Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 maart 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:3194Zaaknummer C/02/429858 / FA RK 24-5893
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Publicatiedatum
- 4 mei 2026
- Zaaknummer
- C/02/429858 / FA RK 24-5893
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenen vervangende toestemming aanvraag ID-kaart na uitblijven toestemming van de man.
De rechtbank:
verleent toestemming aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 in aanwezigheid van mr. De Haas, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/429858 / FA RK 24-5893
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking betreffende vervangende toestemming identiteitskaart
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen: [minderjarige].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Als informant is in de procedure betrokken:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 6 december 2024 ontvangen verzoek vervangende toestemming, met bijlagen;
- de op 3 februari 2026 ontvangen aanvullende stukken ter completering van het verzoek.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting met gesloten deuren op 16 maart 2026. Bij die zitting is verschenen de vrouw. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI. Alhoewel correct en tijdig opgeroepen zijn de man en zijn advocaat niet verschenen.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende, thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen: [minderjarige].
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het
ouderlijk gezag over de minderjarige.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 februari 2026 is
[minderjarige] met spoed en zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden voorlopig onder
toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 6 februari
2026 en tot 20 februari 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om
[minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met
ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 februari 2026 is
[minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met
ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging
tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 februari
2026 en tot 6 mei 2026.
Op grond van de voornoemde beschikking verblijft [minderjarige] thans in de weekenden in
een pleeggezin.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een identiteitskaart zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet, ten behoeve van de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021.
Door en namens de man is geen verweer gevoerd.
4 De beoordeling
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag voor een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de Paspoortwet geeft de rechtbank onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank zal, nu de beproeving van een vergelijk tussen partijen vanwege de afwezigheid van de man en zijn advocaat bij de zitting niet mogelijk is gebleken, de door de vrouw verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 34, tweede lid, Paspoortwet beoordelen.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat zij vervangende toestemming verzoekt voor de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige] nu de man weigert om daarvoor zijn medewerking en toestemming te verlenen. Tijdens de zitting heeft de vrouw toegelicht dat de man, nadat hij dit jarenlang geweigerd heeft, vlak voor de zitting weliswaar alsnog een toestemmingsformulier aan de vrouw heeft toegestuurd, vergezeld met een kopie van zijn identiteitskaart, maar dat dit formulier niet bruikbaar is omdat de handtekening van de man op het formulier niet overeenkomt met de handtekening van de man op zijn identiteitskaart. Om die reden heeft de vrouw, op advies van haar advocaat, het niet aangedurfd om met deze stukken een identiteitskaart voor [minderjarige] aan te vragen bij de gemeente. Volgens de advocaat zou de vrouw daar problemen mee kunnen krijgen, aldus de vrouw.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank acht het met de Raad en de GI in het belang van [minderjarige] wenselijk dat hij beschikt over een geldig legitimatiebewijs. Hoewel de man aanvankelijk alsnog een toestemmingsformulier en een kopie van zijn identiteitskaart aan de vrouw heeft toegestuurd, heeft de vrouw nog steeds belang bij het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart voor de [minderjarige], nu - zo heeft zij onweersproken gesteld - de handtekening op het toestemmingsformulier niet overeenkomt met de handtekening van de man op zijn identiteitskaart en het toegezonden formulier derhalve niet bruikbaar is. De man heeft bovendien geen verweer gevoerd tegen het verzoek en de stellingen van de vrouw. De rechtbank zal gelet op al het voorgaande het verzoek van de vrouw toewijzen en de vrouw vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige].
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 in aanwezigheid van mr. De Haas, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.