Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6752Zaaknummer C/02/447261 / JE RK 26-666

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/447261 / JE RK 26-666
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgang meer regie bij GI, bandbreedte

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:

bepaalt dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar:

-minimaal éénmaal per veertien dagen van vrijdag tot zaterdag 17:00 uur, zulks met inachtneming van hetgeen hierover verder onder rechtsoverweging 5.6 en 5.7.staat opgenomen;

- eenmaal per week op woensdag om 17:00 uur via videobellen, zulks met

inachtneming van hetgeen hierover verder onder rechtsoverweging 5.8. is opgenomen;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

- onder regie van de GI kan de omgangsregeling bij de vader worden gehandhaafd dan wel opgebouwd tot het niveau zoals is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 15 oktober 2024.

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/447261 / JE RK 26-666

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING te Eindhoven,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),

gevestigd te Eindhoven,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader (gedeeltelijk aanwezig);

- de moeder;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 16 oktober 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 16 juli 2025. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 14 januari 2026 met ingang van 16 januari 2026 en tot 16 januari 2027.

2.4.

De rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2024 (in de zaak met kenmerk C/02/420140 / FA RK 24-1212) bepaald dat de vader en [minderjarige], gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:

- éénmaal per veertien dagen van vrijdag en tot zondag 17:00 uur, zulks met

inachtneming van hetgeen hierover verder onder rechtsoverweging 4.7 van die

beschikking is opgenomen;

- eenmaal per week op woensdag om 18:00 uur via videobellen;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de door de kinderrechter op 15 oktober 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat de GI de regie krijgt om de omgang te wijzigen.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het verzoek. De afgelopen periode hebben zich situaties voorgedaan waarin het lastig was om de omgang conform de beschikking doorgang te laten vinden. Er ligt een omgangsregeling, maar de GI zou vanwege zorgen over bepaalde gebeurtenissen graag de ruimte hebben om te kunnen sturen hierin en daardoor meer grip krijgen op de omgangsregeling. In het verleden is er onduidelijkheid geweest over de huisvesting van de vader. De omgang vond toen eerst altijd plaats bij de partner van de vader, maar toen dat niet meer mogelijk was, was ook onduidelijk waar de omgang dan wel zou plaatsvinden. Daarin zijn situaties geweest waarin niet duidelijk was waar de vader was, maar ook niet waar [minderjarige] was. Sinds februari heeft de vader geen terugvallen meer gehad, maar er is ook een periode geweest dat de vader niet bereikbaar was en het daarbij ook onduidelijk was hoe het met hem ging. De omgang levert spanning op en dat ziet voornamelijk op de communicatie tussen de ouders. Het blijft lastig om de veiligheid van [minderjarige] daarin te waarborgen. Het is geenszins de bedoeling van de GI om de omgang voor elke klein dingetje terug te schroeven, maar als zich weer grotere gebeurtenissen voordoen geeft dat de GI wel de mogelijkheid om direct in te kunnen grijpen.

Daarnaast zou er binnen de omgangsregeling meer ruimte voor flexibiliteit mogen zijn. Als [minderjarige] bijvoorbeeld een kinderfeestje heeft op zaterdag, dan kan ze daar nu vaak niet naartoe als ze bij de vader is. Hij wil dan niet dat [minderjarige] naar het feestje gaat, omdat in de beschikking staat dat [minderjarige] van vrijdag tot zondag bij de vader is. Hij wil dan niet, in het belang van [minderjarige], afwijken van de afgesproken regeling.

Ten aanzien van het belmoment krijgt de GI terug dat videobellen op woensdag om 18:00 uur vaak te laat is voor [minderjarige]. Ze is dan moe en ligt vroeg op bed. Het is de ouders niet gelukt om tot overeenstemming te komen over een ander tijdstip. Het is nu de afspraak dat de vader kan bellen tussen 18:00 uur en 18:15 uur, en het is zijn verantwoordelijkheid dat hij binnen die tijd belt en niet pas rond half zeven, kwart voor zeven, zoals eerder wel eens is voorgekomen.

4.2.

De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de omgang met [minderjarige] goed verloopt. Het klopt dat de vader een verslaving had. Hij gebruikte alcohol en cocaïne. In februari van dit jaar is de vader in verband met een terugval opgenomen. Hij krijgt nazorg en het is de vader sindsdien gelukt om van de middelen af te blijven. De vader is altijd open geweest over deze problemen. De vader benadrukt dat hij tijdens het omgangsweekend mag bepalen waar hij verblijft met [minderjarige] en hier geen verantwoording over hoeft af te leggen. Vanaf februari van dit jaar heeft de omgang steeds plaatsgevonden in het huis van zijn partner. De vader merkt tijdens het videobelgesprek niet vaak dat [minderjarige] (te) moe is.

4.3.

De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat ze regelmatig aan [minderjarige] merkt dat ze te moe is om te bellen met de vader. [minderjarige] is bijna zeven, maar kan al goed aangeven wat ze wil en waar de hulp moet liggen. Het knelpunt tussen de ouders ligt nu in de verdeling van de vakanties. Tot op het laatste moment blijft de verdeling onduidelijk. [persoon 1], de partner van de vader, is een veiligheidspersoon voor [minderjarige]. Echter is de relatie al vijf keer gestrand en [minderjarige] wordt daarover niet goed geïnformeerd en dat geeft haar onduidelijkheid. De communicatie tussen de ouders verloopt niet vlekkeloos en er is geen sprake van een goede verstandhouding. De vader is vorige week nog uit een groepsapp gestapt die zij hadden met de hulpverlening. De moeder wil opkomen voor [minderjarige], omdat zij aangeeft dat ze last heeft van de huidige situatie. Hierin wil de moeder ook open zijn. Niet om de vader een hak te zetten, maar de moeder hoopt dat de vader zijn zaken op orde krijgt. De moeder krijgt regelmatig een stortvloed van tirades over zich heen vanuit de vader, terwijl ook de hulpverlening kan meelezen met de berichten en vervolgens wordt er niet ingegrepen. De moeder gunt [minderjarige] een vader, maar zij wil haar ook beschermen. De videobelgesprekken verlopen ook niet altijd op een fijne manier. Het is afwachten of hij ook daadwerkelijk belt. De vader zit tijdens de gesprekken soms ook in het donker met een capuchon over zijn hoofd en reageert niet altijd fijn op [persoon 2], zoals in het gesprek waarbij [minderjarige] wilde laten zien dat haar tand eruit was. [minderjarige] heeft verteld dat de partner van de vader de deur heeft ingetrapt na een discussie. Het is ook de partner van de vader die na het omgangsweekend opschrijft hoe het is gegaan dat weekend. [minderjarige] vertelde ook dat zij tijdens het omgangsweekend wordt verzorgd door de partner van de vader en dat de vader groene blikjes drinkt achter het stuur. De moeder heeft met [minderjarige] negen maanden klinisch gezeten en zij heeft alle ouderschapsgroepen gevolgd die zij kon volgen. [persoon 2] heeft daar ook veel aan gehad. Zij kan de moeder letterlijk soms stilzetten en spreekt zich dan uit over haar gevoel. [minderjarige] wil graag één nachtje bij de vader logeren. De moeder erkent zelf ook nog het nodige uit haar verleden te moeten verwerken. Zij woont beschermd en heeft soms wat moeite met het overzicht houden (van haar afspraken). Daar krijgt de moeder hulp bij. Het is jammer dat [minderjarige] bijvoorbeeld niet naar de scouting kan, omdat dat ’s zaterdags is en [persoon 2] dan om het weekend afwezig is. Dit geldt ook voor kinderfeestjes. Het is jammer dat de omgangsregeling daar geen ruimte voor biedt.

4.4.

Namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat vaststaat dat een belmoment op woensdag om 18:00 uur niet prettig is. Daarnaast worden belmomenten vaak niet nagekomen en dat leidt tot teleurstellingen bij [minderjarige]. De moeder weet dit wel altijd goed om te buigen, bijvoorbeeld door dan naar oma te bellen. De wisselwerking tussen de ouders is ingewikkeld. Gelet op de houding van de vader tijdens de zitting is voorstelbaar hoe de vader zich ook buiten de rechtbank gedraagt. De moeder doet haar uiterste best voor de gehele situatie. De moeder zou graag een betere verstandhouding krijgen met de vader.

4.5.

De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat tijdens de zitting goed merkbaar is geworden wat eigenlijk het grootste probleem is tussen de ouders. Dat is heel zorgelijk en moet ook dringend gaan verbeteren. Daar is ook hulp voor. De Raad heeft op de zitting vernomen dat [minderjarige] maar één nachtje wil logeren bij de vader, maar het is de Raad niet duidelijk op welk moment en in welke context dat is gezegd. Kinderen zeggen wel eens negatieve dingen. De Raad is benieuwd hoe [minderjarige] de contacten over het algemeen ervaart. Als de Raad nu al iets kan zeggen over de omgangsregeling, zou de Raad in elk geval minimaal één nacht logeren wenselijk vinden, maar het liefst natuurlijk een heel weekend. Mits dit voor [minderjarige] onbelast en veilig is. Als er over de vader zorgen zijn over middelengebruik, zou de omgang op dat moment zeker niet elke twee weken moeten plaatsvinden. Een test kan dan worden gedaan als daar echt aanleiding voor is. De omgang kan daarnaast wat de Raad betreft plaatsvinden waar de vader verblijft. Als dat bij de partner van de vader is, omdat hij daar zelf verblijft, dan is dat zo. Het is daarbij wel van belang dat hij de moeder informeert als de relatie met de partner over is, zodat de moeder weet dat de omgang op dat moment weer bij de vader thuis plaatsvindt. De vader dient meer inzicht te geven. Tot slot denkt de Raad dat een belmoment om 17:00 uur een optie zou kunnen zijn. Mogelijk kan vader dan na zijn werk vanuit de auto bellen. Het gaat er echt om dat [minderjarige] dan even contact kan hebben met de vader en dan niet per se op een tijdstip moet bellen dat voor haar niet prettig is, maar waar dan wel de partner van de vader bij kan zijn. Het gaat om één op één contact tussen [minderjarige] en vader. De Raad vindt dat de vader er dan ook alles aan moet doen om die afspraak na te komen met [minderjarige].

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

5.2.

De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken komt de kinderrechter tot de volgende beslissing.

5.3.

Bij beslissing van de rechtbank van 15 oktober 2024 werd bepaald dat er een omgangsregeling geldt tussen [minderjarige] en de vader, inhoudende éénmaal per veertien dagen van vrijdag tot zondag 17:00 uur, éénmaal per week op woensdag om 18:00 uur via videobellen en omgang gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De GI constateert dat de vastgestelde omgangsregeling op sommige momenten helpend is geweest voor [minderjarige], maar op andere momenten onvoldoende aansluit bij haar behoeften en ontwikkeling. Dit zag voornamelijk op de gevolgen van de knipperlichtrelatie tussen de vader en zijn partner, waar ook [minderjarige] mee zou worden belast. [minderjarige] heeft de moeder verteld over de kapotte voordeur van de vader, hetgeen zou zijn veroorzaakt tijdens of na een ruzie tussen de vader en de partner. Ook heeft [minderjarige] verteld dat de vader groene blikjes drinkt achter het stuur. In december 2025 is vader behandeld voor zijn verslaving en krijgt op dit moment nog ambulante behandeling. Sinds het ontslag uit opname in februari van dit jaar zijn er nog geen momenten geweest waarop de omgang geen doorgang kon vinden. In de periode daarvoor zijn er momenten geweest waarbij het de vader vanwege terugval niet lukte om de omgang door te laten gaan. De zorg bestaat nog steeds dat [minderjarige] in het omgangsweekend veel door de partner van de vader wordt verzorgd en het daarbij niet altijd duidelijk is waar [minderjarige] verblijft. De GI constateert tot slot dat de videobelmomenten niet (altijd) conform de beschikking doorgang vinden, omdat [minderjarige] op woensdagmiddag vaak te moe is om te bellen. Het lukt de ouders echter niet om met elkaar in overleg te gaan en tot overeenstemming te komen welk moment dan wel passend is voor [minderjarige].

5.4.

De GI heeft verzocht, gelet op de gebeurtenissen en zorgen, om te bepalen dat de volledige regie over de omgangsregeling in handen wordt gelegd van de GI. Hoewel de kinderrechter de wens daartoe begrijpt, zo kan de GI immers direct ingrijpen wanneer de situatie daar aanleiding toe geeft, is het geven van een dergelijke bevoegdheid aan de GI te onduidelijk en daarmee te onzeker voor de ouders, nu hen in een voorkomend geval onvoldoende middelen ter beschikking staan om tegen een dergelijke beslissing van de GI op te kunnen komen. De vraag is derhalve wat dan wel in het belang is van [minderjarige].

5.5.

De kinderrechter stelt vast dat tussen ouders nog steeds sprake is van een ingewikkelde verstandhouding, waarin onvoldoende wordt gecommuniceerd en samengewerkt in het belang van [minderjarige]. Het komt daarom ook voor dat [minderjarige], tijdens een weekend bij de vader, voor haar belangrijke feestjes of voorstellingen niet kan bezoeken en hierover geen overleg mogelijk is. Daarbij komt dat op dit moment onvoldoende zicht is op de (thuis)situatie van de vader. De signalen daarover vanuit de GI, de moeder en de uitspraken die [minderjarige] daarover doet, vindt de kinderrechter echter zorgelijk. Tijdens de zitting heeft de vader de zittingszaal, kort na aanvang, boos verlaten. Ook dit geeft zorg over de emoties en toestand van de vader. Alles overwegend vindt de kinderrechter het daarom noodzakelijk dat er zicht komt op de vader, zijn (thuis)situatie en de manier waarop hij invulling geeft aan het weekend waarin hij de zorg heeft over [minderjarige].

5.6.

Gelet op de zorgen vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de omgang kan worden beperkt, naar minimaal één nacht per veertien dagen, ook conform de wens van [minderjarige]. Zodoende kan meer zicht komen op de omgang, meer zicht gehouden worden op [minderjarige] en ook eerder worden gehandeld als na de omgang zorgelijke signalen komen. Immers bestaat op dit moment weinig zicht op de invulling van de weekenden bij en door de vader. Van belang is dat de komende periode duidelijk wordt of de vader de omgang kan invullen op een voor [minderjarige] prettige, veilige en rustige manier. De kinderrechter is verder van oordeel dat het niet in het belang is van [minderjarige] – en ook niet wenselijk – dat zij tijdens de omgang voornamelijk wordt verzorgd door de partner van de vader, maar juist dat de vader zelf probeert om de omgang met [minderjarige] op een prettige en zinvolle manier in te vullen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het op de weg ligt van de GI om, indien daartoe aanleiding bestaat, voorafgaand aan het omgangsmoment een test af te nemen bij de vader om middelengebruik uit te kunnen sluiten. Indien de vader middelen heeft gebruikt, kan de omgang naar het oordeel van de kinderrechter in elk geval dat weekend geen doorgang vinden. Voor de komende tijd acht de kinderrechter het ook van belang dat, in het kader van het verkrijgen van meer zicht op de gebeurtenissen en de belevingswereld van [minderjarige] in dat verband, de GI onderzoek doet naar de mogelijkheden om een kindbehartiger in te zetten voor [minderjarige]. De GI dient oog te houden voor de mogelijkheid om het omgangsweekend van [minderjarige] bij de vader weer op te bouwen tot dan wel te handhaven op het niveau zoals is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 15 oktober 2024. De regie daarover legt de kinderrechter in handen van de GI.

5.7.

De kinderrechter benadrukt dat het voor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige], maar ook voor het vertrouwen van de moeder van belang is dat zij voorafgaand aan de omgang weten waar de omgang zal plaatsvinden. Zodoende kan [minderjarige] zich daarop voorbereiden en komt er daardoor ook meer zicht op de invulling van de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Het ligt daarbij op de weg van de vader om de GI daarover steeds te informeren.

5.8.

Ten aanzien van het belmoment van de vader en [minderjarige] op woensdagmiddag overweegt de kinderrechter als volgt. Afgesproken is dat de vader [minderjarige] op woensdagmiddag om 18:00 uur spreekt via een videobelverbinding. Gebleken is dat [minderjarige] om 18:00 uur vaak te moe is en de moeder heeft daarnaast zorgen geuit over de wijze waarop de vader het videobelmoment invult. Het lukt de ouders niet, ook niet door tussenkomst van de GI, om samen tot een ander geschikt moment te komen. De kinderrechter wil daarom voorstellen – en zij zal dit ook als zodanig bepalen – om het belmoment te vervroegen met één uur, te weten om 17:00 uur op woensdagmiddag. Dit in de hoop dat [minderjarige] dan minder moe is en het gesprek daardoor beter verloopt. Van de vader verwacht de kinderrechter dat hij op dit belmoment beschikbaar is voor zijn dochter.

5.9.

De kinderrechter zal het verzoek voor het overige afwijzen. Dit betekent dat het vooralsnog de bedoeling is dat [minderjarige] gedurende de helft van de vakanties naar de vader toe gaat. In verband met de verdeling van de weken van de zomervakantie verdient het de voorkeur dat de ouders hier op korte termijn afspraken over maken. Dit geeft een ieder de nodige duidelijkheid. Om in de toekomst problemen omtrent de verdeling te voorkomen, geeft de kinderrechter de GI en de ouders mee om dit bespreekbaar te maken bij de hulpverlener van de Gezinsmanager. Mogelijk kunnen de ouders met ondersteuning van de hulpverlening alvast afspraken maken op welk moment in het jaar de (verdeling van de) vakanties worden vastgesteld.

5.10.

De kinderrechter overweegt tot slot dat het van belang is dat de ouders zich inspannen om hun onderlinge verstandhouding en vertrouwen te verbeteren. Niet alleen is dit belangrijk voor [minderjarige], zij wordt immers nog altijd blootgesteld aan de daaruit voortvloeiende spanningen, maar is het voor [minderjarige] ook prettig dat de ouders met elkaar in overleg kunnen en samen tot afspraken kunnen komen. Een voorbeeld hiervan is het in overleg kunnen afwijken van de regeling op het moment dat [minderjarige] tijdens een omgang bij de vader bij de moeder of haar omgeving een (belangrijke) gebeurtenis (niet zijnde een wekelijks terugkerend sportmoment of hobby) wil bijwonen, zoals een voorstelling of een voor haar belangrijk kinderfeestje. Dit geldt, indien aan de orde, ook omgekeerd. De GI mag hier sturing aan geven.

5.11.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.12.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:

bepaalt dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar:

-minimaal éénmaal per veertien dagen van vrijdag tot zaterdag 17:00 uur, zulks met inachtneming van hetgeen hierover verder onder rechtsoverweging 5.6 en 5.7.staat opgenomen;

- eenmaal per week op woensdag om 17:00 uur via videobellen, zulks met

inachtneming van hetgeen hierover verder onder rechtsoverweging 5.8. is opgenomen;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

- onder regie van de GI kan de omgangsregeling bij de vader worden gehandhaafd dan wel opgebouwd tot het niveau zoals is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 15 oktober 2024.

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.