Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6525Zaaknummer C/02/438412 / FA RK 25-3994
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/438412 / FA RK 25-3994
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek eenhoofdig gezag toegewezen.
De rechtbank
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/438412 / FA RK 25-3994
datum uitspraak: 16 juni 2026
beschikking over eenhoofdig gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars in Vlissingen,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats],
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige].
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 30 juli 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 26 maart 2026 ontvangen brief van de man met bijlagen.
Op 23 april 2026 heeft de rechtbank deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/445335 / JE RK 26/304 tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist
Verschenen en gehoord zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van het Landelijk Expertiseteam (hierna: LET) namens de GI.
Met bijzondere toestemming van de rechtbank was de heer [persoon], de vader van de man, aanwezig tijdens de zitting.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank van 31 mei 2024 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 2 oktober 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige]
De vrouw heeft de Peruaanse nationaliteit, de man en [minderjarige] de Italiaanse nationaliteit.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 juni 2022 is [minderjarige], zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juni 2022 en tot 16 juni 2022.
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 juni 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 juni 2022 en tot 2 september 2022.
Bij beschikking van de kinderrechter van 4 mei 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 mei 2023 en tot 4 mei 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 augustus 2026.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- het ouderlijk gezag van de man wordt beëindigd;
- de vrouw voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] is belast.
4 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing.
De inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt het ouderlijk gezag van de man te beëindigen en te bepalen dat zij voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] is belast. De vrouw begrijpt dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een minderjarige gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Dit vereist echter dat ouders samen in staat zijn beslissingen te nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind. De vrouw loopt er al langere tijd tegen aan dat dit niet mogelijk is door de houding van de man. De houding van de man heeft ertoe geleid dat de vrouw eerder genoodzaakt was procedures te starten voor vervangende toestemming voor de inschrijving van een basisschool en vervangende toestemming voor een vakantie. Bovendien heeft de houding van de man ertoe geleid dat het LET betrokken is geraakt namens de GI. In de afgelopen periode is de man veroordeeld voor het bedreigen van de jeugdbeschermers. Ook is bij beschikking van 14 oktober 2025 de man het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd. Kort na deze beschikking is de man naar de school van [minderjarige] gegaan omdat hij haar wilde zien. Dit maakt duidelijk dat de man handelt in zijn eigen belang. Er kan niet van de vrouw worden gevraagd met de man samen te werken of beslissingen te nemen. Er vindt geen communicatie plaats tussen partijen en de vrouw is van mening dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen partijen indien de huidige gezagssituatie ongewijzigd blijft, waarbij redelijkerwijs niet valt te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering optreedt.
De man vindt het vooral van belang dat hij weer contact kan hebben met [minderjarige]. Hij mist haar heel erg en doet zijn best om de situatie te verbeteren. De man zou graag willen dat het contact met [minderjarige] wordt hersteld, onder begeleiding van de hulpverlening van Homebase. In de tussentijd zal hij verder zoeken naar hulpverlening ten behoeve van zijn emotieregulatie.
De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat het ouderlijk gezag voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Gelet op de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] kan niet van de vrouw worden verwacht dat zij moet communiceren met de man. Daar komt bij dat de man niet in staat is gezagsbeslissingen te nemen in het belang van [minderjarige]. De man ziet vooral zijn eigen belang en hij heeft al langere tijd geen rol in de opvoeding en verzorging van [minderjarige].
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen. Hoewel zichtbaar is dat de huidige situatie de man veel verdriet doet, is de Raad gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken van mening dat de man niet in staat is tot het uitoefenen van gezamenlijk gezag over [minderjarige].
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
- er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
- wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat daarvan sprake is nu het partijen al langere tijd niet lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige]. Ook is er in de afgelopen jaren in het geheel geen contact geweest tussen de man en [minderjarige]. De rechtbank is daardoor van oordeel dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek betreffende het gezag.
De rechtbank overweegt vervolgens dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige]. Door hetgeen in het verleden is gebeurd en de houding van de man zijn partijen namelijk al geruime tijd niet tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijke gezag over [minderjarige] in staat waardoor er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al geruime tijd geen enkele samenwerking of communicatie mogelijk is tussen partijen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat hierin binnen een redelijk termijn verbetering zal optreden. De houding van de man is immers onveranderd, ondanks de jarenlange betrokkenheid van de GI en de inzet van hulpverlening. Het is de man de afgelopen tijd onvoldoende gelukt om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en zijn ouderschap op een goede manier vorm te geven. Dit volgt onder meer uit de omstandigheid dat de man in het afgelopen jaar is veroordeeld voor bedreiging van de jeugdbeschermers en hij naar de basisschool van [minderjarige] is gegaan om haar op te halen, terwijl hem kort daarvoor het recht op omgang was ontzegd omdat omgang met de man naar het oordeel van de kinderrechter ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige]. Daarnaast is gebleken dat de vrouw eerder genoodzaakt was procedures te starten voor vervangende toestemming voor de inschrijving van een basisschool en een vakantie, omdat de man zijn toestemming hiervoor niet wilde verlenen. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat de man [minderjarige] al langere tijd niet heeft gezien en het ondanks verschillende pogingen van de GI en de betrokken hulpverlening niet is gelukt om te werken aan contactherstel. Doordat de man [minderjarige] al langere tijd niet heeft gezien, heeft hij geen enkel zicht meer op [minderjarige] en is hij niet bekend met de ontwikkelingen die zij doormaakt. Hierdoor kan de man onvoldoende beoordelen welke beslissingen in haar belang moeten worden geacht.
Gelet op het voorgaande en gehoord het advies van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] dat het gezag over haar wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.