Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6581Zaaknummer C/02/445968 / JE RK 26-424
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/445968 / JE RK 26-424
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanhouden verzoek wijziging zorg- en opvoedtaken
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt iedere beslissing op het verzoek aan tot de pro forma datum van 26 juni 2026, voor opgave van verhinderdata door de advocaat van de moeder, de advocaat van de vader en de GI;
verzoekt de griffier van deze rechtbank om na ontvangst van de verhinderdata een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Voor deze zitting zal ook de Raad voor de Kinderbescherming worden uitgenodigd.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van Casant als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445968 / JE RK 26-424
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING GELDERLAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Tiel,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. R.R. Wijnakker uit Arnhem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. Z. Gademan uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- mr. Wijnakker, namens de moeder.
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een brief geschreven waarin zij hun mening over het verzoek kenbaar hebben gemaakt. Ook hebben zij op 12 mei 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft tijdens de zitting samengevat wat de minderjarigen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun vader.
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 november 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 november 2024 en tot 13 november 2025.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 11 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd, met ingang van 13 november 2025 en tot 13 november 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 december 2025 is de beslissing op het verzoek van de GI tot vervanging van de gecertificeerde instelling aangehouden tot 17 juni 2026 pro forma.
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2025 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en als volgt bepaalt:
- er vindt zo snel mogelijk om de week begeleid contact plaats tussen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de moeder op woensdagmiddag gedurende twee uur, waarbij de eerste twee contactmomenten een uur zullen duren (van 14.30 tot 15.30 uur) en zullen plaatsvinden op het kantoor van de GI in Tiel. Na deze eerste twee keren zal het begeleid contact gaan plaatsvinden bij de moeder thuis;
- er wordt zo snel mogelijk toegewerkt naar om de week begeleid contact op zaterdag tussen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de moeder gedurende twee uur bij de moeder thuis, waarbij de regie van verdere opbouw van het contact bij de GI wordt belegd, die de duur, aard, plaats en frequentie van het contact bepaalt.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de rechtbank op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de door de kinderrechter op 17 juli 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in de zin dat de fysieke en telefonische contactmomenten tussen de moeder en de minderjarigen tijdelijk worden opgeschort.
Daarnaast verzoekt de GI te bepalen dat:
- hervatting van begeleide omgang plaatsvindt wanneer de minderjarigen hier aan toe zijn, onder regie van de GI, startend op een neutrale locatie te [locatie];
- de ouders deelnemen aan het traject Parallel Solo Ouderschap;
- de moeder meewerkt aan ambulante verslavingsgerichte begeleiding en hierover inzicht verschaft aan de GI;
- voor de minderjarigen passende hulpverlening wordt ingezet (gespecialiseerde hulpverlening/behandeling bij GGZ WNB);
- de vader gehouden is de moeder eenmaal per maand schriftelijk te informeren over het welbevinden van de minderjarigen binnen de relevante leefgebieden, vergezeld van recente foto’s en/of korte filmpjes;
De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder heeft, als wijze van zelfstandig verzoek, verzocht om een bijzondere curator, dan wel deskundige te benoemen.
4 De standpunten
[minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek een brief voorgelezen. Zij vertelt dat haar ouders bezig zijn om therapie voor haar te zoeken. Zij bedoelt met haar ouders haar vader en stiefmoeder. [minderjarige 2] noemt haar biologische moeder [voornaam 1] en haar stiefmoeder mama. Het contact met de moeder werkte niet voor [minderjarige 2], omdat de moeder dan ging ‘happen’. Dat is een woord dat mama ( [voornaam 2]) gebruikt en waarmee ze bedoelt dat de moeder dan niet op een leuke manier reageert. [minderjarige 2] is een tijd geleden voor het laatst in [woonplaats 1] geweest. Ze belden daarna alleen nog, maar haar moeder liet haar soms niet uitpraten en werd dan boos. [minderjarige 2] zegt dat ze niet meer willen bellen met haar moeder. De ballon die haar moeder op haar verjaardag had gestuurd, hebben ze weggegooid. De vader is bang dat de moeder iets bij haar en haar broertje doet. Ze weet niet of de vader het goed vindt als ze contact met de moeder heeft, omdat het nu niet makkelijk is om te doen en dat vindt [minderjarige 2] zelf ook wel. [minderjarige 2] wil geen contact met de moeder.
[minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek een brief voorgelezen. Hij vertelt dat hij [voornaam 2] mama noemt. [de moeder], zijn biologische moeder, gebruikte drugs en alcohol. [minderjarige 1] heeft dat gehoord van zijn vader. Vanaf december heeft hij zijn moeder niet meer gezien. Toen hij nog naar zijn moeder ging, was het daar wel leuk. [minderjarige 1] weet het niet meer precies, wel dat hij dan buiten ging basketballen. [minderjarige 1] wil niet meer bellen met zijn moeder, want zijn vader en [voornaam 2] zeggen dat hij en zijn zusje na het bellen altijd heel erg druk zijn. Hij vindt het wel rustig nu er geen contact meer is met zijn moeder.
De GI handhaaft het verzoek. De situatie zit vast. Als het betrekken van een bijzondere curator helpend is om de contacten te herstellen, staat de GI daar positief tegenover. Daarnaast kan dan duidelijk worden wat de oorzaak is van de ontstane situatie en zoeken hoe het contact weer kan worden opgestart. De GI heeft verzocht om de contacten tussen de moeder en de minderjarigen op te schorten zodat de minderjarigen de rust en ruimte krijgen om aan zichzelf te werken en te verwerken wat er is gebeurd. Na het stagneren van de omgang is met de ouders gezocht naar mogelijkheden om de omgang weer op gang te krijgen, waarbij ook is gekeken of de omgang dan mogelijk in [locatie] kon plaatsvinden. De moeder wilde niet naar [locatie] rijden omdat de woensdagmiddag voor de kinderen lastig is. Daarbij voelde de GI zich gehouden aan de inhoud van de beschikking. Omdat er geen contact was en het belangrijk is voor de moeder om te weten hoe het met de minderjarigen gaat, is verzocht om een informatieregeling te bepalen. Er kan gestart worden met het traject Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) zodra de gemeente hiervoor akkoord geeft.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij de moeder één keer per maand per mail een update stuurt over de minderjarigen, waarbij hij ook foto’s toevoegt. De hele situatie is al lang aan de gang. Steeds opnieuw moet hij het verhaal vertellen. Het is belangrijk dat de hulpverlening voor [minderjarige 2] zo snel mogelijk wordt opgestart. De vader is bereid om zijn medewerking te verlenen aan het traject PSO. De moeder kent steeds terugvallen, maar krijgt iedere keer kansen om het weer goed te doen. Dat vraagt ook van hem dat hij de minderjarigen moet blijven motiveren om de (bel)afspraken door te laten gaan, anders krijgt hij daarover weer het verwijt. De minderjarigen hebben er zelf voor gekozen om zijn nieuwe partner ‘mama’ te noemen, wat hij er ook van zegt. De vader stemt in met het verzoek om een deskundige te benoemen, dan wel een bijzondere curator. Het is goed dat de minderjarigen contact hebben met de moeder, maar hij benadrukt dat er al zoveel mensen hebben meegekeken met de situatie die daarbij allemaal ideeën hadden wat de ouders moesten doen. Toch zit de vader hier weer.
Namens de vader is door de advocaat tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader staat achter het verzoek van de GI. Het is op dit moment erg lastig om de omgang tussen de minderjarigen en de moeder op gang te krijgen. Er lijkt een blokkade te zitten bij de minderjarigen waardoor ze niet willen. Al die jaren is er geen hulpverlening voor de minderjarigen geweest, die met hen kon praten of kon helpen het verleden een plek te geven. De vader heeft er nu zelf werk van gemaakt. De intake van de hulpverlening voor [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden. Het was daarbij de bedoeling om ook een intakegesprek met de moeder te plannen, maar dit moest uitgesteld worden en ook op de nieuwe datum kon de moeder niet. De vader ziet al gebeuren dat de intake uiteindelijk niet voor de zomervakantie kan plaatsvinden. Het zou voor [minderjarige 2] fijn zijn geweest als er voordat zij zou starten op de middelbare school al een aantal gesprekken had plaatsgevonden. De GGZ, die nu betrokken is bij [minderjarige 2], wil – anders dan de advocaat van de moeder betoogt – niet verder zolang zij de moeder niet gesproken heeft. Het liefst zou in deze zaak door de kinderrechter moeten worden vastgelegd dat de hulpverlening voor [minderjarige 2] door moet gaan. Ook voor [minderjarige 1] zijn inmiddels de vragenlijsten binnen en de verwachting is dat een intake zal worden gepland bij [accommodatie], zodat er een neutraal persoon komt waarmee hij kan praten. Vader wil zijn medewerking verlenen aan het traject PSO, maar de bal ligt nu echter niet meer bij hem. Al eind 2024 kwam het bericht dat er problemen waren rondom de financiering vanuit de gemeente. De vader vindt het belangrijk dat er zicht komt op de situatie van de moeder, omdat voor hem de reden van heropname van de moeder niet duidelijk is. Dit raakt wel de veiligheid van de contacten die de minderjarigen hebben met de moeder. Ten aanzien van de door de moeder verzochte informatieregeling wordt namens de vader opgemerkt dat er in twee weken tijd niet zo veel gebeurt dat hij daarover allerlei informatie kan verstrekken aan de moeder. De moeder eens per maand informeren is daarom meer passend. Daarbij komt dat de moeder ook de beschikking heeft over de school-apps. Opgemerkt wordt dat de moeder haar eigen aandeel in de ontstane situatie niet goed ziet en zij haar middelengebruik en het effect op de minderjarigen daarvan bagatelliseert. Dit hebben de minderjarigen nog geen plek gegeven. De vader wil niet over vijf tot 10 jaar het verwijt krijgen dat hij de minderjarigen heeft weggehouden bij de moeder, hij is niet tegen de omgang. Echter is wel noodzakelijk dat de minderjarigen hulpverlening krijgen voordat kan worden beoordeeld of zij ruimte hebben voor contactherstel. De vader is niet tegen een onderzoek door een deskundige of bijzondere curator, maar de minderjarigen zijn al belast en hebben al met vele mensen gepraat. En daarbij komt dat hun stem al wordt gewaarborgd, namelijk door de GI. Er is nu een nieuwe jeugdbeschermer betrokken en als ze dan ook nog met een bijzondere curator moeten gaan praten, dan worden ze overvraagd. Eerst moet het GGZ-traject een kans krijgen. Primair wordt dan ook verzocht om het verzoek dat ziet op het betrekken van een bijzondere curator of het gelasten van onderzoek door een deskundige af te wijzen. Subsidiair zou hooguit een bijzondere curator betrokken kunnen worden in de hoedanigheid van een orthopedagoog of kinderpsycholoog.
Namens de moeder is een verweerschrift ingediend. In aanvulling daarop wordt tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Duidelijk moet worden of in deze kwestie sprake is van ouderverstoting of -onthechting. De vraag om onderzoek te doen naar de minderjarigen is binnen de GI kennelijk besproken met een gedragswetenschapper en uiteindelijk is er toch voor gekozen om verder te gaan met de zoektocht naar begeleide omgang, hoewel dat ook de opdracht was die de GI vanuit de beschikking had gekregen. Nu wil de GI overal mee stoppen. Uit niets blijkt dat door de GI in deze situatie serieus is gekeken naar ouderverstoting. Juist als sprake is van ouderverstoting moet de werkwijze op specifieke wijze aangepakt worden. Dat is ook toegelicht aan de GI. De vader verwijt de moeder van alles en is al jaren bezig om de minderjarigen weg te houden bij de moeder. Dat is van grote invloed geweest op de huidige situatie, daar is de moeder van overtuigd. De moeder wil haar medewerking verlenen aan het traject PSO en wil dit al jaren, echter kon dit niet meer worden voortgezet in verband met het ontbreken van financieringsmogelijkheid vanuit de gemeente. De moeder verzet zich niet tegen het deel van het verzoek van de GI dat ziet op het traject PSO, voor zover de GI dat al kan verzoeken aan de kinderrechter. De moeder heeft in april vorig jaar een succesvolle behandeling ondergaan. Ten aanzien van het verstrekken van informatie kan niet zomaar over de privacy van de moeder heengestapt worden. De moeder is daarnaast bereid om mee te werken aan de voor de minderjarigen noodzakelijke hulpverlening, dit heeft zij in het verleden ook gedaan. Ten aanzien van het traject van [minderjarige 2] heeft de moeder van tevoren aangegeven dat zij niet op de afspraak van de intake kon zijn in verband met haar opname. De moeder betreurt dan ook dat zij wordt weggezet als niet meewerkende ouder. De huidige informatieregeling is zeer beperkt. Alleen het eerste bericht werd door vader zelf geschreven en nu wordt er inmiddels door de nieuwe partner van de vader gecommuniceerd. De aard en toon van die communicatie is niet prettig. Zo ontving de moeder naar aanleiding van een door haar verzonden verjaardagscadeau de reactie ‘cadeau is ontvangen en is weggegooid’. De moeder zou graag deugdelijk en dan tweewekelijks geïnformeerd willen worden over de minderjarigen. De insteek van het betrekken van een bijzondere curator is niet zozeer de stem van de minderjarigen naar voren te brengen, maar zodat goed onderzocht kan worden welk omgangsprobleem hier speelt.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De minderjarigen hebben tijdens de kindgesprekken met de kinderrechter dingen naar voren gebracht die zorgelijk zijn. Duidelijk is dat zij enorm klem zitten tussen de ouders. Kinderen hebben recht op onbelast contact met beide ouders en het is ook schadelijk voor kinderen als zij worden geconfronteerd met contactverlies. Hierin ligt ook een verantwoordelijkheid van de ouders. De ouders hebben verschillende visies over de gebeurtenissen en dat merken de minderjarigen ook. Zij merken de strijd en ontwikkelen daardoor loyaliteitsproblemen. De Raad durft wel te stellen dat hier in deze situatie ook sprake van is. Gevolg is dat kinderen dan kiezen voor de ouder waar zij wonen, in dit geval de vader. Dat doen zij om minder stress en spanningen te ervaren. Geconcentreerd moet worden op het geven van emotionele toestemming door de vader aan de minderjarigen om contact te kunnen hebben met de moeder. Daarnaast vindt de Raad het noodzakelijk dat de ouders het traject PSO aangaan. Daarnaast moet aandacht komen voor het middelengebruik van de moeder en het effect daarvan op de minderjarigen, mogelijk moet zij daarin ontschuldigd worden en kan dit middels psycho-educatie worden gerealiseerd. Mogelijk hebben de minderjarigen daarvoor ook excuses nodig vanuit de moeder. Het is niet in het belang van de minderjarigen om hen te dwingen in het contact of uit de auto te trekken om naar de moeder toe te gaan, maar het moet op een andere manier. Daarin is het noodzakelijk dat de ouders hun verantwoordelijkheid nemen en daarvoor is het goed dat de ouders hulpverlening krijgen. De minderjarigen hebben meer rust nodig in dat proces, maar de Raad wil niet zover gaan om de zorgregeling op te schorten. Dat is uiteindelijk niet in het belang van de minderjarigen. De Raad kan zich voorstellen dat in deze situatie een bijzondere curator wordt betrokken.
5 De beoordeling
Gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken constateert de kinderrechter allereerst dat sprake is van een complexe situatie. De vader en de moeder zijn al jaren verwikkeld in een strijd over de kinderen. Hierover zijn al vele rechtszaken gevoerd. Bij beschikking van de rechtbank van 17 juli 2025 werd (onder meer) overwogen dat het van belang is dat de minderjarigen weer contact kregen met de moeder en dat daaraan door beide ouders gewerkt zou worden. De begeleide omgang werd opgestart en deze leek aanvankelijk ook positief te verlopen. [minderjarige 1] gaf in die periode ook aan dat hij liever méér contact met de moeder zou willen, dan de destijds afgesproken twee uur. Echter in november en december van 2025 wilden de minderjarigen niet meer uit de auto komen bij aankomst in [woonplaats 1], waar het contact zou plaatsvinden. De omgang is daarna feitelijk gestagneerd. De minderjarigen blijven ook tijdens het kindgesprek op 12 mei 2026 bij hun standpunt dat zij geen contact meer willen met de moeder. De telefonische contactmomenten verlopen eveneens moeizaam en zijn inmiddels gestopt.
De kinderrechter stelt vast dat het de vader, maar ook zijn partner, op dit moment onvoldoende lukt om de minderjarigen emotionele toestemming te geven voor het contact met de moeder. Ook het vertrouwen van de moeder in de vader is beschadigd, waardoor het ook de moeder onvoldoende lukt om de minderjarigen de ruimte te geven om zich vrij te ontwikkelen in de thuissituatie bij de vader en het hoofdverblijf van hen aldaar te aanvaarden zonder strijd. Hoewel de GI in de stukken benoemt dat de vertrouwensbreuk tussen de ouders – waarbij het de vader onvoldoende lukt om de minderjarigen de ruimte te geven voor het contact met de moeder – er niet toe mag leiden dat de minderjarigen, bewust of onbewust, in een positie komen waarin zij de loyaliteit van de vader moeten bevestigen door afstand te nemen van de moeder, kan de kinderrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat in deze al sprake is van een dergelijke situatie. De kinderrechter vindt dit zeer zorgelijk.
Door de GI is (onder meer) verzocht om de fysieke- en telefonische contacten tussen de minderjarigen en de moeder tijdelijk op te schorten en te bepalen dat de hervatting van de begeleide omgang plaatsvindt wanneer de minderjarigen hier aan toe zijn en deze omgang, onder regie van de GI, te laten starten op een neutrale locatie in [locatie].
De advocaat van de moeder heeft bepleit dat wordt getwijfeld of deze aanpak in deze situatie het beste is, nu ten aanzien van de minderjarigen – aldus de advocaat van de moeder – mogelijk sprake is van ouderverstoting, dan wel een blokkade die omgang met de moeder in de weg staat. Tijdens de zitting is door betrokkenen ingestemd met het betrekken van een bijzondere curator voor de minderjarigen, zodat de minderjarigen een vertrouwenspersoon toegewezen krijgen en onderzocht kan worden welk omgangsprobleem hier speelt. De voorkeur ging hierbij uit naar een bijzondere curator met orthopedagogische achtergrond.
De kinderrechter heeft het onderzoek vervolgens gesloten en toegezegd uitspraak te doen, waarbij werd gestreefd naar een uitspraakdatum over twee weken na de zitting. De griffier van deze rechtbank heeft vervolgens getracht om contact op te nemen met drs. [persoon], bijzondere curator met orthopedagogische achtergrond. Dit contact kon uiteindelijk op 15 juni 2026 worden gelegd. Daarbij is een korte uiteenzetting van de problematiek gegeven en zijn de vragen benoemd die in deze zaak spelen. De voornaamste vragen zien erop of sprake is van een loyaliteitsconflict/ouderverstoting en welke feiten en/of omstandigheden daaraan ten grondslag liggen, of er draagvlak bestaat voor het hervatten van het contact met de moeder en wat er mogelijk ingezet kan worden om dit draagvlak dan wel te creëren, of en zo ja, op welke termijn er wel mogelijkheden zouden zijn voor het hervatten van het contact, welke hulpverlening de minderjarigen maar ook de vader en de moeder en de partner van de vader hier mogelijk bij nodig hebben. Drs. [persoon] gaf aan dat zij bereid is om de zaak aan te nemen en hiervoor ook vrij te staan, echter – gelet op de aard en omvang van de vraagstelling – en de beperkte uren die haar vanuit de benoeming tot bijzondere curator ter beschikking staan, kan zij deze zaak met deze vraagstellingen niet als bijzondere curator aannemen, maar wel door benoeming als deskundige. De kinderrechter heeft daarbij overwogen om een andere bijzondere curator te benaderen, maar deze zal vermoedelijk dezelfde belemmeringen zien.
De kinderrechter realiseert zich dat de benoeming van een deskundige niet als zodanig – uitvoerig – is besproken tijdens de zitting, waarbij derhalve ook geen vraagstelling is geformuleerd of is gesproken over (de verdeling van) de kosten van de deskundige.
De kinderrechter acht zich op dit moment echter onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen op het verzoek van de GI, nu er nog de nodige onduidelijkheden zijn of het schorsen van het contact op dit moment het beste is voor deze minderjarigen in deze specifieke situatie en het daarnaast onduidelijk is op welke termijn het contact weer kan worden hervat, welke concrete stappen daarvoor nodig zijn en hoe het verloop er verder uit zal komen te zien. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het in deze zaak noodzakelijk is om op korte termijn opnieuw een mondelinge behandeling te bepalen, zodat kan worden besproken wat de volgende stap zal zijn in deze zaak. Aan de orde zal (onder meer) komen de mogelijkheid en wenselijkheid om een deskundige te benoemen in deze zaak, en zo ja, welke onderzoeksopdracht hiervoor moet worden geformuleerd. Ook zal aan de orde komen de mogelijkheden van de GI om nader onderzoek te (laten) doen naar de vraagstellingen in dit dossier vanuit de mogelijkheden en middelen die haar vanuit de ondertoezichtstelling ter beschikking staan. Ook zal worden besproken of het benoemen van een bijzondere curator – met daarbij een (beperkte) opdracht – alsnog wenselijk is voor de minderjarigen. De kinderrechter verzoekt betrokkenen om zich hierover alvast een standpunt te vormen. De kinderrechter verzoekt de GI in dat verband nog om na te denken wat nog wel mogelijk is in deze om zaken vlot te trekken.
De kinderrechter wil de moeder tot slot meegeven dat bij de vader, maar zo lijkt ook bij de minderjarigen, een bepaald beeld bestaat over de (huidige) toestand van de moeder. Benadrukt wordt dat het voor de identiteitsontwikkeling van minderjarigen van belang is om onbelast contact te kunnen hebben met beide ouders. De moeder is en blijft de moeder van de minderjarigen en het is in hun belang dat zij een rol kan spelen in het leven van de minderjarigen, mits dit op een verantwoorde manier is. Om meer vertrouwen te krijgen en zorgen over de moeder weg te kunnen nemen, kan het in dat kader wenselijk zijn om in overleg te gaan met de GI om te bespreken welke informatie over haar behandeling en huidige omstandigheden kan worden gedeeld of besproken. Dit kan mogelijke ruis daarover wegnemen. Van de vader verwacht de kinderrechter dat hij, mede in het belang van de minderjarigen, respectvol omgaat met die informatie.
De kinderrechter houdt de beslissing op het verzoek derhalve aan tot de pro forma datum van 26 juni 2026, voor opgave van verhinderdata door de advocaat van de moeder en de advocaat van de vader. Alsdan zal een nieuwe zittingsdatum worden bepaald.
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt iedere beslissing op het verzoek aan tot de pro forma datum van 26 juni 2026, voor opgave van verhinderdata door de advocaat van de moeder, de advocaat van de vader en de GI;
verzoekt de griffier van deze rechtbank om na ontvangst van de verhinderdata een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Voor deze zitting zal ook de Raad voor de Kinderbescherming worden uitgenodigd.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van Casant als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.