Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6406Zaaknummer C/08/339575 / HA ZA 25-355
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/339575 / HA ZA 25-355
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over een schenking vóór faillissement door een gefailleerde van een 50%-deel van de eigendom van een woning aan zijn kinderen. De stelling van de curator is dat deze schenking paulianeus was en dus door hem buitengerechtelijk kon worden vernietigd. De gefailleerde betwist dat sprake was van een onverplichte rechtshandeling en evenzeer dat hij wist of behoorde te weten dat sprake was van benadeling van schuldeisers. De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten van artikel 42 Fw is voldaan. Voor recht wordt verklaard dat de curator rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd.
De rechtbank
verklaart voor recht dat de rechtshandelingen zoals opgenomen in de notariële akte van 20 oktober 2023, te weten de schenkingen, gevolgd door de leveringen van de in de akte genoemde aandelen in de onroerende za(a)k(en) aan de vier minderjarige kinderen van gedaagden paulianeuze rechtshandelingen zijn die op 10 december 2024 door de curator buitengerechtelijk zijn vernietigd,
gebiedt [gedaagden] om binnen 28 dagen na dit vonnis de schenkingen alsmede de hieruit voortvloeiende leveringen zoals vermeld in de notariële akte van 20 oktober 2023, (administratief) ongedaan te maken en die ongedaanmaking in de registers in te schrijven,
veroordeelt [gedaagden] om aan de curator een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in onderdeel 6.2. omschreven hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.827,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de in de onderdelen 6.2. tot en met 6.5. van dit vonnis omschreven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339575 / HA ZA 25-355
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
FREDRIKUS HOFF Q.Q.,
in de hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gedaagde 2],
kantoorhoudend in Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. F. Hoff,
tegen
1 mevrouw [gedaagde 1] Q.Q.,
in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
mevrouw [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011;
mevrouw [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014;
de heer [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016;
mevrouw [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022,
wonend in [woonplaats 1],
2 de heer [gedaagde 2] Q.Q.,
in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
mevrouw [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011;
mevrouw [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014;
de heer [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016;
wonend in [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M.B. Bollen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, die is betekend op 7 oktober 2025, met 10 producties,- de conclusie van antwoord, gedateerd 28 januari 2026, met 5 producties,- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de producties 11 tot en met 17 van de curator, overgelegd bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling,
- productie 6 van [gedaagden], overgelegd bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling,
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de zijde van de curator, voorgedragen door mr. Hoff tijdens de mondelinge behandeling,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [gedaagden], voorgedragen door mr. Bollen tijdens de mondelinge behandeling.
Aansluitend is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over een schenking vóór faillissement van de helft van de eigendom van een woning door de gefailleerde aan zijn kinderen. De stelling van de curator is dat deze schenking paulianeus was en dus door hem buitengerechtelijk kon worden vernietigd. De gefailleerde betwist dat sprake was van een onverplichte rechtshandeling en evenzeer dat hij wist of behoorde te weten dat sprake was van benadeling van schuldeisers. De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten van artikel 42 Fw is voldaan. Voor recht wordt verklaard dat de curator rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd.
3 De feiten
De heer [gedaagde 2] (hierna: ‘ [gedaagde 2] ’) en mevrouw [gedaagde 1] (hierna: ‘ [gedaagde 1] ’) hebben samen vier kinderen. Het betreft:
a. mevrouw [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011;
b. mevrouw [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014;
c. de heer [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016;
d. mevrouw [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022,
De vier kinderen worden hierna samen aangeduid als ‘de Kinderen’.
Volgens de kadastrale registers in Duitsland waren [gedaagde 2] en [gedaagde 1] sinds 29 juli 2015 beiden voor de helft eigenaar van een appartementencomplex in Duitsland, gelegen aan de [adres] (hierna: ‘het Appartement’).
Door middel van een bij een Duitse notaris gepasseerde notariële akte van 20 oktober 2023 heeft [gedaagde 2] zijn 50%-eigendomsdeel van het Appartement om niet in gelijke delen overgedragen aan de Kinderen.
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 21 augustus 2024 is [gedaagde 2] in staat van faillissement verklaard. De curator is daarbij aangesteld als faillissementscurator.
Bij brieven van 10 december 2024, gericht aan [gedaagde 2], [gedaagde 1] en de Kinderen, schrijft de curator het volgende:
“Uit onderzoek is mij gebleken dat [gedaagden] middels bijgaande notariële akte op 20 oktober 2023 uw 50% aandeel in de navolgende onroerende za(a)k(en) aan uw bovenvermelde minderjarige kinderen heeft geschonken:
(…)
Deze schenkingen kwalificeer ik als rechtshandelingen om niet. Nu deze rechtshandelingen berusten op een rechtsplicht en om niet (zonder enkele verband houdende reële tegenprestatie) zijn verricht binnen één jaar voor uw faillissement, is conform artikel 42 lid 1 en 2 Fw niet vereist dat u wetenschap heeft gehad van de benadeling en wordt op grond van artikel 45 Fw bovendien deze wetenschap vermoed.
Gezien het vorenstaande vernietig ik hierbij op grond van artikelen 42 jo 45 Fw (het samenstel van) de rechtshandeling(en) zoals opgenomen in bijgevoegde notariële akte van 20 oktober 2023, te weten de schenkingen, gevolgd door de leveringen van de in deze akte genoemde onroerende za(a)k(en) aan uw kinderen.”
4 Het geschil
De curator vordert, samengevat weergegeven:
primair:
- i) een verklaring voor recht dat de rechtshandelingen zoals opgenomen in de notariële akte van 20 oktober 2023 door hem rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd;
- ii) een gebod voor [gedaagden] om binnen 28 dagen na het vonnis de rechtshandelingen ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom;
- iii) een machtiging voor de curator om, indien ongedaanmaking als onder (ii) genoemd achterwege blijft, zelf over te gaan tot teruglevering en inschrijving daarvan in de registers;
- iv) een veroordeling van [gedaagden] om, indien zij niet binnen 50 dagen na betekening van het vonnis tot teruglevering overgaan, vervangende schadevergoeding te betalen, tot een bedrag van € 375.000,00, te vermeerderen met rente;
subsidiair:
- v) een verklaring voor recht dat de Kinderen, als gevolg van de in de notariële akte van 20 oktober 2023 opgenomen schenkingen, ongerechtvaardigd zijn verrijkt;
- vi) een veroordeling van [gedaagden] om, bij wijze van schadevergoeding in natura, de schenkingen opgenomen in de notariële akte van 20 oktober 2023 ongedaan te maken en deze ongedaanmaking in te schrijven in de openbare registers, op straffe van een dwangsom;
- vii) een veroordeling van [gedaagden] om, indien zij niet binnen 50 dagen na betekening van het vonnis tot teruglevering overgaan, vervangende schadevergoeding te betalen, tot een bedrag van € 375.000,00, te vermeerderen met rente.
Het standpunt van de curator is dat sprake is geweest van een onverplichte rechtshandeling, omdat er voor [gedaagde 2] geen rechtsplicht bestond tot de overdracht om niet van zijn deel van het Appartement aan de Kinderen. Omdat door de Kinderen in 2023 aan [gedaagde 2] geen tegenprestatie is geleverd voor de overdracht van het appartementsdeel, is volgens de curator sprake van benadeling van de schuldeisers van de boedel. De curator voert ook nog aan dat de rechtshandeling in kwestie door [gedaagde 2] is verricht binnen één jaar vóór datum faillissement van [gedaagde 2], waardoor een wettelijk vermoeden geldt dat [gedaagde 2] wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers een gevolg van de rechtshandeling zou zijn. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagden] (zie hierna) heeft de curator gemotiveerd betwist dat tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 24 december 2017 een overeenkomst tot stand is gekomen met een inhoud als door [gedaagden] gesteld. De curator heeft bovendien het standpunt ingenomen dat de door [gedaagden] gestelde overeenkomst naar Duits recht nietig is.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curator. [gedaagden] leggen aan hun verweer het standpunt ten grondslag dat zij op 24 december 2017 een overeenkomst hebben gesloten, die de basis vormde voor de levering in 2023. Artikel 1 lid 1 van die volgens [gedaagden] tot stand gekomen overeenkomst luidt als volgt:
“De Woning is aangekocht ten behoeve van de Kinderen en moet in geval van overlijden, ziekte, handelingsonbekwaamheid of andere onvoorziene omstandigheden van Partij 1 en/of Partij 2 onverwijld worden overgedragen aan de Kinderen. Deze overdracht dient plaats te vinden door middel van een notariële akte, conform § 311b BGB.”[_83f009be-d213-4576-bd25-5ac973019eed]
[gedaagden] betogen dat [gedaagde 2] in 2023 ‘ziek’ was als bedoeld in artikel 1 lid 1 als hierboven geciteerd. Gelet daarop is volgens [gedaagden] geen sprake geweest van een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw. Evenmin was bij [gedaagde 2] sprake van enige wetenschap van benadeling van schuldeisers van de boedel, aldus [gedaagden]
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Faillissementspauliana
De curator vordert onder I een verklaring voor recht dat de in de leveringsakte van 20 oktober 2023 opgenomen rechtshandelingen door hem rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd. De curator heeft daarbij onder meer een beroep gedaan op artikel 42 Fw.
Artikel 42 lid 1 Fw bepaalt dat een curator ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring kan vernietigen.
Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde 2] op 20 oktober 2023 onverplicht een rechtshandeling aangegaan, door zijn appartementsdeel van 50% om niet aan de Kinderen over te dragen. De rechtbank ziet in de door [gedaagden] in het geding gebrachte (gestelde) overeenkomst van 24 december 2017 onvoldoende aanknopingspunten voor de uitleg dat op 20 oktober 2023 op [gedaagde 2] een verbintenis rustte om zijn appartementsdeel om niet aan de Kinderen over te dragen.
De rechtbank wijst er ten eerste op dat in de (gestelde en door de curator betwiste) overeenkomst van 24 december 2017 wordt gesproken over “overdracht”, niet over ‘overdracht om niet’ of over ‘schenking’. Een overdracht om niet of een schenking is iets fundamenteel anders dan een overdracht tegen een bepaalde waarde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagden] aangevoerd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in 2017 met “overdracht” hebben gedoeld op een schenking, maar die stelling is onvoldoende feitelijk onderbouwd en wordt daarom door de rechtbank verworpen.
Ten tweede geldt dat [gedaagde 2] in 2023 een 50%-deel van het Appartement heeft overgedragen aan de Kinderen, terwijl in de (gestelde) overeenkomst uit 2017 geen onderscheid wordt gemaakt tussen delen van het Appartement. Er wordt gesproken over “de Woning” die “moet (…) worden overgedragen”, wat er veeleer op wijst dat het gaat over het geheel en niet over een deel van het Appartement.
Ten derde geldt dat [gedaagden] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt dat in 2023 was voldaan aan een voorwaarde die in de (gestelde) overeenkomst uit 2017 wordt genoemd voor overdracht van het Appartement. Het begrip ‘ziekte’ is in artikel 1 lid 1 van (of elders in) de (gestelde) overeenkomst uit 2017 niet gedefinieerd. Daardoor is onduidelijk of [gedaagde 2] in oktober 2023 kwalificeerde als ziek in de zin van de (gestelde) overeenkomst uit 2017. Meer in het bijzonder is onduidelijk gebleven waarom dat in oktober 2023 pas het geval zou zijn geweest en daarvóór niet, gelet op (i) de term ‘onverwijld’ in de (gestelde) overeenkomst en (ii) de stellingen van [gedaagden] dat [gedaagde 2] kampt met ‘wezenlijk psychische klachten waarvoor hij al jarenlang onder behandeling staat’, welke klachten volgens [gedaagden] vanaf 2017 heviger zijn geworden.
Al met al is het oordeel van de rechtbank dat de (gestelde) overeenkomst van 24 december 2017 niet zo kan worden uitgelegd dat op [gedaagde 2] een verbintenis rustte die hem ertoe verplichtte om op 20 oktober 2023 om niet zijn 50%-deel van het Appartement over te dragen aan de Kinderen. De conclusie is daarom dat [gedaagde 2] een onverplichte rechtshandeling is aangegaan, als bedoeld in artikel 42 lid 1 Fw.
Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of de curator terecht aanvoert dat (i) tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 24 december 2017 überhaupt geen overeenkomst tot stand is gekomen en (ii) deze overeenkomst, als die al tot stand is gekomen, naar Duits recht nietig is. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat op 24 december 2017 een overeenkomst tot stand is gekomen als door [gedaagden] gesteld én deze niet nietig is naar Duits recht, heeft alsnog te gelden dat [gedaagde 2] op 20 oktober 2023 onverplicht een rechtshandeling is aangegaan als bedoeld in artikel 42 lid 1 Fw.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de rechtshandeling op 20 oktober 2023 door [gedaagde 2] om niet is verricht. Die rechtshandeling is verricht binnen één jaar voor de faillietverklaring van [gedaagde 2] (op 21 augustus 2024), zodat op grond van artikel 45 Fw wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn. Ook los daarvan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] in ieder geval – geobjectiveerd gezien – had behoren te weten dat door zijn schenking aan de Kinderen sprake was van benadeling van zijn schuldeisers. Het appartementsdeel vertegenwoordigde immers een aanzienlijke waarde die uit het vermogen van [gedaagde 2] verdween, zonder dat hij daar iets voor terugkreeg.
De rechtbank verwerpt daarbij het verweer van [gedaagden] dat, voor het beoordelen van het vereiste van wetenschap van benadeling van schuldeisers, niet alleen moet worden gekeken naar de leveringsakte uit 2023 maar ook naar 2017, toen volgens [gedaagden] de overeenkomst tot stand kwam die de basis vormde voor de levering in 2023. Artikel 42 lid 1 Fw heeft het over “elke rechtshandeling” van de schuldenaar. Daaruit volgt dat in potentie elke rechtshandeling die de schuldenaar verricht voor vernietiging in aanmerking komt, mits aan de vereisten van de artikel 42 lid 1 Fw is voldaan. Dat geldt dus ook voor de rechtshandeling van 20 oktober 2023. Voor een onderbouwing van het oordeel dat ten aanzien van de leveringsakte van 20 oktober 2023 is voldaan aan de vereisten van artikel 42 lid 1 Fw, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor in dit vonnis heeft overwogen.
Ook is onjuist het verweer van [gedaagden] gegrond op artikel 47 Fw. Een dergelijk beroep zou alleen kunnen slagen, indien sprake zou zijn geweest van een opeisbare schuld die [gedaagde 2] zou hebben aan de Kinderen. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een dergelijke opeisbare schuld.
De conclusie is dat de door de curator onder I gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Rechtsgevolgen buitengerechtelijke vernietiging
Onder II vordert de curator – kort gezegd – ongedaanmaking van de rechtsgevolgen die zijn voortgevloeid uit het passeren van de notariële akte op 20 oktober 2023. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat beide partijen hieronder een administratieve ongedaanmaking verstaan, in die zin dat de openbare registers in overeenstemming worden gebracht met de juridische werkelijkheid zoals die bestaat na de buitengerechtelijke vernietiging door de curator en het oordeel van de rechtbank dat die terecht is geweest.
Nu de rechtbank hiervoor tot het oordeel komt dat de in de leveringsakte van 20 oktober 2023 opgenomen rechtshandelingen door de curator rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd, kan ook vordering sub II worden toegewezen.
De rechtbank ziet aanleiding om de hiervoor gevorderde dwangsom fors te matigen, omdat de hoofdveroordeling louter ziet op een administratieve handeling. De dwangsom wordt beperkt tot € 2.500,00 per (gedeelte van de) dag dat niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 50.000,00.
Vordering sub III van de curator wordt afgewezen. Deze vordering van de curator, die ziet op het verlenen van een machtiging, berust op de gedachte dat – na de buitengerechtelijke vernietiging – nog een teruglevering van het appartementsdeel dient plaats te vinden voordat deze weer in het vermogen van de boedel valt. Dat is – naar Nederlands recht – niet het geval. Immers (i) een (buitengerechtelijke) vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (3:53 lid 1 BW) en heeft goederenrechtelijk effect, terwijl (ii) voor de overdracht van een goed een geldige titel is vereist (artikel 3:84 lid 1 BW). Door de buitengerechtelijke vernietiging van de zijde van de curator en het oordeel van de rechtbank dat deze buitengerechtelijk vernietiging het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft gehad, is het 50%-appartementsdeel dat onderwerp was van de notariële akte van 20 oktober 2023, met terugwerkende kracht teruggevallen in het vermogen van de boedel. Met andere woorden: [gedaagde 2] is altijd eigenaar gebleven. Een leveringshandeling is niet nodig.
Het voorgaande geldt naar Nederlands recht. Naar Duits recht zou dit anders kunnen zijn, maar de rechtbank constateert dat partijen zich daarover in het geheel niet hebben uitgelaten.
Vordering sub IV van de curator wordt ook afgewezen, op grond van dezelfde motivering als de afwijzing van vordering sub III.
Subsidiaire vordering
De subsidiaire vorderingen van de curator (sub V tot en met VII) hoeven niet te worden behandeld. De vorderingen sub V tot en met VII gaan alle uit van de premisse dat de onder I gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen. Die premisse is onjuist, omdat deze wel wordt toegewezen.
Proceskosten
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 145,25 | |
| - griffierecht | € | 2.723,00 | |
| - salaris advocaat | € | 5.770,00 | (2 punten × € 2.885,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 8.827,25 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6 De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat de rechtshandelingen zoals opgenomen in de notariële akte van 20 oktober 2023, te weten de schenkingen, gevolgd door de leveringen van de in de akte genoemde aandelen in de onroerende za(a)k(en) aan de vier minderjarige kinderen van gedaagden paulianeuze rechtshandelingen zijn die op 10 december 2024 door de curator buitengerechtelijk zijn vernietigd,
gebiedt [gedaagden] om binnen 28 dagen na dit vonnis de schenkingen alsmede de hieruit voortvloeiende leveringen zoals vermeld in de notariële akte van 20 oktober 2023, (administratief) ongedaan te maken en die ongedaanmaking in de registers in te schrijven,
veroordeelt [gedaagden] om aan de curator een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in onderdeel 6.2. omschreven hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.827,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de in de onderdelen 6.2. tot en met 6.5. van dit vonnis omschreven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Voetnoten
- In Overeenkomst wordt ‘de Woning’ gedoeld op het Appartement in Meinerzhagen in Duitsland. Met ‘Partij 1’ wordt gedoeld op [gedaagde 1], met ‘Partij 2’ op [gedaagde 2]. Met ‘de Kinderen’ wordt gedoeld op de gezamenlijke kinderen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.