Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6804Zaaknummer C/02/433298 / FA RK 25-1459
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/433298 / FA RK 25-1459
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verwijzing UHA. Aanhouding verdeling zorg- en opvoedtaken.
5 De beslissing
De kinderrechter:
wijst af de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het gezag, vervangende toestemming voor een paspoort en vervangende toestemming voor een reis naar India;
verwijst de ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.12. en 4.13. vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Het loket zal de ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 8 december 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 4.19. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/433298 / FA RK 25-1459
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over gezag, wijziging zorgregeling en vervangende toestemming
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R. Holland uit Eindhoven,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers uit Breda,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 2 april 2026, en de daarin genoemde stukken;
- het verweerschrift met productie 1, ontvangen op 4 juni 2026;
- de brief van mr. Holland, met productie 33 t/m 35;
- het F9-formulier van mr. Holland, met productie 36;
- het F9-formulier van mr. Schoenmakers met producties 49 & 50;
- de spreekaantekeningen van mr. Holland.
Op 15 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening over het verzoek te geven. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 18 januari 2017 tot 23 juni 2023.
Uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024 is beslist op verzoeken met betrekking tot kinder- en partneralimentatie en is bepaald dat de man en de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de even weken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van woensdag na school tot maandag voor school, waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen.
Bij kort geding vonnis van 27 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vordering van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor een reis met [minderjarige] naar India in de kerstvakantie afgewezen
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland West-Brabant, locatie Breda van 2 april 2026 is beslist op wijzigingsverzoeken kinder- en partneralimentatie en op een verzoek met betrekking tot een schuld aan [persoon]. De behandeling van de aanvullende verzoeken van de vrouw tot wijziging van het gezag over de minderjarige, wijziging van de zorgregeling, vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van de minderjarige en vervangende toestemming voor een reis naar India met de minderjarige in de zomervakantie zijn aangehouden tot onderhavige zitting.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en daarbij te bepalen dat de vrouw alleen wordt belast met het gezag over de minderjarige, [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, althans te dezen een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van genoemde minderjarige wenselijk voorkomt;
- de door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant gegeven nadere beschikking betreffende echtscheiding van 24 januari 2023 (C/02/392361 FA RK 21-5692), voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de oneven weken, te wijzigen en in zoverre (opnieuw) rechtdoende te bepalen dat de man en de minderjarige, [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende de even weken van woensdag na school tot maandag voor school, waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen en de helft van de vakanties en feestdagen, nader in onderling overleg door partijen te regelen, althans een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank in het belang van genoemde minderjarige wenselijk voorkomt;
Subsidiair:
- een verklaring ex artikel 34 lid 2 van de Paspoortwet af te geven en de vrouw daarmee vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige;
- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om in de periode van vrijdag 10 juli 2026 tot en met zondag 23 augustus 2026 met de minderjarige naar India te reizen en daar te verblijven bij familie.
althans te dezen een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van genoemde minderjarige wenselijk voortkomt;
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
4 De beoordeling
Rechtsmacht
Omdat de vrouw de Indiase nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal
karakter en zal eerst moeten worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en - zo ja - welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is bevoegd nu [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en om diezelfde reden is Nederlands recht van toepassing.
Gezag en vervangende toestemming paspoort
De verzoeken ten aanzien van het gezag en vervangende toestemming voor een paspoort zijn door de vrouw ter zitting ingetrokken. Partijen hebben tijdens de zitting over het paspoort de volgende afspraak gemaakt: Het paspoort van [minderjarige] wordt door de man in beheer gehouden en de vrouw zal een nieuwe identiteitskaart voor haar aanvragen. De man geeft voor het aanvragen van een nieuwe identiteitskaart zijn toestemming.
Aangezien voormelde verzoeken zijn ingetrokken, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling en zullen deze worden afgewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan op grond van sub a een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders omvatten.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar teneinde het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
Inhoudelijke beoordeling en uniform hulpaanbod
De vrouw geeft aan dat [minderjarige] stress krijgt van de huidige zorgregeling. De man komt de zorgregeling niet volledig na en stelt zijn eigen afspraken boven die met [minderjarige]. Hij is meerdere keren langere periodes naar India vertrokken. Verder komt hij vaak te laat op school en weigert hij met [minderjarige] naar buitenschoolse activiteiten te gaan, omdat hij het belang daarvan niet of minder ziet. De vrouw maakt alle afspraken en overlegt hierover met de man en zij past haar agenda hierop aan. De man doet dit niet, wat volgens haar niet in [minderjarige] ’s belang is. Hij biedt [minderjarige] geen stabiliteit. Daarnaast verloopt de communicatie tussen de ouders niet goed.
De man stelt dat de vrouw haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft veel stukken in het geding gebracht zonder enige toelichting, welke stukken bovendien gedateerd zijn. Er is geen sprake van dat hij afspraken niet nakomt en vaak te laat is. Volgens hem wordt er niets aan hem gevraagd over de buitenschoolse activiteiten; deze worden door de vrouw besloten zonder zijn toestemming of instemming. Hij past zich aan waar mogelijk en vindt dat de zorgregeling goed verloopt. Hij ziet geen reden om deze te wijzigen, omdat dat volgens hem niet in [minderjarige] ’s belang is.
De Raad adviseert het volgende. De communicatie tussen de ouders moet verbeterd worden. Op dit moment ziet de Raad geen aanleiding voor aanpassing van de zorgregeling. Wel moet er meer inzicht komen in de situatie van de ouders en vooral in hoe het met [minderjarige] gaat nu de ouders slecht met elkaar communiceren, en welke gevolgen dit voor haar heeft. De Raad maakt zich zorgen over [minderjarige] gelet op de zeer verstoorde communicatie en afstemming tussen partijen, maar ook vanwege de manier waarop [minderjarige] hierin wordt betrokken.
Tijdens de zitting is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA), onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak.
Ook de rechtbank ziet het belang hiervan in. Het is duidelijk dat de ouders problemen hebben in de communicatie en er samen niet in slagen deze op te lossen. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.
De rechtbank vraagt het loket er rekening mee te houden dat de ouders een ondersteuner vanuit de gemeente nodig hebben die Engels spreekt. Als het mogelijk is, zou het ook fijn zijn als er een hulpverleningsinstantie wordt ingeschakeld die intercultureel werkt.
De rechtbank zal geen voorlopige zorgregeling vaststellen. Partijen zijn het erover eens dat de huidige zorgregeling tijdens het hulpverleningstraject van het UHA wordt voortgezet.
Met de inzet van het UHA-traject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind.
Meer specifiek dienen de ouders in het kader van het UHA-traject te werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking, waarbij zij zullen trachten om te komen tot volledige overeenstemming over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige].
Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling van de in deze procedure voorliggende verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige] nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.
Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.
Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank de beslissing over de (wijziging van de) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop.
Vervangende toestemming vakantie
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vrouw samengevat, het volgende aangevoerd. Zij wenst in de zomervakantie met [minderjarige] naar India te reizen, hetgeen in het belang van haar culturele en emotionele ontwikkeling moet worden geacht. Zij stelt dat er geen sprake is van vluchtgevaar en dat zij [minderjarige] absoluut niet naar India zal ontvoeren. De vrouw wil niet naar India verhuizen; haar leven is hier op orde en zij ziet de toekomst rooskleurig in. [minderjarige] voelt zich hier prettig. Er is eerder geen sprake geweest van een ontvoering met kwade intenties, maar van een juridisch geschil over een toestemmingsdocument. Na de beslissing hierover van het Hof is zij gewoon teruggekeerd naar Nederland. De vrouw is bereid tegemoet te komen aan de zorgen van de man door hem mee te laten reizen en het paspoort in zijn bewaring te geven. Zij betwist dat de man in India gevaar loopt vanwege lopende procedures. Zij geeft aan (nog steeds) bereid te zijn de echtscheiding (zonder nevenvoorzieningen) in India samen met de man te regelen en de strafrechtelijke procedure in te trekken. Tot slot geeft zij aan dat zij inmiddels over een paspoort van [minderjarige] beschikt. Zij heeft toegelicht dat de gemeente per abuis een paspoort heeft afgegeven in plaats van de door haar (met toestemming van de man) aangevraagde identiteitskaart. Er is geen sprake van kwade opzet van haar zijde.
De man heeft verweer gevoerd en zijn zorgen toegelicht. Hij vreest dat de vrouw, wanneer zij met [minderjarige] in India is, de echtscheidingsprocedure zal voortzetten en nevenvoorzieningen zal vragen, die maken dat zij met [minderjarige] niet meer naar Nederland terug hoeft te keren. Daarnaast is hij bang dat de vrouw in India de politie zal inschakelen, waardoor hij mogelijk wordt vastgezet in verband met een aldaar lopende strafrechtelijke procedure tegen hem. Vanwege een eerdere ontvoering van [minderjarige] naar India door de vrouw, die volgens hem wel degelijk heeft plaatsgevonden, heeft hij geen enkel vertrouwen in de vrouw en acht hij haar voorstellen om aan zijn vrees tegemoet te komen niet reëel. De man wijst er verder op dat tijdens de zitting van de kortgedingrechter op 13 november 2025 is besproken dat de vrouw zou afzien van lopende en door haar gestarte procedures in India, maar dit heeft zij niet gedaan. Dit bevestigt de vrees van de man dat zij nog steeds dezelfde plannen heeft om met [minderjarige] naar India te gaan en daar te blijven. De man stelt dat de situatie sinds het kort geding onveranderd is gebleven en het verzoek afgewezen dient te worden. Hij wijst er daarbij op dat India niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag en dat het nagenoeg onmogelijk is om kinderen uit India terug te krijgen naar Nederland na een ongeoorloofde achterhouding. De man vreest thans te meer dat de vrouw de intentie heeft om met [minderjarige] in India te blijven, omdat hem ter zitting is gebleken dat de vrouw zonder zijn toestemming over een paspoort voor [minderjarige] is komen te beschikken en hem daarvan niet op de hoogte heeft gesteld.
De Raad constateert dat er weinig vertrouwen bestaat tussen de ouders en dat de communicatie moeizaam verloopt. Gezien het gebrek aan vertrouwen adviseert de Raad op dit moment in het belang van [minderjarige] geen toestemming te verlenen.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige]. Dit betekent dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. In het algemeen is het in het belang van een kind, dat een kind op vakantie kan met zijn of haar ouders. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor een kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder of wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. Dan ligt het in de rede dat ook in rechte geen vervangende toestemming zal worden verleend. Bij de beoordeling staat het belang van het kind voorop.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ouders forse communicatieproblemen hebben en dat de angst van de man voor een definitief vertrek van de vrouw met [minderjarige] naar India onverminderd groot is en zelfs is toegenomen. De rechtbank ziet in hetgeen de man gesteld heeft over zijn angst voor ontvoering voldoende aanleiding om de vrouw op dit moment de door haar verzochte vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige] naar India te weigeren en zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing komt. De angst van de vader is gebaseerd op zijn stellige overtuiging dat de vrouw [minderjarige] heeft ontvoerd en weer zal ontvoeren als zij daartoe de kans krijgt.In dit verband staat vast dat de vrouw [minderjarige] in 2021 heeft meegenomen naar India en dat op verzoek van de man een teruggeleidingsprocedure heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan de vrouw met [minderjarige] is teruggekeerd. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat het geen ontvoering met kwade intenties betrof, maar een juridisch geschil over een toestemmingsverklaring, maar dit heeft de man gemotiveerd weersproken en zij heeft daarvan geen stukken in het geding gebracht. Vervolgens heeft de vrouw in 2023 een verzoek vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar India gedaan, hetgeen is afgewezen. Het voortduren van de angst van de man komt volgens de rechtbank voort uit de slechte verstandhouding tussen de ouders en daarmee samenhangend het wantrouwen dat de man jegens de vrouw heeft. Daaraan heeft in belangrijke mate bijgedragen dat is gebleken dat de vrouw op enig moment een paspoort voor [minderjarige] heeft verkregen zonder de toestemming van de man, hetgeen zij vervolgens op zijn minst enige tijd voor de man heeft verzwegen. Hoewel de vrouw op zitting heeft verteld over het door haar verkregen paspoort en partijen daarover afspraken hebben gemaakt, is het gelet op de geschetste voorgeschiedenis begrijpelijk dat dit incident het wantrouwen van de man verder heeft gevoed. Daarnaast heeft het voortduren van de angst van de man er mee te maken dat de vrouw in het kort geding in november 2025 heeft aangegeven dat zij bereid was de in India lopende strafrechtelijke procedure tegen de man in te trekken, maar dat zij dat niet heeft gedaan. Daarbij komt tot slot zijn angst dat de vrouw in India de echtscheidingsprocedure zal hervatten en nevenverzoeken zal doen die maken dat [minderjarige] in India dient te blijven. Dat dit mogelijk is, heeft de vrouw niet weersproken. Zij heeft weliswaar voorstellen gedaan om de echtscheiding tot stand te brengen, maar ook hiervoor geldt dat zij nog geen actie heeft ondernomen ter uitvoering daarvan. Al het voorgaande maakt volgens de rechtbank de door de man beschreven vrees dat de vrouw niet met [minderjarige] uit India zal terugkeren op dit moment voldoende reëel.
De rechtbank hecht eraan te vermelden dat zij ziet dat de vrouw verschillende voorstellen doet om aan die vrees van de man tegemoet te komen en dat de vrouw ter weerlegging van de gestelde kwade intenties heeft aangevoerd dat zij vanuit een eerdere vakantie naar de VS ook naar India had kunnen doorreizen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Dit maakt echter, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, het oordeel van de rechtbank op dit moment niet anders.
Verder neemt de rechtbank uitdrukkelijk het volgende in aanmerking. Partijen hebben ter zitting afgesproken om zich in het kader van het UHA in te zetten om hun onderlinge communicatie en samenwerking te verbeteren. Dit acht de rechtbank nadrukkelijk in het belang van [minderjarige]. Het geven van vervangende toestemming zou naar verwachting op dit moment op dat traject een negatieve impact hebben, hetgeen in strijd met de belangen van [minderjarige] moet worden geacht.
De rechtbank verwacht van partijen dat zij in het kader van het UHA traject ook zullen werken aan en vooruitgang kunnen boeken op het vlak van hun onderlinge vertrouwen. Dat is ook nodig, want de wens van de vrouw om na een aantal jaar eindelijk weer op familiebezoek te kunnen gaan in haar geboorteland en daarbij [minderjarige] mee te nemen, is alleszins invoelbaar en gelet op de achtergrond van de vrouw een legitiem belang om na te streven. Het onderhouden van een band met de directe familie van de vrouw en daarmee met de directe familie van [minderjarige] en het kennismaken met het betreffende land en het opbouwen van een band met dat land en de cultuur hoort bij een normale ontwikkeling van een kind. Al het voorgaande in aanmerking nemende, wordt het verzoek van de vrouw op dit moment afgewezen.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
wijst af de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het gezag, vervangende toestemming voor een paspoort en vervangende toestemming voor een reis naar India;
verwijst de ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.12. en 4.13. vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Het loket zal de ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 8 december 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 4.19. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.