaan. De situatie sinds deze beschikking is niet gewijzigd. [minderjarige 2] heeft nog steeds geen contact met zijn vader en het contactherstel is nog niet gestart. Wel heeft [minderjarige 2] richting de kinderrechter aangegeven dat hij wil gaan starten met het contactherstel met de vader door eerst met elkaar te bellen, waarbij de jeugdbeschermer ter ondersteuning van hem aanwezig is. [minderjarige 2] wil graag excuses van zijn vader en dat zijn vader laat zien dat hij veranderd is, voordat hij het contactherstel verder aan kan gaan. De kinderrechter zal dan ook beslissen op het verzoek van de vader dat hij en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 2] dient plaats te vinden onder regie van de GI. Er zal daarbij gestart worden met een telefoongesprek tussen de [minderjarige 2] en de vader, waarbij [minderjarige 2] ondersteund wordt door zijn jeugdbeschermer, en in het tempo van [minderjarige 2] zal worden toegewerkt naar een wekelijks belcontact tussen hem en zijn vader. Indien mogelijk dient op termijn te worden begonnen met, begeleide, fysieke contacten tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij ook het tempo van [minderjarige 2] dient te worden gevolgd.
[minderjarige 1]
In de beschikking van 2 december 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige 1] en de vader. Gebleken is dat deze voorlopige regeling vanaf het begin niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De vader is de voorwaarden voor deze voorlopige regeling niet nagekomen. Mevrouw [persoon 1] ([coaching], zie ook 5.5.) is vanwege een kennelijk verstoorde samenwerking tussen haar en de vader niet in staat gebleken om de omgang adequaat te begeleiden. Daarnaast is de beoogde inzet van De Gezinsmanager tot het verrichten van onder meer een perspectiefonderzoek niet van de grond gekomen. Vervolgens ging het niet goed in het contact tussen de vader en [minderjarige 1], met als dieptepunt de volledige verbreking van het contact tussen hen in mei 2026. Inmiddels hebben zij sinds vorige week appcontact met elkaar. Gezien het voorgaande, in elkaars verband en samenhang bezien, is de kinderrechter van oordeel dat er thans, uitgaande van een toetsing ex nunc, sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat de GI ontvankelijk is in haar verzoek. Hierbij betrekt de kinderrechter uitdrukkelijk niet de door de GI genoemde omstandigheid dat zij op de zitting van 24 november 2025 kennelijk niet adequaat was vertegenwoordigd. Dat daarvan volgens de GI het geval is geweest dient voor haar rekening en risico te komen. Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat voor het geval de GI het niet eens zou zijn geweest met de beschikking van 2 december 2025, zij de mogelijkheid heeft gehad om daartegen in hoger beroep te gaan. Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
De voorlopige zorgregeling, zoals vastgesteld in de beschikking van 2 december 2025, wordt, zoals al uit het voorgaande blijkt, niet nagekomen. Deze voorlopige regeling is vastgesteld nadat [minderjarige 1] kenbaar had gemaakt graag wekelijks contact met de vader te willen hebben, maar naar het lijkt is deze regeling door het toedoen van de vader stopgezet. De vader is ook volledig uit contact getreden met de GI. De kinderrechter heeft ook kennis genomen van het verslag van [coaching] van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat de vader de voorwaarden voor wat betreft onder meer de begeleiding, zoals opgenomen in de beschikking van 2 december 2025, niet is nagekomen, maar waaruit ook de al moeizame samenwerking tussen de vader en zijn begeleidster mevrouw [persoon 1] blijkt. Inmiddels heeft de vader de begeleiding door [coaching] ook stopgezet.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige regeling zoals vastgesteld in de beschikking van 2 december 2025 niet meer uitvoerbaar is. De kinderrechter vindt het echter wel in het belang van [minderjarige 1] dat zij een structureel en onbelast contact met haar vader dient te hebben. [minderjarige 1] heeft zelf ook aan de kinderrechter aangegeven dat zij wel weer fysiek contact met de vader wenst, een en ander, vooralsnog, onder begeleiding van haar jeugdbeschermer. Aangezien de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 2 december 2025 een voorlopige regeling betreft naar aanleiding van het verzoek van de vader, zal de kinderrechter thans definitief beslissen op het verzoek van de vader, inhoudende dat de vader en [minderjarige 1] zijn gerechtigd tot contact met elkaar, waarbij de regie ten aanzien van het contactherstel bij de GI wordt belegd en zal worden toegewerkt naar een zorgregeling van eens per twee weken van zaterdag tot zondag. Het meer of anders verzochte door de vader zal worden afgewezen.
Tevens zal het verzoek van de GI worden afgewezen, nu er definitief wordt beslist op het verzoek van de vader. In dit kader is mede van belang dat het verzoek van de GI betrekking heeft op onder meer de inzet van De Gezinsmanager. Zoals tijdens de zitting is gebleken is deze inzet niet meer aan de orde.
De kinderrechter zal zijn toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI met zaaknummer C/02/443040 /JE RK 25-2242 af;
verzoeker vader met zaaknummer C/02/438064 / JE RK 25-1369:
bepaalt dat [minderjarige 2] en de vader gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij de regie over het, begeleide, contact(herstel) bij de GI wordt belegd en wordt toegewerkt naar een wekelijks belmoment tussen [minderjarige 2] en zijn vader en, indien mogelijk, op termijn een fysiek contact, een en ander onder de condities als beschreven in rechtsoverweging 5.3;
bepaalt dat [minderjarige 1] en de vader gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij de regie over het, begeleide, contact(herstel) bij de GI wordt belegd en wordt toegewerkt naar een zorgregeling van een weekend, van zaterdag op zondag, per twee weken, een en ander onder de condities als beschreven in rechtsoverweging 5.6;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders door de vader verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.