Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6590Zaaknummer C/02/447978 / FA RK 26/2384
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447978 / FA RK 26/2384
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
MK. Het deskundigenrapport voldoet niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Afwijzing verzoek wijziging gezag. Wijziging zorgregeling naar begeleide omgang onder regie van de GI.
De rechtbank:
wijzigt de beslissing van de rechtbank van 3 april 2026 (in de zaak met kenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) en bepaalt dat [minderjarige] en de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding, minimaal eenmaal per maand één uur;
bepaalt dat de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de man zal liggen bij de GI en dat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de vader en [minderjarige] tot de hiervoor genoemde minimumregeling van minimaal eenmaal per maand één uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Van Triest, mr. Felix en mr. Vos, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/447978 / FA RK 26-2384
datum uitspraak: 18 juni 2026
beschikking van de meervoudige kamer betreffende omgang en gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. D.J.D. Kentie te Breda,
tegen
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. N. van Vliet te Breda,
Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 5 mei 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F-formulier met bijlage van mr. Kentie van 12 mei 2026;
- het op 13 mei 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de door mr. Kentie op 18 en op 20 mei 2026 overgelegde geboorteakte van [minderjarige].
De verzoeken zijn met gesloten deuren mondeling behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank op de zitting van 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI. Daarnaast was aanwezig de deskundige mevrouw mr. drs. M. Vlaming. De zaak is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling (zaakkenmerken C/02/435435 / JE RK 25-886 en C/02/446741 / JE RK 26-584) en tot wijziging van de zorgregeling (zaakkenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403). In die zaken zijn afzonderlijke beslissingen genomen.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 19 mei 2026 gesproken met de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer.
2 De feiten
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is het nu nog minderjarig kind geboren: [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. Het hoofdverblijf van [minderjarige] is bij de vrouw vastgesteld.
Bij beschikking van 16 mei 2023 van deze rechtbank heeft de kinderrechter de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
- in de even weken verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot donderdag naar school bij de
man;
- voor de rest van de even weken en in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij de vrouw.
Daarnaast is een vakantie- en feestdagenverdeling opgenomen.
Sinds 25 februari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Die maatregel is
sindsdien steeds verlengd. Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de
kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 mei 2026 en is de
behandeling van het resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling
aangehouden in afwachting van de resultaten van het na te noemen deskundigenonderzoek.
Bij beschikking van 5 september 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter [deskundige] verzocht onderzoek te verrichten en de in de beschikking opgenomen vragen te beantwoorden.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026 (in de zaak met kenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de man tijdelijk het recht om omgang met [minderjarige] ontzegd en bepaald dat de zaak zal worden voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer op 21 mei 2026.
Bij mondelinge beslissing van de meervoudige kamer van de rechtbank van 21 mei 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 25 mei 2026 tot 25 mei 2027 (in de zaak met kenmerk C/02/446741 / JE RK 26-584).
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vrouw belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en het gezag van de man zodoende te beëindigen;
II. te bepalen dat de huidige zorgregeling vervalt en te bepalen dat er een contact-c.q. omgangsregeling tot stand wordt gebracht tussen [minderjarige] en de man onder terzake deskundige begeleiding.
De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw onder I en II af te wijzen, subsidiair het verzoek onder I aan te houden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man, in zoverre onder wijziging van de beschikking van de kinderrechter van 3 april 2026, dat de man en [minderjarige] recht hebben op (begeleid) contact met elkaar onder regie van de GI, waarbij het (begeleid) contact zal worden gemonitord, geëvalueerd en nader geconcretiseerd.
4 De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige kinderen toekomt. Op grond van artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van deze bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarige kinderen aan één ouder toekomt als er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of als de wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank op verzoek een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De standpunten
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken verwezen naar de rapportage van de door de rechtbank bij beschikking van 5 september 2025 door de rechtbank benoemde [deskundige]. In het deskundigenrapport is, kort samengevat, door de deskundige geconcludeerd dat sprake is van de uitoefening van dwang en controle door de man over de vrouw en [minderjarige] (en zijn meerderjarige zus [persoon] ). De deskundige heeft geconcludeerd dat het beëindigen van het gezamenlijke gezag tussen de ouders en de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vrouw de enige mogelijkheid is om een einde te maken aan de problemen in de communicatie en de samenwerking tussen de ouders. Daarnaast heeft zij aangegeven dat het dwingende en controlerende gedrag van de man tegen de vrouw en [minderjarige] een contra-indicatie is voor de co-ouderschapsregeling. Volgens de deskundige toont de man als opvoeder onvoorspelbaar en onbetrouwbaar gedrag en is zijn gedrag schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige]. De huidige opvoedsituatie bij de man wordt door de deskundige als onveilig beoordeeld. Zij vindt dat het contact tussen de man en [minderjarige] niet kan worden opgestart voordat er door de GI deskundige experts zijn ingezet om de vrouw en [minderjarige] te begeleiden en er een veiligheidsplan is gemaakt. Voor de vrouw en [minderjarige] adviseert de deskundige de inzet van GGZ-zorg met specialistische kennis (psychotherapeut of klinisch psycholoog). De deskundige adviseert daarnaast hooggespecialiseerde GGZ-zorg door een BIG geregistreerde psychotherapeut voor de man. Echter, omdat de man het beschreven gedrag niet herkend, is er volgens de deskundige bij hem niet de intrinsieke behoefte om zijn gedrag te veranderen, hetgeen een essentiële voorwaarde is om deze therapie te doen slagen.
De man heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het deskundigenrapport niet op de vereiste zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies in het rapport onvoldoende consistent en deugdelijk zijn gemotiveerd. Volgens de man kan het deskundigenrapport daarom niet dienen als grondslag voor de verzoeken van de vrouw tot wijziging van het gezag en de zorgregeling.
De rechtbank is van oordeel dat de totstandkoming van het rapport niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld kunnen worden. Dit heeft de rechtbank uitgebreid beschreven en gemotiveerd in de beschikking van 21 mei 2026 die ziet op de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (zaaknummers C/02/435435 / JE RK 25/ 886 en C/02/446741 / JE RK 26/-584). De methodologische gebreken van het rapport maken dat het rapport niet gebruikt kan worden ter onderbouwing van enige beslissing van de rechtbank. Aangezien de vrouw haar verzoeken enkel en alleen heeft gestoeld op de inhoud van het deskundigenrapport en zij zelf geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoeken, dient dit te leiden tot afwijzing van beide verzoeken van de vrouw.
De man en [minderjarige] hebben sinds 10 maart 2026 geen enkel contact meer met elkaar gehad. De man wil graag weer contact met zijn zoon. De GI heeft verzocht om het contact tijdelijk stop te zetten omdat [minderjarige] bang zou zijn voor de reactie van de man op hetgeen [minderjarige] aan de deskundige zou hebben verteld. Tijdens het kindgesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] dit niet zo benoemd, maar wel verteld over de boosheid van de man. Hij is daarom blij dat de contactregeling veranderd is. Hij staat wel open voor herstel van het contact. De rechtbank stelt vast dat zowel de man als de vrouw achter contactherstel onder professionele begeleiding en onder de regie van de GI staat. De Raad adviseert dit ook. De GI is bereid regie te voeren over het contactherstel tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] heeft in zijn kindgesprek met de kinderrechter verteld dat hij eerst begeleid contact wil met zijn vader, bijvoorbeeld eenmaal per maand. De GI zal een professionele zorgaanbieder (met specialistische kennis) in gaan zetten voor begeleiding van het contact tussen [minderjarige] en de man, waarbij daarnaast gekeken kan worden naar traumabegeleiding voor [minderjarige].
De rechtbank zal daarom, onder wijziging van de beslissing van 3 april 2026, bepalen dat [minderjarige] en de man gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder professionele begeleiding en zal daarbij een minimumfrequentie bepalen van eenmaal per maand één uur. Daarnaast zal de rechtbank de regie over het contact tussen [minderjarige] en de man neerleggen bij de GI, zodat de GI kan beslissen tot verdere uitbreiding van het contact in frequentie, duur en mate van begeleiding, dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de vader en [minderjarige] tot de hiervoor genoemde minimumfrequentie van eenmaal per maand één uur. De rechtbank merkt daarbij op dat voormelde minimumregeling pas uitvoerbaar is als er een professionele zorgaanbieder beschikbaar is voor begeleiding van de contactmomenten en verzoekt de GI de nodige stappen hiervoor voortvarend te zetten.
Aangezien de regie over de contactregeling wordt belegd bij de GI, zal de rechtbank de GI als belanghebbende aanmerken.
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarige is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beslissing van de rechtbank van 3 april 2026 (in de zaak met kenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) en bepaalt dat [minderjarige] en de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding, minimaal eenmaal per maand één uur;
bepaalt dat de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de man zal liggen bij de GI en dat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de vader en [minderjarige] tot de hiervoor genoemde minimumregeling van minimaal eenmaal per maand één uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Van Triest, mr. Felix en mr. Vos, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.