Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:13978Zaaknummer 11617583 CV EXPL 25-7980

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
11617583 CV EXPL 25-7980
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onbetaalde factuur architect.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 13.111,09 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 12.027,80 vanaf 22 november 2023 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.575,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.

43416

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11617583 CV EXPL 25-7980

datum uitspraak: 25 september 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser], die handelt onder de naam [handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. V.T.E. Kuijpers,

tegen

[gedaagde],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Dragt.

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 18 februari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail van de gemachtigde van [eiser] van 11 augustus 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde].
1.2.

Op 12 augustus 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • [eiser] en zijn gemachtigde;
  • namens [gedaagde] de heer [persoon A] (directeur-groot aandeelhouder), bijgestaan door de gemachtigde.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over

2.1.

[eiser] eist in deze procedure dat [gedaagde] € 25.000,- en de proceskosten met rente aan hem betaald. Daarvoor heeft [eiser] het volgende aangevoerd.

2.1.1.

[eiser] heeft een bedrijfspand aan de [naam locatie] in Rotterdam voor [gedaagde] ontworpen en de omgevingsvergunning voor de bouw aangevraagd. De kosten daarvan heeft hij bij [gedaagde] in rekening gebracht door middel van factuur nummer [factuurnummer] van € 25.845,70. [gedaagde] wil deze factuur niet betalen. [eiser] heeft zijn eis zonder voorbehoud beperkt tot € 25.000,- aan hoofdsom, rente en incassokosten in totaal.

2.2.

[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [eiser] heeft zich voorgedaan als geregistreerd architect, maar later bleek dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet was ingeschreven in het Architectenregister en ook geen lid was van de BNA (Koninklijke Bond van Nederlandse Architecten). [gedaagde] was niet tevreden met het werk van [eiser]. Omdat er op basis van het ontwerp van [eiser] geen bedrijfspand kon worden gebouwd, heeft [gedaagde] een ander ingeschakeld om de (ontwerp)tekeningen van [eiser] aan te passen. Ook staan er op de urenverantwoording uren die niet door [eiser], maar door een ander zijn verricht, aldus [gedaagde]. Primair vindt [gedaagde] dat de eis van [eiser] moet worden afgewezen omdat hij door het uitbrengen van een summiere dagvaarding niet aan zijn waarheids- en volledigheidsplicht (artikel 21 Rv) heeft voldaan. Subsidiair moet de eis volgens [gedaagde] worden afgewezen omdat zij aan [eiser] al een redelijk loon voor zijn werk heeft voldaan. Meer subsidiair vernietigt [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] vanwege dwaling en bedrog en vindt zij dat [eiser] het al betaalde bedrag moet terugstorten. Meest subsidiair vindt [gedaagde] dat sprake is van wanprestatie van [eiser] en dat hij de door [gedaagde] geleden schade moet vergoeden.

Uitkomst

2.3.

De eis van [eiser] wordt gedeeltelijk toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.

Wat is er van belang

2.4.

Partijen zijn met elkaar in contact gekomen via [persoon B] senior, de vader van de huidige directeur van [gedaagde]. Zij hebben vervolgens een mondelinge overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten. [eiser] heeft geen opdrachtbevestiging gestuurd. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft [eiser] geen offerte of prijsopgave opgemaakt. [gedaagde] heeft evenmin wat op papier gezet.

2.5.

Op 7 april 2023 heeft [eiser] € 12.100,- inclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft deze factuur betaald.

2.6.

In de periode daarna is er tussen partijen discussie over de ontwerptekeningen ontstaan.

2.7.

Op 21 juli 2023 heeft [eiser] € 25.845,60 inclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. Naar aanleiding van deze factuur heeft [gedaagde] om een urenverantwoording gevraagd. Op 16 oktober 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] de gevraagde urenverantwoording gestuurd.

Schending van artikel 21 Rv en gevolgen

2.8.

De kantonrechter is het met [gedaagde] eens is dat de dagvaarding buitengewoon summier is en nauwelijks (relevante) achtergrondinformatie geeft. [eiser] heeft daarmee artikel 21 Rv geschonden (partijen moeten de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren). [gedaagde] heeft echter in haar antwoord uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd, waaruit de kantonrechter afleidt dat [gedaagde] op basis van de informatie in de dagvaarding voldoende heeft begrepen waar de zaak over gaat. Daarom wordt in dit geval, ondanks de summiere dagvaarding, [eiser] ontvankelijk geacht in zijn eis en zal zijn eis inhoudelijk worden beoordeeld. Bij de proceskosten zal echter geen procespunt aan de dagvaarding worden toegekend.

[gedaagde] moet een redelijk loon aan [eiser] betalen

2.9.

Partijen hebben bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht geen uurtarief afgesproken. Daarvan is in ieder geval niet gebleken. Het toe te passen uurtarief is in geschil. [gedaagde] is het ook niet eens met een aantal uren op de urenverantwoording die bij de factuur van 21 juli 2023 hoort en meent dat zij met de betaling van de factuur van 7 april 2023 al een redelijk loon aan [eiser] heeft voldaan voor al het verrichte werk. De kantonrechter acht een deel van de bezwaren van [gedaagde] terecht en komt tot de conclusie dat [gedaagde] nog € 12.027,80 aan hoofdsom aan [eiser] moet betalen. Hierna wordt dit toegelicht.

Urenverantwoording

2.10.

In het midden kan blijven wat de exacte omvang van de opdracht is geweest. [gedaagde] heeft namelijk niet concreet aangegeven met welke werkzaamheden die op de urenverantwoording staan zij het niet eens is. Dat [gedaagde] niet (zoals zij schrijft) alle uren kan thuisbrengen is onvoldoende om ervan uit te gaan dat het niet klopt. De kantonrechter stelt het aantal uren dat [eiser] aan de opdracht heeft besteed daarom, conform de urenverantwoording, vast op 197 uren aan werkzaamheden als architect en 34 uren tekenen.

Uurtarief

2.11.

Op de factuur van [eiser] staat een uurtarief voor de werkzaamheden als architect van € 150,- inclusief btw en een uurtarief van € 92,- inclusief btw voor tekenwerkzaamheden. De kantonrechter kan niet vaststellen (zie ook hierboven) dat partijen deze tarieven met elkaar zijn overeengekomen. [eiser] was op basis van artikel 4 van de DNR voorwaarden[_eca9b87f-c38d-4da0-b5bc-21551855afea] verplicht een schriftelijk concept van de opdracht op te stellen en ter goedkeuring aan [gedaagde] voor te leggen, maar hij heeft dat niet gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog toegelicht dat de door hem gehanteerde tarieven zijn gebaseerd op de oude honorariumtabellen van de BNA, maar hij heeft dat niet nader (met stukken) onderbouwd. Het is niet aan de rechter om dat te verifiëren. Omdat [gedaagde] de in rekening gebrachte tarieven zo nadrukkelijk heeft betwist, had het op de weg van [eiser] gelegen om uit te leggen en te onderbouwen waarom de in rekening gebrachte tarieven voor het werk waar het om gaat redelijk (gebruikelijk) zouden zijn. Dat is niet gebeurd.

2.12.

Omdat de in rekening gebrachte tarieven niet aantoonbaar zijn overeengekomen, sluit de kantonrechter aan bij de tarieven die afgeleid kunnen worden uit algemene bronnen, zoals ook [gedaagde] heeft gedaan. Het actuele gemiddelde uurtarief van een zelfstandige architect ligt volgens algemene bronnen op ongeveer € 90,- exclusief btw. De kantonrechter sluit daarbij aan en stelt het te vergoeden uurtarief voor het architectenwerk vast op € 108,90 inclusief btw. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat het hier om een complex project gaat. Ook heeft [eiser] niet gesteld dat het vanwege zijn werkervaring of bijzondere deskundigheid gerechtvaardigd zou zijn om het uurtarief op een hoger bedrag dan het gemiddelde vast te stellen. Dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet was ingeschreven in het Architectenregister, wat volgens [eiser] langere tijd abusievelijk het geval is geweest, betekent voor de kantonrechter niet dat een ander (lager) tarief zou moeten worden toegepast.

2.13.

Het gemiddelde uurtarief van een bouwkundig tekenaar ligt volgens algemene bronnen op € 60,- à € 70,- exclusief btw. De kantonrechter sluit daarbij aan en stelt het te vergoeden uurtarief vast op € 65,- exclusief btw. Dat is € 78,65 inclusief btw.

Conclusie: [gedaagde] moet een hoofdsom van € 12.027,80 betalen

2.14.

Uitgaande van de hiervoor genoemde tarieven stelt de kantonrechter het bedrag dat [gedaagde] nog aan [eiser] moet betalen vast op:

  • 197 uren à € 108,90 inclusief btw voor architectenwerk: € 21.453,30 inclusief btw
  • 34 uren à € 78,65 inclusief btw voor tekenwerk: € 2.674,10 inclusief btw

subtotaal: € 24.127,80 inclusief btw

-/- in mindering: voorschot (factuur van 7 april 2023) € 12.100,- inclusief btw

totaal: € 12.027,80 inclusief btw

[gedaagde] moet incassokosten van € 1.083,29 betalen

2.15.

Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 1.083,29 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de geëiste vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiser] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv), uitgaande van het toegewezen bedrag aan hoofdsom.

[gedaagde] moet rente betalen

2.16.

De geëiste rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet afzonderlijk heeft betwist.

De overige verweren van [gedaagde] hoeven niet te worden besproken

2.17.

Omdat het subsidiaire verweer van [gedaagde] deels slaagt, hoeven de overige verweren niet beoordeeld te worden.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.18.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij in belangrijke mate ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [gedaagde] moet nog een bedrag aan [eiser] betalen, de dagvaarding is daarom niet ten onrechte uitgebracht. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 122,25 aan dagvaardingskosten, € 732,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt van € 577,- voor het bijwonen van de mondelinge behandeling) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.575,25. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.19.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen afzonderlijk bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 13.111,09 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 12.027,80 vanaf 22 november 2023 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.575,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.

43416

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.