Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Overijssel, 22 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6419Zaaknummer 08-177703-26(P)

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
08-177703-26(P)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Almelo
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 23-jarige man tot een gevangenisstraf van 28 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte is schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie. Verdachte heeft zich bij zijn aanhouding ook schuldig gemaakt aan wederspannigheid en belediging van verschillende politieambtenaren.

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart dat het bewezen verklaarde “vervoeren” (feit 1) geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart het overige bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en

munitie, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf: wederspannigheid, meermalen gepleegd;

feit 3, het misdrijf: eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. P.A.M. Miltenburg en

mr. R.G.J. Gehring, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026306877. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

  • Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 26 en 27;
  • Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 5] van 23 juni 2026, pagina 63 en 64.

Feit 2 en 3

De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebezigd tot bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop de inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

  • Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 juni 2026, pagina 16;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 26 en 27;
  • Het proces-verbaal aangifte van [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 78 en 79;
  • Het proces-verbaal aangifte van [verbalisant 1] van 25 juni 2026, pagina’s 82 en 83.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek op de terechtzitting
  2. 2 De tenlastelegging
  3. 3 De bewijsmotivering
  4. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  5. 5 De strafbaarheid van verdachte
  6. 6 De op te leggen straf of maatregel
  7. 7 De toegepaste wettelijke voorschriften
  8. 8 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-177703-26 (P)

Datum vonnis: 22 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres],

nu verblijvende in de P.I. [verblijfplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden, mr. P.P.J. van der Meij en mr. A.V. Broekmeulen advocaten in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 juni 2026 in Goor:

feit 1: een pistoolmitrailleur en 49 kogelpatronen heeft vervoerd en/of voorhanden heeft gehad;

feit 2: zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van politie eenheid Oost-Nederland;

feit 3: meermalen politieambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van politie eenheid Oost-Nederland heeft beledigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een

pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model VZ 61 (Skorpion), kaliber 7,65 br., zijnde een

vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

een hoeveelheid (49 stuks) kogelpatronen van het kaliber 7.65 br (.32 auto),

heeft vervoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent bij de eenheid

Oost-Nederland, en/of [verbalisant 2], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 3], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 4], agent bij de eenheid Oost-Nederland, allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte (teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor), door:

- meermalen, althans eenmaal, zich in tegengestelde richting te bewegen dan die waarin

voornoemde verbalisant(en) hem trachtte(n) te bewegen,

- aan het koord van de pepperspray van verbalisant te trekken,

- meermalen, althans eenmaal, te spugen in de richting van voornoemde verbalisant(en), en/of

- meermalen, althans eenmaal, zijn spieren aan te spannen;

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk

een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 2], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 3], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 4], agent bij de eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening,

in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden en/of mondeling heeft beledigd door in de richting

van voornoemde verbalisanten te spugen en/of door hen de woorden toe te voegen:

- " kankerhoeren,

- kankerlijers,

- ik ga jullie moeders pakken en bespugen,

- kankerjong,

- tyfuslijers,

- teringlijer,

- kankerwijf,

- kankerhoertje,

- kankerkind, en/of

- kankerhoerenzoon",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 De bewijsmotivering

3.1

Feiten 1, 2 en 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit- conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Vervoeren (feit 1)

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte met het automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie is aangetroffen in een (door hem gehuurd) voertuig, wat verdachte ook heeft bevestigd. Kort daarvoor is verdachte door een melder nog rijdend in datzelfde voertuig gezien. Volgens de melder was verdachte ook degene die het voertuig bestuurde. De politie trof, eenmaal ter plaatse, in het voertuig alleen verdachte en geen ander persoon aan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook het vervoeren van het vuurwapen en de munitie wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De rechtbank houdt het ervoor dat verdachte dit tegen beter weten in heeft ontkend en zal alsnog volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

3.2

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een

pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model VZ 61 (Skorpion), kaliber 7,65 br., zijnde een

vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid (49 stuks) kogelpatronen van het kaliber 7.65 br (.32 auto), heeft vervoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 2], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 3], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 4], agent bij de eenheid Oost-Nederland, allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte (teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor), door:

- meermalen, althans eenmaal, zich in tegengestelde richting te bewegen dan die waarin

voornoemde verbalisant(en) hem trachtte(n) te bewegen,

- aan het koord van de pepperspray van verbalisant te trekken,

- meermalen, althans eenmaal, te spugen in de richting van voornoemde verbalisant(en), en/of

- meermalen, althans eenmaal, zijn spieren aan te spannen;

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2026 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 2], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 3], hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland, en/of [verbalisant 4], agent bij de eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden en/of mondeling heeft beledigd door in de richting van voornoemde verbalisanten te spugen en/of door hen de woorden toe te voegen:

- " kankerhoeren,

- kankerlijers,

- ik ga jullie moeders pakken en bespugen,

- kankerjong,

- tyfuslijers,

- teringlijer,

- kankerwijf,

- kankerhoertje,

- kankerkind, en/of

- kankerhoerenzoon",.

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank stelt ten aanzien van feit 1 vast dat de bewezenverklaring meerdere strafbare gedragingen betreft met betrekking tot een wapen van categorie II en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie (WWM), namelijk het vervoeren en het voorhanden hebben daarvan. Het vervoeren van een wapen of munitie van de categorieën II en III is op grond van artikel 22, lid 1, WWM alleen verboden zonder vergunning of verlof tot vervoer, maar dit is niet op deze manier ten laste gelegd. Het bewezen verklaarde vervoeren kan dan ook niet gekwalificeerd worden als het strafbare feit zoals in artikel 22, lid 1, WWM is vermeld. De rechtbank ontslaat verdachte daarom op dit onderdeel van alle rechtsvervolging.

Het bewezenverklaarde onder feit 2 en 3 is strafbaar gesteld in de artikelen 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het bewezenverklaarde voorhanden hebben onder feit 1 is strafbaar gesteld in de artikelen 26 en 55 WWM. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: wederspannigheid, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van maximaal vijftien maanden passend is. De verdediging heeft daarnaast te kennen gegeven dat zij het wenselijk acht dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd. De voorwaardelijke straf kan voor verdachte fungeren als stok achter deur om geen nieuwe delicten te plegen wanneer hij weer in vrijheid wordt gesteld.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie. Het feit is gepleegd in de openbare ruimte en het vuurwapen en de munitie had verdachte binnen handbereik. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot grote onveiligheid in de maatschappij.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich tegen meerdere politieambtenaren te verzetten bij zijn aanhouding. Door zo te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag. Zelfs na het lossen van een waarschuwingsschot bleef verdachte zich verzetten, wat sterke gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt bij de betrokken verbalisanten. Verdachte heeft zich ten tijde van zijn aanhouding ook schuldig gemaakt aan de belediging van meerdere politieambtenaren. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Politieambtenaren moeten in het belang van de openbare orde en de veiligheid hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder met beledigingen geconfronteerd te worden en dienen niet gehinderd te worden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 10 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Op 29 juli 2024 is verdachte door deze rechtbank veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor, onder meer, het bezit van een vuurwapen en de bedreiging en belediging van een politieambtenaar. Ook in 2022 en 2021 is verdachte – in totaal drie keer – veroordeeld voor de belediging van een politieambtenaar.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 september 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een zorgelijk patroon van grensoverschrijdend (delict)gedrag. De reclassering ziet bij verdachte instabiliteit op het gebied van psychosociaal functioneren, middelengebruik en dagbesteding. Eerdere reclasseringstoezichten hebben niet geleid tot een bestendige gedragsverandering bij verdachte. Verdachte heeft zich herhaaldelijk niet gehouden aan opgelegde voorwaarden, waardoor eerder opgelegde behandeltrajecten niet van de grond zijn gekomen. Dit maakt dat de problematiek van verdachte nog onbehandeld is en naar inzicht van de reclassering hoge risico’s met zich meebrengt. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De reclassering acht interventies noodzakelijk, maar heeft sterke twijfels bij de haalbaarheid van een reclasseringstoezicht. De reclassering komt dan ook tot het advies om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

De strafoplegging

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Gelet daarop, en gezien de ernst van de gepleegde feiten, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur hiervan weegt de rechtbank ook de volgende omstandigheden mee.

De rechtbank weegt als strafverzwarend mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat eerdere strafopleggingen verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw dit soort ernstige feiten te plegen.

De rechtbank houdt ook in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en de gevolgen daarvan voor onder meer de vier betrokken politieambtenaren. Verdachte heeft ook ter zitting geen blijk van inzicht gegeven in de ernst van de gepleegde feiten. Verdachte noemde de gepleegde feiten ”niet zo handig” en maakte daarmee op de rechtbank een zeer nonchalante indruk.

Hoewel verdachte ter zitting kenbaar heeft gemaakt open te staan voor reclasseringstoezicht en de verdediging heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om over te gaan tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien de houding van verdachte en het verloop van eerdere reclasseringscontacten, heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen in het slagen van een nieuw op te leggen reclasseringstoezicht.

Alles afwegende is de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, van oordeel dat passend en geboden is aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart dat het bewezen verklaarde “vervoeren” (feit 1) geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart het overige bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en

munitie, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf: wederspannigheid, meermalen gepleegd;

feit 3, het misdrijf: eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. P.A.M. Miltenburg en

mr. R.G.J. Gehring, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026306877. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

  • Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 26 en 27;
  • Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 5] van 23 juni 2026, pagina 63 en 64.

Feit 2 en 3

De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebezigd tot bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop de inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

  • Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 juni 2026, pagina 16;
  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 26 en 27;
  • Het proces-verbaal aangifte van [verbalisant 3] van 21 juni 2026, pagina’s 78 en 79;
  • Het proces-verbaal aangifte van [verbalisant 1] van 25 juni 2026, pagina’s 82 en 83.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.