Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 22 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14738Zaaknummer C/10/725094 / KG ZA 26-888

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725094 / KG ZA 26-888
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering man tot meewerking aan verdeling woning door vrouw. Toewijzing vordering conform in eerdere beschikking vastgelegd spoorboekje, voor zover niet achterhaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening die op de koopwoning van partijen te [locatie] [straatnaam], [postcode], rust, alsmede haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te [locatie], [straatnaam], [postcode], aan de man in het geval de man in staat is de woning te financieren, dan wel, als de man niet in staat is de woning te financieren, haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van deze woning aan (een) koper(s),

5.2.

de veroordeling onder 5.1 op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat

de vrouw na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00,

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. 1861/106

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

team handel en haven

Zaaknummer: C/10/725094 / KG ZA 26-888

Vonnis in kort geding van 22 september 2026

in de zaak van

[eiser],

woonplaats kiezende te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P. de Boom,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

mr. O.F.X. Roozemond.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 augustus 2026, met producties 1 tot en met 19;

- de aanvullende producties 20 tot en met 22 van de man;

- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden conclusie van antwoord van de vrouw, met producties 1 tot en met 11;- de mondelinge behandeling van 8 september 2026 en de daarvan door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen;- de pleitnota van de man;- de pleitnota van de vrouw;

- het bericht van 14 september 2026 namens de man waarin is medegedeeld dat op die dag de woning is getaxeerd;

- de reactie van de vrouw op het bericht van de man van 14 september 2026, met productie 12 (een urgentieverklaring).

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn gehuwd geweest. Op 14 april 2026 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Rotterdam. Op 21 mei 2026 is de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.2.

De man en de vrouw hebben drie kinderen, waaronder een dochter geboren op [geboortedatum] 2016. De twee andere kinderen zijn meerderjarig.

2.3.

De man en de vrouw hebben tijdens het huwelijk de woning aan het [straatnaam] te ( [postcode]) te [locatie], gemeente Albrandswaard (hierna: de woning) in eigendom verkregen. Zij zijn daarvan nog steeds gezamenlijk eigenaar.

2.4.

Op de woning rust een hypothecaire geldlening afgesloten bij Nationale Nederlanden. De geldlening is afgesloten op naam van beide partijen.

2.5.

De man heeft de woning in december 2024 verlaten.

2.6.

In de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken (zie 2.1) is het volgende opgenomen over de woning:

3 De beoordeling(…) a. de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening

3.5.8.

Partijen zijn het eens dat de woning aan de man zal worden toegedeeld onder de voorwaarde dat de man in staat is deze toedeling te financieren.

3.5.9.

Als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem te financieren en/of het ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht.

3.5.10.

De rechtbank is het met partijen eens dat de woning eerst getaxeerd moet worden. Omdat partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen makelaar voor taxatie van de woning, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. De man heeft vervolgens één week nadat hij zijn keuze heeft doorgegeven aan de vrouw, de tijd om de opdracht bij de gekozen taxateur onder te brengen en de woning te laten taxeren.

3.5.11.

Vervolgens zal de woning voor de getaxeerde waarde worden toegedeeld aan de man, onder de voorwaarde dat hij binnen vier maanden (nadat de woning getaxeerd is) de financiering rond heeft, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Wanneer het de man niet lukt om de financiering binnen vier maanden rond te krijgen en/of het ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht. In beide gevallen (zowel in het geval de man de woning overneemt, als dat de woning aan een derde wordt verkocht) mag de vrouw tot uiterlijk zes maanden na de datum van de beschikking in de woning blijven wonen.

3.5.12.

De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.

3.5.13.

De onder- of overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning minus (verkoop)kosten) worden in beide voorgaande situaties door partijen bij helfte gedragen of gedeeld.

3.5.14.

De rechtbank bepaalt dat voor de verkoop van de woning aan een derde de keuze voor een makelaar hetzelfde gaat als de keuze voor een taxateur, zoals beschreven onder randnummer 3.5.10.

3.5.15.

De rechtbank bepaalt voorts dat de verkoop van de woning aan een derde geschiedt op de volgende wijze. Partijen verrichten zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:

- invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop;

- aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;

- betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar;

- leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn;

- meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn;

- meewerken aan geplande bezichtigingen;

- zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;

- alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen;

- het tekenen van de koopovereenkomst;

- het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.

Bij dit alles geldt het volgende:

  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft;
  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde;

partijen dragen de aan de verkoop en levering verbonden kosten ieder bij helfte;

  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van de zijde van een van partijen, voldoet de nietmeewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers;
  • met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van eventuele polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost.

Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk

Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.

3.5.16.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dit spoorboekje zullen volgen en nakomen en ziet geen dan wel onvoldoende aanleiding om het verzoek van de man op grond van artikel 3:300 en artikel 3:301 BW toe te wijzen.

(…)4. De beslissing(…)

4.7.

gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.8. tot en met 3.5.23.;”

2.7.

Ter uitvoering van “het spoorboekje” in de beschikking van de rechtbank van 14 april 2026 hebben partijen getracht overeenstemming te bereiken over de in te schakelen makelaar voor het taxeren van de woning.

2.8.

De vrouw heeft in de periode mei tot en met augustus 2026 bij meerdere gelegenheden niet meegewerkt aan het laten taxeren van de woning en verschillende daarvoor met makelaars gemaakte afspraken afgezegd.

2.9.

In een e-mailbericht van 4 september 2026 heeft de vrouw de makelaar waarover partijen het eens zijn geworden, verzocht om op zo kort mogelijke termijn een nieuwe taxatieafspraak te plannen. Deze is vervolgens gepland op 14 september 2026 en op die dag is de woning ook getaxeerd.

3 De vordering

3.1.

De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:Primair:

I. de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis te starten met haar volledige, onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de uitvoering van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2026, tussen partijen gewezen, en waarbij de makelaar die de koopwoning van partijen te [locatie], [straatnaam], [postcode], zal taxeren zal zijn [naam makelaar], dan wel wanneer deze makelaar de opdracht niet meer wenst uit te voeren, een door de man aan te wijzen taxateur de taxateur zal zijn, en waarbij na die taxatie het spoorboekje volledig gevolgd zal worden door de man en de vrouw en waarbij ieder de helft van de taxatiekosten dient te betalen en waarbij de notaris door de man zal worden gekozen;

II. de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan alles wat nodig is om ervoor te zorgen dat de man de vrouw kan (laten) ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening die op de koopwoning van partijen te [locatie] [straatnaam], [postcode], rust, alsmede haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te [locatie], [straatnaam], [postcode], aan de man in het geval de man in staat is de woning te financieren, dan wel verkoop en levering van deze woning aan (een) koper(s);

III. de vrouw te veroordelen de onroerende zaak gelegen aan het adres [straatnaam], [postcode] te [locatie], gemeente Albrandswaard uiterlijk 14 oktober 2026 te ontruimen en ontruimd te houden;

IV. dit alles onder I, II en III op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw in gebreke blijft na betekening aan haar van het te wijzen vonnis in kort geding haar volledige, onvoorwaardelijk medewerking te verlenen zoals gevorderd, met een maximum van € 100.000,00. “De man vraagt een hoog bedrag omdat de overwaarde aanzienlijk is en de vrouw al heeft laten zien niet schromen de beschikking van de rechtbank naast zich neer te leggen” (citaat opgenomen in vordering; toevoeging voorzieningenrechter),

en, subsidiair, voor het geval dat de vrouw niet, niet voldoende of niet volledig of niet op tijd aan de veroordelingen onder I en/of II voldoet

V. de man bij vonnis te machtigen om alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om tot notariële levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de genoemde woning te [locatie], [straatnaam], [postcode], aan de man te komen en om ervoor te zorgen dat de man de vrouw kan (laten) ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening die op de genoemde woning rust, dit desnoods en indien mogelijk met ondersteuning van de sterke arm, zodat de taxateur toegang kan hebben tot de woning te [locatie];

Vl. te bepalen dat te wijzen vonnis in kort geding in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de vrouw, benodigd voor de juridische levering van haar onverdeelde aandeel in de eigendom van de genoemde onroerende zaak aan de man en alle in verband daarmee verband houdende stukken, althans de man als

dwangvertegenwoordiger in de plaats van de vrouw te machtigen alle feitelijke en/of rechtshandelingen te verrichten strekkende tot het geven van een opdracht aan de taxateur/makelaar en/of van de verklaring/ondertekening van de vrouw van de notariële akte tot verdeling waarbij het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning wordt geleverd aan de man,

VII. althans (een) zodanige beslissing(en) te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

en, in alle gevallen, primair en subsidiair:

VIII. de vrouw te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de man ad € 5.000,00, te vermeerderen met de betekeningskosten, te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in kort geding aan haar, althans de vrouw te veroordelen in de forfaitaire proceskosten te vermeerderen met de betekeningskosten te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in kort geding aan haar;

IX. de vrouw te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de vrouw door de vrouw aan de man zijn voldaan.

3.2.

De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert – kort gezegd – tot afwijzing van de vorderingen van de man.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met dit kort geding wil de man ervoor zorgen dat tot verdeling van de gemeenschappelijke woning wordt gekomen. Over de wijze waarop de woning tot verdeling wordt gekomen, is reeds in de beschikking van deze rechtbank van 14 april 2026 (hierna: de beschikking) een beslissing genomen. In die beschikking is in het zogenaamde spoorboekje vastgelegd via welke stappen de verdeling van de gemeenschappelijke woning dient plaats te vinden.

4.2.

Duidelijk is dat het tijdpad waarvan in het spoorboekje werd uitgegaan, niet is gehaald. Dat komt met name doordat de taxatie van de woning op zich heeft laten wachten. Dat was de eerste, noodzakelijke stap die moest worden gezet en die ten tijde van de zitting nog (steeds) niet was genomen.

4.3.

Op de zitting heeft de advocaat van de vrouw naar voren gebracht dat de vrouw (inmiddels) meewerkt en zal blijven meewerken aan de verdeling van de gemeenschappelijke woning. Zij heeft er volgens haar stellingen voor gezorgd dat er op korte termijn een afspraak is gepland met de taxateur. Op het moment van de mondelinge behandeling moest deze afspraak nog plaatsvinden (op 14 september 2026). Na de mondelinge behandeling hebben partijen -zoals ter zitting was afgesproken- de voorzieningenrechter (in berichten van 14 en 15 september, zie hiervoor onder 2) laten weten dat die afspraak is doorgegaan, zodat de taxateur de woning kennelijk inmiddels heeft kunnen opnemen. De man heeft laten weten de vorderingen gericht op het meewerken van de vrouw aan het taxeren van de woning daarom in te trekken en zijn vorderingen voor het overige te handhaven. Volgens de vrouw is de man nu aan zet, met het rondkrijgen van de financiering, zodat volgens haar spoedeisend belang bij de gehandhaafde vorderingen, laat staan bij een daaraan te verbinden dwangsom, ontbreekt.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man er (spoedeisend) belang bij dat de vrouw op een in rechte afdwingbare wijze wordt verplicht mee te werken aan de uitvoering van het spoorboekje. Voldoende aannemelijk geworden is dat de vrouw tot kort voor de zitting die medewerking onvoldoende verleende. Hoewel de redenen van de vrouw om dat tot op heden onvoldoende te hebben gedaan, zoals stress door het moeten vinden van een andere woning en de zorg voor een kind met speciale zorgbehoeften, invoelbaar zijn, betekent dat niet dat zij de uitvoering van het spoorboekje (nog langer) op zijn beloop kan laten. Zij zal moeten meewerken aan de uitvoering daarvan. Die uitvoering laat al te lang op zich wachten. Wat dit betekent voor de vorderingen van de man, komt hieronder aan de orde.

Vordering I

4.5.

Deze vordering strekt er in de eerste plaats toe de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de uitvoering van de beschikking. Niet duidelijk is evenwel wat de vrouw op dit moment moet doen ter uitvoering van het spoorboekje. De eerste, belangrijke stap van taxatie heeft plaatsgevonden. Het is nu, volgens het spoorboekje, aan de man om binnen vier maanden financiering voor het overnemen van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te regelen, op zodanige wijze dat de vrouw uit het hoofdelijk schuldenaarschap zal worden ontslagen. Over de kosten van taxatie van de woning zijn partijen het ter zitting eens geworden in die zin, dat de man deze kosten zal voorschieten en deze kosten later in de verdeling betrokken kunnen worden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat zij zich aan die afspraak houden. Voor een beslissing op het punt van die kosten is nu daarom geen plaats. Vordering I zal dan ook worden afgewezen.

Vordering II

4.6.

Deze vordering strekt er feitelijk toe de vrouw te veroordelen tot het meewerken aan de verdere stappen van het spoorboekje. Die vordering is onder verwijzing naar hetgeen in 4.4 is overwogen, toewijsbaar.

Vordering III

4.7.

Vordering III strekt ertoe de vrouw te veroordelen om uiterlijk op 14 oktober 2026, de datum die volgt uit het spoorboekje, de woning te ontruimen. Deze vordering wordt afgewezen. Vast staat dat het tijdpad van het spoorboekje achterhaald is. De taxatie heeft pas zeer kort geleden plaatsgevonden en de man heeft nu vier maanden de tijd om de financiering rond te krijgen. Nog niet duidelijk is of de man de vrouw kan uitkopen. Dat betekent dat ook nog niet duidelijk is hoe de verdeling van de woning verder zal verlopen en of al dan niet wordt toegekomen aan de route die het spoorboekje geeft voor verkoop van de woning aan een derde. Hoe dan ook zal de daadwerkelijke overdracht van de woning naar alle waarschijnlijkheid nog enkele maanden op zich laten wachten. Niet gebleken is dat de man er desalniettemin (spoedeisend) belang bij heeft dat de vrouw nu wordt veroordeeld tot ontruiming per 14 oktober 2026.

4.8.

Daarbij speelt ook mee dat de vrouw op dit moment (nog) geen andere woonruimte tot haar beschikking heeft voor haar en de kinderen van partijen. De voorzieningenrechter kent bijzonder belang toe aan de positie van het minderjarige kind, dat bij een uit te spreken bevel tot ontruiming in principe ook moet verhuizen. Dat, zoals de man ter zitting als wens noemde, hij met het kind in de woning zou gaan wonen is op dit moment, gelet op de huidige situatie, niet waarschijnlijk, zeker niet zo waarschijnlijk dat dit het risico van een gedwongen verhuizing op korte termijn wegneemt. Kennelijk is, zo volgt uit een door de vrouw na de zitting overgelegde e brief, inmiddels urgentie aan haar verleend bij het vinden van woonruimte. Dat betekent evenwel niet zonder meer dat ook op korte termijn een woning aan de vrouw zal worden toegewezen. Niet gebleken is verder dat de man de woning op dit moment nodig heeft.

Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Van de vrouw wordt verwacht dat zij een haar aangeboden andere woning in beginsel accepteert. Als de vrouw, na 14 oktober 2026, over vervangende woonruimte beschikt dient zij, gelet op het spoorboekje, op korte termijn te verhuizen. Duidelijk is immers dat of de man in de woning zal trekken of de te vinden koper, maar dat de vrouw daar niet kan blijven wonen. De huidige afwijzing van deze vordering brengt daarin geen verandering.

Vordering IV

4.9.

De veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de verdere stappen van het spoorboekje (vordering II) zal, zoals door de man gevorderd onder IV, worden versterkt met een dwangsom. Ter zitting is met stukken onderbouwd gesteld dat de financiële situatie van de vrouw precair is. Gelet daarop wordt de dwangsom beperkt tot € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-. Daarboven gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze specifieke situatie geen nakomingsprikkel meer uit van de dwangsom.

De subsidiaire vorderingen “voor het geval dat de vrouw niet, niet voldoende of niet volledig of niet op tijd aan de veroordelingen onder I en/of II voldoet”

4.10.

Uit de manier waarop de man deze vorderingen V tot en met VII heeft geformuleerd, begrijpt de rechtbank dat hij niet heeft bedoeld deze vordering subsidiair in de strikt juridische betekenis in te stellen, maar voor het geval de vrouw niet (volledig) voldoet aan de veroordeling onder II (de vordering onder I wordt afgewezen en kan hier dus verder buiten beschouwing blijven).

Vordering V

4.11.

De man vordert te worden gemachtigd alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de notariële levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw aan hem. Deze vordering veronderstelt dat de man financiering zal verkrijgen om het onverdeelde aandeel in de woning van de vrouw over te nemen. Nog niet duidelijk is of de man die financiering zal verkrijgen. Niet duidelijk is verder op welke handelingen de man met deze vordering precies doelt. Het slot van de vordering lijkt erop te duiden dat de man met deze vordering vooral het oog had op het komen tot taxatie van de woning. Die taxatie heeft inmiddels plaatsgevonden. Voor zover de man het oog heeft op een machtiging tot tegeldemaking van de woning, is dat nu nog niet aan de orde omdat de man immers eerst tijd heeft om de vrouw uit te kopen. De voorzieningenrechter ziet bij deze stand van zaken onvoldoende grond om aan de man enigerlei machtiging te verstrekken.

Vordering VI

4.12.

Vordering VI strekt ertoe dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats te doen komen van de wilsverklaring van de vrouw benodigd voor het sluiten van een verkoopovereenkomst en voor de juridische levering van de woning. Ook hier geldt evenwel dat nog niet duidelijk is of het onverdeelde aandeel in de woning van de vrouw door de man zal worden gekocht of dat de woning aan een derde wordt verkocht. Dat staat eraan in de weg dat deze vordering nu wordt toegewezen.

Conclusie

4.13.

De vordering onder II en de vordering IV zullen worden toegewezen, op de wijze als in de beslissing bepaald.

Proceskosten

4.14.

De man vordert veroordeling van de vrouw in werkelijke proceskosten van € 5.000,. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten is alleen plaats in uitzonderlijke gevallen, met name bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is onvoldoende gebleken. Partijen dienen beiden, behoudens andersluidende afspraken, het spoorboekje te volgen en de vrouw heeft dat tot voor kort niet gedaan. Maar dat is onvoldoende om onrechtmatig handelen aan te nemen. De proceskosten zullen, zoals gebruikelijk in dit soort zaken, worden gecompenseerd op die manier dat partijen elk de eigen kosten dragen. Hierbij wordt opgemerkt dat niet uitgesloten is dat als op enig moment weer een procedure door man dient te worden gestart om medewerking van de vrouw bij de verdeling van de woning te verkrijgen, van de gebruikelijke compensatie van kosten wordt afgeweken, en de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld. Maar daarvoor ziet de voorzieningenrechter nu onvoldoende grond.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening die op de koopwoning van partijen te [locatie] [straatnaam], [postcode], rust, alsmede haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te [locatie], [straatnaam], [postcode], aan de man in het geval de man in staat is de woning te financieren, dan wel, als de man niet in staat is de woning te financieren, haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van deze woning aan (een) koper(s),

5.2.

de veroordeling onder 5.1 op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat

de vrouw na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00,

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. 1861/106

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.