Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Overijssel, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:4744Zaaknummer ZWO 25/1364

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
ZWO 25/1364
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almelo
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

PW. Intrekking en terugvordering € 26.749,-. Hoofdverblijf. Inlichtingenverplichting. Verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van

J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet het bestuursorgaan de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit.

Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van dat besluit voor een belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De beslissing op bezwaar moet op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb goed gemotiveerd zijn.

Participatiewet (Pw)

Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, voor zover van belang, herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw is de bijstandverlenende instantie gehouden de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Onverminderd het elders in die wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw is bepaald dat de bijstandverlenende instantie de kosten van bijstand kan terugvorderen voor zover de bijstand, anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, achtste lid, van de PW bepaalt dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres], uit [woonplaats], (hierna: eiseres)
  2. Samenvatting
  3. Inleiding
  4. Standpunt van het college
  5. Standpunten van eiseres
  6. Onderzoek ter zitting
  7. Beoordeling door de rechtbank
  8. Conclusie en gevolgen
  9. Beslissing
  10. Informatie over hoger beroep
  11. Bijlage: wettelijk kader

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1364

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], (hierna: eiseres)

gemachtigde: mr. D. Aygur,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college),

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering van in totaal € 26.749,-. Zij is het daar niet meer mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Inleiding

1. Eiseres heeft sinds 13 februari 2020 recht op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Via het project huisvesting statushouders heeft zij sindsdien een woning gekregen aan de [adres 1]. Per 30 maart 2023 is de bijstandsnorm omgezet naar die voor een alleenstaande ouder, vanwege de geboorte van haar dochter.

1.1.

Met het besluit van 25 november 2024 heeft het college besloten om haar uitkering vanaf 21 maart 2023 in te trekken. Met het besluit van 4 december 2024 is de uitkering over de periode van 21 maart 2023 tot en met 31 oktober 2024 teruggevorderd. Het gaat om een totaalbedrag van € 26.749,-. Tegen deze beslissingen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.2.

Met het bestreden besluit van 7 april 2025 op de bezwaren van eiseres is het college bij die besluiten gebleven. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld.

1.3.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn zonder afmelding niet verschenen.

Standpunt van het college

2. Volgens het college is uit onderzoek en de verklaringen van eiseres gebleken dat zij vanaf 21 maart 2023 haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres aan de [adres 1]. Zij verbleef periodes bij familie in Duitsland en bij de heer [naam] aan de [adres 2]. Door dit niet te melden heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden en kan niet worden vastgesteld dat zij over de periode van 21 maart 2023 tot en met 31 oktober 2024 recht had op een bijstandsuitkering. Daarom is besloten om de verstrekte uitkering over die periode terug te vorderen tot een totaalbedrag van € 26.749,-. Hiervoor baseert het college zich op de ‘Rapportage handhaving’ van 20 november 2024.

Standpunten van eiseres

3. Eiseres stelt dat de intrekking en terugvordering onterecht zijn, omdat zij altijd haar hoofdverblijf heeft gehouden aan de [adres 1]. Dit blijkt uit de bankafschriften met transacties en uitgaven in Nederland. Ook staat zij onafgebroken ingeschreven op het uitkeringsadres en zijn er geen aanwijzingen dat zij persoonlijk of huishoudelijk banden in Duitsland heeft opgebouwd die zouden kunnen wijzen op een duurzaam verblijf aldaar.

Na haar bevalling is zij slechts incidenteel en voor korte duur bij haar broer in Duitsland geweest. Dit was vanwege medische complicaties na de bevalling. Haar broer was haar enige familielid en beschikbare mantelzorger die haar ondersteunde in deze periode.

3.1.

Eiseres erkent dat zij haar tijdelijke verblijf in Duitsland niet expliciet heeft gemeld, maar stelt dat geen sprake is van een bewuste en verwijtbare schending van de inlichtingenplicht. Zij verkeerde oprecht in de veronderstelling dat een kortstondig verblijf bij haar broer in verband met medische zorg niet meldenswaardig was. Dit geldt te meer omdat zij eerder bij het college wel heeft gemeld dat zij haar woning op de 4e verdieping niet meer zelfstandig kon bereiken vanwege ernstige beenklachten en er geen lift aanwezig is.

3.2.

Ook stelt eiseres dat het college de conclusie over het hoofdverblijf niet met objectief en verifieerbaar bewijs heeft onderbouwd. Tijdens het huisbezoek zijn kleding, eten en verzorgingsproducten aangetroffen. Verder stelt eiseres dat het bestreden besluit onevenredig is, omdat de terugvordering van € 26.749,- leidt tot disproportioneel zware gevolgen. Zij verkeert in een kwetsbare positie vanwege haar financiële omstandigheden en gezondheidssituatie met daarbij de zorg voor haar dochtertje.

Onderzoek ter zitting

4. De rechtbank heeft het onderzoek tijdens de zitting op 25 juni 2026 door laten gaan, ondanks dat eiseres en haar gemachtigde zonder afmelding niet zijn verschenen. Redenen daarvoor zijn dat uitnodigingen voor die zitting al op 11 maart 2026 aan het juiste adres zijn verstuurd en de gemachtigde, toen de rechtbank haar tijdens de zitting trachtte te bereiken, telefonisch niet bereikbaar was en er dus ook geen reden is gegeven voor de afwezigheid van eiseres en gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij gaat het om de periode van 21 maart 2023 tot en met 31 oktober 2024. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze beoordeling staan in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank licht dit als volgt toe.

5.2.

De intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering zijn belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het college. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres gedurende de gehele te beoordelen periode de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Het hoofdverblijf is daar waar het zwaartepunt van iemands leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat het college aan deze bewijslast heeft voldaan. Naast de feiten uit het rapport blijkt dat eiseres tijdens het gesprek op 8 november 2024 heeft verklaard dat zij sinds de geboorte van haar dochtertje op 20 maart 2023 niet meer aan de [adres 1] woont, maar veel bij familie in Duitsland is. Anders dan in beroep is gesteld was dat niet slechts incidenteel, omdat uit de verklaringen die eiseres tijdens dat gesprek heeft gegeven blijkt dat dit soms een hele maand, één week of 10 dagen was. Daarnaast verbleef zij vanaf mei 2024 ook vaak bij de heer [naam] aan de [adres 2], als zij een afspraak had in Nederland. Daar heeft zij ook eigen kleding liggen en er staat een kinderbedje voor haar dochter. Als zij wel naar de [adres 1] ging, dan was dat alleen om wat kleding en post op te halen. Uit die verklaringen kan aldus worden afgeleid dat eiseres niet haar hoofdverblijf aan de [adres 1] had. Tussen partijen staat verder vast dat eiseres het college hierover niet had ingelicht.

Dat eiseres in bezwaar nog heeft gesteld dat zij tijdens het gesprek in paniek was omdat de aanwezige tolk een kennis van de heer [naam] was, maakt niet dat haar verklaringen onbruikbaar zijn. Het betrof immers een beëdigd tolk, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de verklaringen die in het rapport zijn opgenomen juist zijn vertaald. Dat eiseres in paniek zou zijn geweest, maakt verder nog niet plausibel dat zij over haar verblijf in Duitsland onjuiste verklaringen zou afleggen. Eiseres was verder niet bij de rechtszitting aanwezig, waar zij dit nog nader had kunnen toelichten of onderbouwen, hetgeen voor haar rekening en risico komt.

5.4.

De beroepsgrond dat uit de bankafschriften blijkt dat haar hoofdverblijf niet is gewijzigd slaagt niet, omdat dit niet uit de betreffende bankafschriften kan worden afgeleid. De rechtbank sluit in dit verband aan bij wat het college in punt 2 van het verweerschrift heeft opgemerkt, namelijk dat de bankafschriften waarnaar verwezen wordt in de rapportage Handhaving van 20 november 2024, bankafschriften betreffen over de periode 1 januari 2024 tot en met 29 april 2024. Uit die bankafschriften kan worden opgemaakt dat eiseres

7 maal € 500,00 pint aan de [adres 3] en 1 maal aan de [adres 4]. De [adres 3] ligt volgens het college dichter bij de [adres 2] dan bij de [adres 1]. En de [adres 4] ligt dicht bij de [adres 1]. Aldus is het grootste deel van de pintransacties juist niet in de omgeving van haar bijstandsadres verricht.

5.5.

De beroepsgrond over het huisbezoek kan de rechtbank verder niet plaatsen, omdat er geen huisbezoek is geweest. Derhalve kan deze beroepsgrond evenmin slagen.

5.6.

Bijgevolg staat vast dat eiseres niet haar hoofdverblijf had aan de [adres 1] en dat zij het college daarover niet heeft ingelicht. Doordat eiseres niet heeft gemeld dat zij niet (langer) haar hoofdverblijf had aan de [adres 1], heeft zij de inlichtingenplicht geschonden. Dat zij zich daar naar eigen zeggen niet bewust van was en het niet met opzet heeft gedaan maakt het oordeel niet anders. De inlichtingenplicht is een geobjectiveerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt.

5.7.

Omdat de inlichtingenplicht is geschonden was het college verplicht om het recht op de bijstandsuitkering in te trekken en de uitgekeerde bedragen terug te vorderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college daar terecht toe is overgegaan.

5.8.

De rechtbank is verder van oordeel dat het college terecht heeft besloten dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van het terugvorderingsbedrag van € 26.749,- af te zien, c.q. dat er geen sprake is van onevenredige gevolgen van de terugvordering voor eiseres. De ratio van dit beginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluiten, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Dit betekent dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moeten worden afgewogen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.

De enkele stelling dat de terugvordering tot disproportioneel zware gevolgen leidt omdat eiseres in een kwetsbare positie verkeert vanwege haar financiële- en gezondheidssituatie en de zorg voor haar dochtertje is in dit geval onvoldoende, omdat niet nader is onderbouwd in welke opzicht die omstandigheden maken dat de gevolgen van de invordering voor haar onevenredig zouden zijn. Ook hier geldt dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij niet ter zitting aanwezig was om dit nog nader te kunnen toelichten. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiseres bij de invordering als schuldenaar bescherming kan inroepen van de regels over de beslagvrije voet.[_7df17236-65ba-44ad-a60d-b58b6b20ad33]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van

J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet het bestuursorgaan de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit.

Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van dat besluit voor een belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De beslissing op bezwaar moet op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb goed gemotiveerd zijn.

Participatiewet (Pw)

Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, voor zover van belang, herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw is de bijstandverlenende instantie gehouden de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Onverminderd het elders in die wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw is bepaald dat de bijstandverlenende instantie de kosten van bijstand kan terugvorderen voor zover de bijstand, anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, achtste lid, van de PW bepaalt dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.