Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 24 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14628Zaaknummer C/10/716394 / FA RK 26-2055
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/716394 / FA RK 26-2055
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2026:4046. Beroep wth. Rb. Geen wettelijke eis dat bewijsmiddelen opgenomen moeten worden in het besluit. Motiveringsgebrek. Rb. laat o.g.v. art. 6:22 Awb het besluit in stand. Proceskostenveroordeling.
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond,
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
| Aldus gedaan door mr. E.M. Moerman, rechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. L.C.M. van Gils, griffier, ondertekend. De griffier: De rechter: |
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Op grond van het derde lid verstrekt het bestuursorgaan de motivering binnen een week na de bekendmaking van het besluit als de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld.
Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld in stand worden gelaten ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, als aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wth bevat het huisverbod in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0024649/2020-07-01), en 6 tot en met 8 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0024649/2020-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank ROTTERDAM
Team familie
Reg.nr.: C/10/716394 / FA RK 26-2055 (beroep)
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
wonende te [woonplaats 1], gemeente Molenlanden,
gemachtigde mr. W.J. Oomkes.
en
de burgemeester van de gemeente Molenlanden, verweerder,
gemachtigde mr. E.A. van der Lugt,
in welke zaken belanghebbenden zijn:
[naam achterblijver], partner van eiser, hierna achterblijver,
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020,
de minderjarige kinderen van eiser en haar partner,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024, het minderjarig kind van eiser,
allen wonende te [woonplaats 2], gemeente Molenlanden,
hierna gezamenlijk achterblijvers.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan eiser.
Bij brief van 13 maart 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (bekend onder zaaknummer C/10/716391 / KG ZA 26-247).
Verweerder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft bij bericht van 16 maart 2026 haar beroepsgronden aangevuld.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 17 maart 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (de beroepsprocedure), en verweerder veroordeeld in de proceskosten. De behandeling van het beroep is aangehouden, waarbij de voorzieningenrechter verweerder heeft verzocht binnen
twee weken een filmpje met een betreffend geluidsfragment, de datum van het filmpje, de
beëdigde vertaling en het transcript van de tekst in te brengen in onderhavige beroepsprocedure. Eiser heeft vervolgens de gelegenheid gekregen hierop te reageren.
Bij besluit van 18 maart 2026 heeft verweerder het huisverbod ingetrokken.
Verweerder heeft op 30 maart 2026 een nader verweerschrift ingediend met als bijlagen onder meer het filmpje met het geluidsfragment, de datum daarvan, de beëdigde vertaling en transcript van de tekst.
Eiser heeft bij bericht van 8 april 2026 haar beroepsgronden aangevuld, en bij berichten van 14 juli 2026 en 31 juli 2026 aanvullende stukken ingediend.
De oudste minderjarige is eerder in de procedure al in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- eiser en haar gemachtigde;
- verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.A. van der Lugt;
- Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [persoon A].
2 Overwegingen
Weergave bestreden besluit en beroep
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van eiser in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met haar in de woning wonen.
Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen met veroordeling van verweerder in de door verzoekster gemaakte (proces)kosten.
Wettelijk kader
De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling beroepsgronden
Eiser voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam en dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid het huisverbod op te leggen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat het eerder genoemde filmpje met daarop de uitspraken die door eiser gedaan zouden zijn, niet ten grondslag lag aan de beslissing tot oplegging van het huisverbod. Eiser lag bovendien in bed te slapen op het moment dat de politie ter plaatse kwam, waardoor volgens haar geen sprake was van gevaar. Bovendien is de bij de minderjarige aangetroffen snee op zijn gezicht niet terug te leiden naar eiser.
De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat door eiser uitingen zijn gedaan die zo uitgelegd kunnen worden als levensbedreigend richting de kinderen. Zo heeft eiser onder meer gezegd: “Dood ze, ze zijn van mij.” en “Als ik ze wil doden dan dood ik ze.”. Hoewel eiser heeft toegelicht dat deze uitspraken niet letterlijk bedoeld zijn en zij zich niet kan vinden in de overgelegde beëdigde vertaling daarvan, ziet de rechtbank hoe deze uitspraken wel geïnterpreteerd kunnen worden als dreigend gevaar. Verder wordt het filmpje niet letterlijk genoemd in de beschikking van de burgemeester, maar wel wordt de verbale dreiging genoemd. De wet, in het bijzonder artikel 3:46 en 3:47 Awb, stelt niet de eis dat specifieke bewijsmiddelen worden opgenomen in het besluit. Van belang is dat uit de onderliggende stukken de bron naar voren komt en dat daarmee, in samenhang bezien, inzichtelijk is voor eiser op welke gronden het besluit is genomen. Aan die voorwaarde is voldaan.
Daar komt bij dat de politie een kras heeft geconstateerd op het gelaat van de minderjarige [minderjarige 2]. Volgens de politie kon die kras op dat moment teruggevoerd worden op het gedrag van eiser. Op basis van die feiten en omstandigheden kon op dat moment worden aangenomen dat sprake was van een dreiging van gevaar. Dat eiser op het moment dat de politie ter plaatse kwam op bed lag, maakt niet dat daarom het gevaar geweken was. Eiser, achterblijver en de kinderen woonden immers allemaal in hetzelfde huis. Ook dat later mogelijk twijfel is ontstaan over de herkomst van de kras in het gezicht van [minderjarige 2] maakt niet dat ten tijde van de oplegging van het huisverbod geen gevaar bestond.
De rechter is daarom van oordeel dat sprake was van (een ernstig vermoeden van) gevaar. Verweerder was dus bevoegd het huisverbod op te leggen. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat ten tijde van de oplegging van het huisverbod verweerder de adviezen uit het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna ook: RiHG) van zowel Veilig Thuis als de politie heeft meegewogen. Op basis van de RiHG van de politie heeft de hulpofficier geadviseerd het huisverbod op te leggen. Uit de toelichting bij het RiHG vanuit Veilig Thuis blijkt dat geadviseerd is om geen huisverbod op te leggen, onder voorwaarde dat intensieve hulpverlening ingezet zou worden. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd dat het besluit is gebaseerd op de uitkomsten van het één van deze twee RiHG’s. De rechtbank heeft in deze beroepszaak geen reden om van dat oordeel af te wijken. Het besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.
Verweerder heeft in het nader verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling dit motiveringsgebrek echter voldoende hersteld. Verweerder heeft nader toegelicht waarom zij het advies vanuit de politie volgde, onder meer omdat de politie tijdens het opstellen van het RiHG wel over eerdere politieregistraties en processen-verbaal van bevindingen van de politie beschikte en Veilig Thuis niet. Uit die stukken blijkt een langere voorgeschiedenis met meerdere meldingen van (dreigend) geweld en ruzies tussen achterblijver en eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid het huisverbod op te leggen. Daarbij betrekt de rechtbank het uitgangspunt dat verweerder vanaf het opleggen van het huisverbod tien dagen wordt gegund voor het opstarten van noodzakelijke hulpverlening en dat alleen bijzondere feiten of omstandigheden reden zijn voor het voortijdig beëindigen van de werking van het huisverbod.
Ondanks de begrijpelijke zorgen van eiser over wat het huisverbod betekent voor onder meer haar werk en haar reputatie, is niet komen vast te staan dat eiser in haar belangen is geschaad door het ontbreken van een deugdelijke motivering van deze belangenafweging. Daarbij is van belang dat verweerder deze motivering heeft aangevuld en eiser heeft hier ook op heeft kunnen reageren. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 6:22 Awb het besluit in stand laten.
Conclusie
Het beroep is deels ongegrond.
De rechtbank ziet in het onder 2.3.5 vastgestelde motiveringsgebrek wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op 2 punten met een waarde per punt van € 934,-, wat maakt een totaal van € 1.868,-. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.
3 Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond,
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
| Aldus gedaan door mr. E.M. Moerman, rechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. L.C.M. van Gils, griffier, ondertekend. De griffier: De rechter: |
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Op grond van het derde lid verstrekt het bestuursorgaan de motivering binnen een week na de bekendmaking van het besluit als de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld.
Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld in stand worden gelaten ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, als aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wth bevat het huisverbod in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0024649/2020-07-01), en 6 tot en met 8 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0024649/2020-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.