Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6228Zaaknummer 12136328 \ CV EXPL 26-796
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12136328 \ CV EXPL 26-796
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Overeenkomst levering internetdiensten. Misbruik van recht, bedrog en dwaling. Opzegvergoeding.
6 De beslissing
De kantonrechter
In conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 1.082,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 17 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
wijst de vordering van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Proximedia begroot op € 216,00.
In conventie en reconventie
verklaart het onder 6.1, 6.2 en 6.6 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,
| Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12136328 \ CV EXPL 26-796
Vonnis van 6 oktober 2026
in de zaak van
PROXIMEDIA NEDERLAND B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Proximedia,
gemachtigde: mr. R. Erkelens,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.B. Beerentsen.
1 Samenvatting
[gedaagde] heeft met Proximedia een overeenkomst gesloten die inhield dat Proximedia een website en verschillende (internet)diensten zou leveren en [gedaagde] daarvoor maandelijks een bijdrage moest betalen. [gedaagde] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan. Kern van het geschil in conventie is of Proximedia aanspraak kan maken op de achterstallige maandelijkse bijdragen en een opzegvergoeding en in reconventie of de overeenkomst vernietigd moet worden. De kantonrechter wijst de vorderingen van Proximedia in conventie gedeeltelijk, voor zover deze zien op de achterstallige termijnen, toe en de vordering van [gedaagde] in reconventie af. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 februari 2026 met producties 1 tot en met 12,- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 en 2,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de aanvullende productie 13 van Proximedia,
- de mondelinge behandeling van 4 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Proximedia is hierbij verschenen, vertegenwoordigd door [naam] (manager debiteuren) en vergezeld door haar gemachtigde. [gedaagde] is verschenen met mr. M.B. Beerentsen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
Proximedia is een bedrijf dat op internet gebaseerde producten en diensten aanbiedt.
Op 22 februari 2024 hebben partijen met elkaar een overeenkomst gesloten voor het maken van landingspagina’s, call tracking en SEA, met een looptijd van 24 maanden. De voor [gedaagde] uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting bestond, naast een eenmalig bedrag van € 199,00 aan dossierkosten, uit een maandelijkse bijdrage van € 216,59 inclusief BTW.
Artikel 8.3. van de overeenkomst luidt als volgt:
“In alle gevallen van contractbreuk door de Abonnee, anders dan op grond van een toerekenbaar tekortschieten van MKB ClickService [lees: Proximedia, verduidelijking kantonrechter] in de nakoming van haar verbintenis, is deze gehouden om aan MKB ClickService de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Deze schade wordt forfaitair vastgelegd op een som die gelijk is aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen, voor de nog lopende periode (excl. SEA / SMA maandbudget).
Onverminderd het recht om volledige nakoming van de overeenkomst te verlangen.”
Proximedia heeft voor [gedaagde] de ‘Landingspagina’s’ en ‘Call Tracking’ ontwikkeld en online gezet. Ook heeft Proximedia voor [gedaagde] een SEA campagne aangemaakt bij Google AdWords. Op 7 en 15 maart 2024 is [gedaagde] hierover geïnformeerd.
[gedaagde] heeft van 31 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024 een betalingsachterstand laten ontstaan van € 1.082,95.
[gedaagde] heeft op enig moment bij Proximedia aangegeven dat hij met zijn onderneming wil stoppen en dat hij van het contract af wil. Op 24 juni 2024 heeft Proximedia [gedaagde] bij e-mail verzocht een bewijs van de uitschrijving van de onderneming uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) te overleggen. Op 13 september 2024 heeft [gedaagde] de uitschrijving overgelegd, waarna Proximedia op 16 september 2024 een voorstel heeft gedaan de openstaande schuld en de resterende termijnen van het contract tegen 40% te voldoen. Hierop heeft [gedaagde] niet gereageerd.
Op 11 december 2024 heeft Proximedia [gedaagde] medegedeeld dat zij de dienstverlening per die datum heeft opgeschort totdat het openstaande saldo is voldaan. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
4 Het geschil
In conventie en reconventie
Proximedia vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.560,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 13 februari 2026, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening over € 2.036,55. Het bedrag van € 2.560,55 bestaat uit:
- € 1.082,95 aan facturen van 31 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024;
- € 953,60 aan opzegginsvergoeding, bestaande uit 40% van de termijnbedragen van de resterende 16 maanden;
- € 305,48 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
- € 218,52 aan rente, berekend tot 13 februari 2026.
Proximedia legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ondanks herhaalde sommatie, de facturen niet heeft betaald. Zij vordert daarom betaling van deze facturen. Omdat [gedaagde] zijn betalingsverplichting niet is nagekomen heeft Proximedia met verwijzing naar artikel 8.3 van de overeenkomst een forfaitaire vergoeding bij [gedaagde] in rekening gebracht. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is gegrond op de overeengekomen (en van de wet afwijkende) regeling.
[gedaagde] voert verweer. Het verweer komt erop neer dat de overeenkomst met Proximedia door misbruik van omstandigheden, bedrog en/of dwaling tot stand is gekomen. Op grond hiervan vordert [gedaagde] in reconventie om de overeenkomst te vernietigen met veroordeling van Proximedia in de proceskosten. Omdat de overeenkomst vernietigbaar is hoeft [gedaagde] in conventie de facturen en opzegvergoeding niet te betalen. En anders hoeft hij de opzegvergoeding ook niet te betalen omdat deze in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan wel hoeft hij slechts een lager bedrag aan opzegvergoeding te voldoen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Wegens de nauwe samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk beoordeeld.
Er is geen grondslag voor vernietiging van de overeenkomst
[gedaagde] stelt zich allereerst op het standpunt dat de overeenkomst tussen partijen vernietigbaar is omdat er sprake is van bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW. [gedaagde] voert hiervoor aan dat de vertegenwoordiger van Proximedia bij het sluiten van de overeenkomst heeft toegezegd dat rekening zou worden gehouden met het feit dat het schoonmaakbedrijf van [gedaagde] zich in de opstartende fase bevond. Het bedrijf was namelijk volledig afhankelijk van het wel of niet verkrijgen van Bbz bijstand voor startende ondernemers vanuit de gemeente. Tegen hem is gezegd dat het bouwen van de website enige tijd zou duren, hij de diensten alleen maar hoefde “te gebruiken als het bedrijf door zou gaan” en dat hij in dat geval ook een korting van 40% zou krijgen. En anders kon hij eenvoudig van de overeenkomst af. Wel moest [gedaagde] de overeenkomst alvast tekenen om van het aanbod gebruik te maken. Daarnaast heeft [gedaagde] feitelijk geen tijd gehad om de overeenkomst te lezen en is hem geen bedenktijd geboden, aldus [gedaagde].
De kantonrechter volgt [gedaagde] echter niet in zijn stelling dat sprake is van bedrog. Voor bedrog is immers vereist dat iemand, in dit geval Proximedia, een ander, in dit geval [gedaagde], tot het sluiten van de overeenkomst beweegt door een opzettelijke, onjuiste mededeling of verzwijging of andere kunstgreep. Nog los van het feit dat niet is gebleken dat er sprake was van enige opzet van de zijde van Proximedia, komt ook niet vast te staan dat Proximedia [gedaagde] onjuist zou hebben ingelicht. Zo ontkent Proximedia steevast dat zij tijdens het gesprek van 22 februari 2024 tegen [gedaagde] zou hebben gezegd zij rekening zou houden met het feit dat het bedrijf van [gedaagde] zich nog in de opstartfase bevond en afhankelijk was van Bpz bijstand. Als dat zou zijn gezegd, zou dat volgens Proximedia namelijk in de overeenkomst zijn opgenomen bijvoorbeeld door het vermelden van een latere ingangsdatum. Dat is hier niet gebeurd, aldus Proximedia. Ook valt naar het oordeel van de kantonrechter de verklaring van [gedaagde] dat hem zou zijn verteld hij de diensten pas hoefde te gebruiken op het moment dat hij wist dat hij in aanmerking zou komen voor Bpz bijstand niet te rijmen met zijn gedrag vlak na het sluiten van de overeenkomst. [gedaagde] heeft namelijk de eerste maandelijkse termijnen (maart en april 2024) zonder protest betaald, terwijl hij op dat moment nog niet had gehoord of hij bijstand zou ontvangen. Gelet op dit alles komt niet vast te staan dat Proximedia aan [gedaagde] een onjuiste mededeling heeft gedaan.
Ook van een andere kunstgreep is geen sprake. Dat [gedaagde] geen lees- of bedenktijd zou hebben gekregen, zoals hij bij conclusie van antwoord stelt, sluit niet aan bij zijn verklaring op zitting dat hij de overeenkomst na daarover gesproken te hebben met een vertegenwoordiger in goed vertrouwen (zonder te lezen) heeft ondertekend.
Omdat hiervoor is overwogen dat niet vast staat dat Proximedia aan [gedaagde] een onjuiste mededeling heeft gedaan, faalt ook [gedaagde]’s beroep op dwaling, waaraan [gedaagde] dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
Ten slotte is er naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval ook geen sprake van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. [gedaagde]’s stelling komt er, in de kern, op neer dat Proximedia wist dan wel moest begrijpen dat hij een onervaren starter in een vreemd land was, die bovendien de taal niet genoeg beheerste en dat dit Proximedia ervan had moeten weerhouden om hem te bewegen tot het sluiten van deze overeenkomst. De kantonrechter is allereerst van oordeel dat deze omstandigheden in dit geval niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in voornoemd artikel. [gedaagde] stelt een onervaren starter te zijn, maar tegelijk blijkt dat hij al sinds 26 oktober 2022 stond ingeschreven bij de KvK en al op 17 oktober 2023 een aanvraag had ingediend voor zakelijke bijstand. [gedaagde] was dus al enige tijd bezig met het van de grond krijgen van zijn schoonmaakbedrijf. Ook weerhielden de door hem aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden ten grondslag gelegde factoren hem er niet van om de juiste stappen te nemen voor het opstarten van een onderneming, namelijk een inschrijving bij de KvK en het aanvragen van financiering. Daar komt nog bij dat het sluiten van deze overeenkomt met Proximedia niet op voorhand nadelig was voor [gedaagde]. De overeenkomst had namelijk ook in zijn voordeel kunnen uitpakken als [gedaagde] wel een Bpz uitkering had ontvangen. Hij ha dan immers van meet af aan over een website beschikt waarmee klanten hem zouden kunnen vinden. Zelfs als [gedaagde] onervaren was en Proximedia dat wist of moest begrijpen, had zij hem dus niet hoeven weerhouden van het sluiten van de overeenkomst.
Er is dus geen sprake van misbruik van omstandigheden, bedrog en/of dwaling. Dit betekent dat de overeenkomst naar het oordeel van de kantonrechter niet vernietigbaar is. De vordering in reconventie zal dus worden afgewezen.
[gedaagde] moet de (openstaande) facturen betalen
Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig tot stand is gekomen en deze niet zal worden vernietigd. Omdat [gedaagde] niet heeft weersproken dat Proximedia de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht en dat hij tussen 31 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024 facturen van in totaal € 1.082,95 niet heeft betaald, zal [gedaagde] in conventie worden veroordeeld tot betaling hiervan.
[gedaagde] hoeft geen opzeggingsvergoeding te betalen
Proximedia maakt op grond van artikel 8.3 aanspraak op een opzeggingsvergoeding omdat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen niet is nagekomen. Volgens Proximedia bedraagt die vergoeding € 953,60.
[gedaagde] heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om die kosten in rekening te brengen. Hoewel bij toepassing van deze norm de nodige terughoudendheid op zijn plaats is, ziet de kantonrechter in de gegeven omstandigheden aanleiding om aan deze rechtsregel toepassing te geven. Voorop staat dat er in deze zaak sprake is van een grote onderneming, die tegenover een eenmanszaak met beperkte financiële armslag staat. Relevant acht de kantonrechter verder dat niet is gebleken dat de vergoeding die Proximedia bij opzegging vraagt (namelijk 40% van de resterende termijnen) in enige verhouding staat tot de kosten die zij heeft gemaakt. Weliswaar heeft Proximedia hier ter zitting in algemene bewoordingen over aangevoerd dat haar businessmodel erop gebaseerd is dat de kosten voor het maken van de landingspagina’s, het onderhoud en de optimalisering daarvan door een online marketeer worden verspreid over de facturen gedurende de looptijd van de overeenkomst (in dit geval 24 maanden). Maar dit is voor de kantonrechter, zonder verdere toelichting, onvoldoende om aan te nemen dat het forfaitair bepaalde percentage van 40% in dit specifieke geval een redelijke vergoeding is voor het door Proximedia geleden verlies. Te meer nu vast staat dat Proximedia in ieder geval na de opschorting op 11 december 2024 geen werkzaamheden meer heeft verricht en [gedaagde] tot dat moment al een aanzienlijk deel van de facturen heeft betaald, dan wel daartoe na deze uitspraak gehouden is. Uit de algemene toelichting van Proximedia blijkt niet dat deze facturen onvoldoende zijn om de kosten voor het maken van de landingspagina’s en andere diensten te dekken. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het handhaven van de vergoeding in de gegeven omstandigheden tot een onrechtvaardige uitkomst zou kunnen leiden en het daarmee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid inderdaad onaanvaardbaar is dat [gedaagde] nog een opzeggingsvergoeding van € 953,60 verschuldigd is. Het verweer van [gedaagde] slaagt en de vordering wordt op dit punt dus afgewezen.
De wettelijke handelsrente
Proximedia vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de gevorderde factuurbedragen. Nu alleen het bedrag van € 1.082,95 aan facturen toewijsbaar is, zal alleen hierover de wettelijke handelsrente worden toegewezen. De gevorderde rente tot 13 februari 2026 wordt afgewezen, omdat die rente ook is berekend over de opzeggingsvergoeding die niet toewijsbaar is. De kantonrechter zal de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag van € 1.082,95 bepalen op de dag van de dagvaarding, 17 februari 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
Proximedia heeft op grond van artikel 7 van de tussen partijen gesloten overeenkomst een bedrag van € 305,48 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter overweegt dat partijen een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-) kosten zijn overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
De kantonrechter hanteert als uitgangspunt dat buitengerechtelijke incassokosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstelling van het dossier. Proximedia heeft niet gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 op grond van artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
De proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten aan de zijde van Proximedia worden begroot op € 144,00 zijnde het salaris van de gemachtigde, plus nakosten van € 72,00, dus in totaal € 216,00.
6 De beslissing
De kantonrechter
In conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 1.082,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 17 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
wijst de vordering van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Proximedia begroot op € 216,00.
In conventie en reconventie
verklaart het onder 6.1, 6.2 en 6.6 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,
| Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.