Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Oost-Brabant, 3 mei 2024

ECLI:NL:RBOBR:2024:4941Zaaknummer 71-008437-22

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
3 mei 2024
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
71-008437-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van een zeer grote hoeveelheid MDMA-kristallen en het voorbereiden en/of bevorderen van drugshandel. Ook is er een grote diversiteit aan drugs aangetroffen in verdachtes woning. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van grote geldbedragen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 7 jaren.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen of om daartoe inlichtingen te verschaffen en

-vervoermiddelen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

-een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of

om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

-zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Ten aanzien van feit 5 primair:

het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

 Verklaart verbeurd de navolgende in beslag genomen goederen:

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702455, wit, merk: Apple);

-1GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702457, zwart, merk: Apple);

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702480, blauw, merk: Samsung);

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702482, rood, merk: Samsung).

 Onttrekt aan het verkeer de navolgende in beslag genomen goederen:

-2 blokjes hash (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702474);

-1 zak drugs (702481, klein zakje met diverse verdomi);

-verkeerssignaalbak (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702479, baken (zelf gemaakt)).

 Beveelt de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen goed, te weten

-1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: L2600-LEFCG19013 702475, zilver).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. R. Hebbink, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 3 mei 2024.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De tenlastelegging.
  2. (een) hoeveelhe(i)d(en) contante geldbedragen/stortingen, omvattende
  3. De formele voorvragen.
  4. Bewijs
  5. Partiële vrijspraak feit 1.
  6. Bewijsmiddelen
  7. Bewijsoverwegingen
  8. Ten aanzien van feit 3:
  9. Ten aanzien van feit 4:
  10. Ten aanzien van feit 5:
  11. De bewezenverklaring.
  12. De strafbaarheid van het feit.
  13. De strafbaarheid van verdachte.
  14. Oplegging van straf en/of maatregel.
  15. Beslag.
  16. Toepasselijke wetsartikelen.
  17. DE UITSPRAAK
  18. Ten aanzien van feit 1:
  19. Ten aanzien van feit 2:
  20. Ten aanzien van feit 3:
  21. Ten aanzien van feit 4:
  22. Ten aanzien van feit 5 primair:

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 71.008437.22

Datum uitspraak: 3 mei 2024

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te ' [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 april 2022, 15 juli 2022, 7 oktober 2022, 23 december 2022 en 19 april 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsman mr. S.J. Römer naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 maart 2022.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juli 2022 is aangepast/gewijzigd overeenkomstig artikel 314a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november 2019 tot en met 10 december 2019 te ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Weert en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA - omvattende (onder meer) ongeveer 441,63 kilogram MDMA-kristallen -, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

-(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

-(een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

-een voertuig gehuurd en/of laten huren en/of gebruik gemaakt en/of gebruik laten maken van dat gehuurde voertuig en/of van (een) niet op naam van verdachte en/of (een van) verdachtes mededader(s) gesteld(e) voertuig(en) en/of

-met elkaar (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt en/of telefonisch contact gehad en/of gehouden, waarbij verdachte (een of meer van) zijn mededader(s) heeft aangestuurd en/of geïnstrueerd;

2.

hij op of omstreeks 10 december 2019 te Weert en/of Best en/of Liempde, gemeente Boxtel, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 441,63 kilogram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), (van een materiaal bevattende) MDMA-kristallen, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 11 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

-een totale hoeveelheid van (ongeveer) 44,29 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), (van (een) materia(a)l(en) bevattende) MDMA (IBN/SIN-code(s)

KLA154.01.03.002/AAOW1903NL en/of KLA154.01.03.004/AAOW1898iNL en/of

KLA154.01.03.005/AAOW1902NL en/of KLA154.01.03.006/AAOW1901NL en/of

KLA154.01.03.007/AAPH1019NL en/of KLA154.01.03.010/AAOW1899NL en/of

KLA154.04.01.002/AAPH1014NL en/of KLA154.04.01.002/AAPH1015NL en/of

KLA154.04.01.003/AAPH1016NL en/of KLA154.04.01.003/AAPH1017NL) en/of

-een totale hoeveelheid van (ongeveer) 5,35 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), (van (een) materia(a)l(en) bevattende) cocaïne (lBN/SIN-code(s)

KLA154.06.01.001/AAPH1008NL en/of KLA154.06.01.001/AAPH1009 en/of

KLA154.06.01.001/AAPH1010 en/of KLA154.06.01.001/AAPH1011 en/of

KLA154.06.01.001/AAPI11012 en/of KLAl54.06.01,001/AAPH 1013) en/óf

-een totale hoeveelheid van (ongeveer) 555,1 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), (van (een) materia(a)l(en)/vloeistof(fen) bevattende) GHB (IBN/SIN-code(s)

KLA154.01.02.001/AAOA1706NL en/of KLA154.01.03.001/AAOA1707NL) en/of

-een totale hoeveelheid van (ongeveer) 0,53 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), (van (een) materia(a)l(en) bevattende) 2C-B (lBN/SIN-code(s)

KLA154.01.03.008/AAPH10I8NL en/of KLA154.01.03.009/AAOVV1897NL),

zijnde MDMA en/of cocaïne en/of GHB en/of 2C-B (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 te Thailand en/of een of meer plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te w eten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) heroïne en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) cocaïne en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) mefedron (‘miauw

miauw’) en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) amfetamine en/of

-(een) hoeveeIhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) metamfetamine en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) MDMA en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) enig(e) (ander(e)) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I,

voor te bereiden en/ofte bevorderen, (telkens)

-(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

-(een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) middels EncroChat, althans enig communicatienetwerk/berichtenplatform, en/of (een) pgp-/cryptotelefoon(s) gecommuniceerd en/of contact gehad en/of gehouden en/of informatie gedeeld en/of overlegd en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt over

-(een) traject(en)/lijn(en) en/of methode(s) betreffende de in- en/of uitvoer van (een of meer van) bovengenoemd(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I en/of

-de prijs/prijzen en/of de (verdere) handel en/of productie van/in een of meer van voornoemd(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I en/of

-het bezit en/of het gebruik en/of het verkrijgen van hardware en/of (pre-)precursor(en), bestemd/geschikt voor de vervaardiging/productie van een of meer van voor meld (e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I;

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 januari 2022 te Leidschendam en/of Voorburg, (beiden) gemeente Leidschendam-Voorburg, en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, van de/het hierna te noemen voorwerp(en) (telkens)

-de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat hierna te noemen voorwerp(en) is/was of zijn/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, en/of

- die/dat hierna te noemen voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die/dat hierna te noemen voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven, zijnde die/dat voorwerp(en) (in elk geval):

(een) hoeveelhe(i)d(en) contante geldbedragen/stortingen, omvattende

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 60.190 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 1] op naam van [persoon 1] (in of omstreeks de periode van 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017) en/of

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 100.620,05 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 2] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 30 april 2019)en/of

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 47.151 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 3] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 22 februari 2017 tot en met 19 november 2019),

althans een of meer contante geldbedragen/stortingen, en/of

-een totaal van EUR 56.292,52 of daaromtrent aan transacties/betalingen (met de omschrijving ‘loon’) door [bedrijf 1] op bankrekeningnummer [nummer 3] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 6 januari 2022) en/of

- een ring (IBN-code KLA154.02.01.001) en/of

- een horloge (IBN-code KLA154.02.01.002);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op een of meer tijdstippen in omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 januari 2022 te Leidschendam en/of Voorburg, (beiden) gemeente Leidschendam-Voorburg, en/of Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland de/het hierna te noemen voorwerp(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die/dat voorwerp(en) onmiddellijk geheel of gedeeltelijk afkomstig waren/was uit enig eigen misdrijf, zijnde die/dat voorwerp(en) (in elk geval):

-(een) hoeveelhe(i)d(en) contante geldbedragen/stortingen, omvattende

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 60.190 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 1] op naam van [persoon 1] (in of omstreeks de periode van 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017) en/of

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 100.620,05 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 2] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 30 april 2019) en/of

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 47.151 of daaromtrent, (vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 3] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 22 februari 2017 tot en met 19 november 2019),

althans een of meer contante geldbedragen/stortingen, en/of

-een totaal van EUR 56.292,52 of daaromtrent aan transacties/betalingen (met de omschrijving "loon') door [bedrijf 1] op bankrekeningnummer [nummer 3] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 6 januari 2022) en/of

- een ring (IBN-code KLA154.02.01.001) en/of

-een horloge (IBN-code KLA154.02.01.002);

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt allereerst -kort gezegd- verweten in de periode van 26 november 2019 tot en met 10 december 2019 voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, al dan niet in vereniging, te hebben gepleegd. Deze voorbereidingshandelingen zien op twee drugstransporten, te weten op 27 november 2019 en op 10 december 2019. (feit 1).

Verdachte wordt daarnaast verweten op 10 december 2019 tezamen en in vereniging met een ander of anderen 441,63 kilogram MDMA-kristallen te hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig te hebben gehad (feit 2).

In de woning van verdachte zijn op 11 januari 2022 diverse soorten drugs aangetroffen. Verdachte wordt verweten deze drugs opzettelijk aanwezig te hebben gehad (feit 3).

In de periode van 27 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 hebben middels EncroChat diverse drugs gerelateerde gesprekken plaatsgevonden door een persoon met de gebruikersnaam ‘ [naam 1] ’. Verdachte wordt verweten deze gesprekken te hebben gevoerd en zich daarmee schuldig te hebben gemaakt aan -kort gezegd- voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, al dan niet in vereniging gepleegd (feit 4).

Tot slot wordt verdachte (gewoonte)witwassen verweten, door gedurende een langere periode contante geldbedragen, onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf of misdrijven, op verschillende bankrekeningen te storten of te doen storten. Subsidiair wordt verdachte eenvoudig witwassen verweten (feit 5).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle vijf de feiten wettig en overtuigend bewezen. Meer specifiek acht de officier van justitie ten aanzien van feit 1 bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het drugstransport van 10 december 2019, alsook voor het drugstransport van 27 november 2019.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit. Dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1], op de telefoon van [verdachte] opgeslagen als ‘ [naam 2] ’, van verdachte zou zijn geweest, lijkt te kloppen op basis van de inhoud van het dossier. Maar de stelling dat verdachte derhalve de opdrachtgever of daadwerkelijke afnemer zou zijn van de MDMA is niet juist. Verdachte kan op basis van de camerabeelden van 10 december 2019 en het overige bewijs immers niet worden geïdentificeerd als de persoon bij ‘de [naam 3] ’. Ook indien verdachte daar wel zou kunnen worden geplaatst, dan blijkt nergens uit wat precies de rol van verdachte is geweest in het geheel. Waardoor hij onmogelijk als ‘medepleger’ gezien kan worden. Gebleken is alleen dat [verdachte] wordt gebeld en er enkele algemene berichten zijn gestuurd. Hieruit blijkt niet dat verdachte aanwezig was bij de afspraak van 10 december 2019 Ook dat duidt niet op een rol als medepleger.

Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de meeste EncroChat-berichten niet zien op voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. De inhoud van de chatberichten moeten worden gezien als slechts ‘oriënterende gesprekken’, die onvoldoende concreet zijn en daardoor geen bewijs opleveren voor strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer van verdovende middelen. Daarnaast is de verdenking enkel en alleen gebaseerd op EncroChat-berichten uit het dossier, die uit één en dezelfde bron komen. Iedere vorm van steunbewijs ontbreekt. Daarmee is niet aan het bewijsminimum voldaan.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. De contante stortingen op eigen rekening van in totaal € 146.772,-- zijn gelden uit gemaakte winst in het casino, winst van het pokeren en van schenkingen van zijn familie omdat verdachte een lange periode voor zijn vader heeft gezorgd en zelf niet kon rondkomen. Dit is een concrete en op voorhand niet volstrekt ongeloofwaardige verklaring. Het is dan aan het openbaar ministerie om daar enig onderzoek naar te doen, hetgeen het openbaar ministerie heeft nagelaten. Dit geldt ook voor de contante stortingen op de rekening(en) van de ex-partner(s) Ook deze gelden zijn afkomstig uit legale bron. Tot slot is er onvoldoende bewijs voor de verdenking dat sprake is van een betalingsconstructie door het restaurant en dat verdachte formeel niet in loondienst was. De verklaring van verdachte dat hij in loondienst was, is voldoende concreet en wordt bevestigd door een getuige.

Het oordeel van de rechtbank.

Partiële vrijspraak feit 1.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, voor wat betreft de periode van 26 november 2019 tot 9 december 2019. De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat verdachte gedurende die periode een significante bijdrage heeft geleverd aan de voorbereidingshandelingen.

De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) hierdoor niet is komen vast te staan. Daarom zal verdachte partieel worden vrijgesproken met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde periode van 26 november 2019 tot 9 december 2019.

Bewijsmiddelen

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Inleiding.

Op 10 december 2019 is bij een verkeerscontrole [verdachte] (hierna: [verdachte]) aangehouden. In de door hem bestuurde Bo-Rent bus is 441,63 kilogram MDMA-kristallen aangetroffen. [verdachte] is hiervoor veroordeeld.

[verdachte] heeft op 27 november 2019 exact dezelfde bus gehuurd en dezelfde route gereden als op 10 december 2019. Ook straalde de telefoon van [verdachte] de zendmasten aan, die passen bij de track and trace gegevens van de gehuurde bus.

In de woning van verdachte is een telefoon gevonden, waarin twee audioberichten zijn aangetroffen horende bij een navigatie applicatie. Deze audiobestanden zijn van 27 november 2019 en 10 december 2019 en navigeren naar de [adres 3], alwaar het restaurant [naam 3] is gelegen.

In de telefoon van [verdachte] zijn Telegram-berichten aangetroffen, van een persoon geregistreerd als ‘ [naam 2] ’ met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: telefoonnummer eindigend op [nummer 4] ). In deze berichten wordt op 26 november 2019 door [naam 2] het adres [adres 2] doorgegeven en het tijdstip ‘11 uur daar’, ‘Wacht erop’, ‘Daarna volgen we hun auto.’.

Op 9 en 10 december 2019 vinden er meerdere gespreken plaats tussen de telefoon van medeverdachte [verdachte] en ‘ [naam 2], met het telefoonnummer eindigend op [nummer 4] plaats.. Ook na de aanhouding van [verdachte] zijn er gemiste oproepen geregistreerd tussen ‘ [naam 2] ’ en [verdachte].

Verdachte is ‘ [naam 2] ’.

Uit de bewijsmiddelen, onder meer de gegevens van de basisschool van de kinderen van verdachte, verstrekte gegevens van Lebara en gegevens van Parkmobile kan worden afgeleid dat het telefoonnummer eindigend op [nummer 4] bij verdachte in gebruik is geweest. Ook is dit telefoonnummer gekoppeld aan de bankrekening en het e-mailadres van verdachte.

Verder is een witte iPhone XS in de woning van verdachte aangetroffen en onderzocht. Aan deze telefoon zijn verschillende telefoonnummers gekoppeld geweest, met als laatste het telefoonnummer eindigend op [nummer 4]. Tevens is als Apple ID het mailadres van verdachte gekoppeld.

Uit deze telefoon is een aantal verwijderde oproepen veiliggesteld en zichtbaar geworden. Dit zijn in ieder geval ook oproepen van 10 december 2019. Op die dag is er sprake van een oproep om 10.05 uur naar de ex van verdachte, genaamd [naam 4], als ook naar [verdachte] om 09.35 uur en 11.08 uur, en naar zijn moeder om 14.11 uur. Ook heeft getuige [getuige] verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) de gebruiker is van het telefoonnummer eindigend op [nummer 4]. In de telefoon is een afbeelding aangetroffen, met onder andere de tekst ‘ [naam 2] ’ met daarachter Chinese tekens, waarvan is gebleken dat dit ‘ [betekenis] ’ betekent in het Chinees. Verdachte heeft verklaard dat [voornaam] (zijn voornaam) soortgelijk klinkt als het Chinese woord voor ‘ [betekenis] ’, en hij ook weleens zo wordt genoemd.

Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer eindigend op [nummer 4] en dat hij ‘ [naam 2] ’ is. Hij heeft genoemde berichten naar [verdachte] verstuurd en telefonisch contact met hem gehad op 26 november en 9 en 10 december 2019, en [verdachte] instructies gegeven.

Camerabeelden “ [naam 3] ’.

Op de camerabeelden van restaurant [naam 3] van 10 december 2019 is te zien dat een zwarte Volvo XC90 direct naast de Bo-Rent bus van [verdachte] parkeert. De bestuurder van de Volvo stapt uit deze auto, Deze persoon heeft donker haar en wordt omschreven als licht getint, mogelijk Aziatisch, tussen 35 en 40 jaar oud. Deze persoon neemt plaats op de passagierszitting van de Bo-Rent bus. Daarna maakt de bestuurder van de Volvo op de parkeerplaats contact met twee mannen in een Peugeot 508. De drie mannen lopen vervolgens het restaurant binnen. Omstreeks 12.42 uur lopen de drie mannen weer naar buiten en om 12.43 uur arriveert een Lexus op de parkeerplaats. Om 12.46 uur verlaat de Lexus de parkeerplaats en rijdt rechtsaf de [straatnaam] op, net als de Bo-Rent bus. Om 13.03 uur arriveert de Lexus weer op de parkeerplaats. Om 13.04 uur verlaat de Lexus de parkeerplaats, waarna om 13.05 uur ook de Peugeot en de Volvo de parkeerplaats afrijden.

Het hiervoor gegeven signalement van de bestuurder van de Volvo past bij het signalement van verdachte. Genoemde Volvo betreft een personenauto die overeenkomt met het merk en type waar verdachte toentertijd gebruik van maakte. Op de aangetroffen witte iPhone XS, in gebruik bij verdachte, zijn navigatiebestanden aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat er op 27 november 2019 en 10 december 2019 naar de [adres 3] is genavigeerd. De tijdstippen van aankomst en vertrek komen overeen met de tijdstippen van de camerabeelden van restaurant [naam 3] van 10 december 2019. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] blijkt voorts dat er op 27 november 2019, alsook op 10 december 2019 zendmasten worden aangestraald, die passen bij de track and trace gegevens van de Bo-Rent bus.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte de hiervoor genoemde Volvo heeft bestuurd en op 10 december 2019 een ontmoeting heeft gehad met de bestuurder van de Bo-Rent bus en andere personen. Eerder heeft hij telefonisch contact gehad met de later aangehouden [verdachte], bestuurder van de Bo-rent bus. Op 27 november 2019 heeft verdachte via Telegram en het telefoonnummer eindigend op [nummer 4] instructies gestuurd naar [verdachte]. Tot slot zijn op de camerabeelden gedragingen te zien die passen bij de instructies die op 26 november 2019 zijn gestuurd.

Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Verdachte heeft op 26 november 2019 aan [verdachte] instructies gegeven en het adres voor de ontmoetingsplaats aan de [adres 3] doorgegeven. Op zowel 27 november 2019 als 10 december 2019 heeft er een rit met de door [verdachte] gehuurde Bo-Rent bus naar deze locatie plaatsgevonden en heeft de bus dezelfde route afgelegd. Op 9 en 10 december 2019 heeft er telefonisch contact tussen [verdachte] en verdachte plaatsgevonden. Op 10 december 2019 was verdachte aanwezig op de parkeerplaats aan de [adres 3] en heeft hij daar contact gehad met [verdachte] (de bestuurder van de Bo-rent bus) en andere personen, in de Lexus en de Peugeot. Als de Lexus de parkeerplaats verlaat, rijdt de Bo-Rent bus daar achteraan. Na enige tijd komt de Lexus terug op de parkeerplaats. Nadat deze vertrekt, verlaat verdachte in zijn auto ook van de parkeerplaats. Kort na deze ontmoeting is [verdachte] aangehouden met in de door hem gehuurde Bo-Rent bus een grote hoeveelheid MDMA-kristallen. Na de aanhouding van [verdachte] probeert verdachte nog tevergeefs telefonisch contact te krijgen met [verdachte].

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van het drugstransport van 10 december 2019, eerder instructies heeft gegeven, waaronder het doorgeven van het adres, en ook bij de daadwerkelijke uitvoering betrokken is geweest. Verdachte heeft geweten dat er drugs in de bus zijn geplaatst met als doel deze te vervoeren en verdachte heeft daarbij een sturende rol gehad. Uit voornoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid, dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte en dat dat de rol van verdachte met betrekking tot het vervoeren van de drugs op 10 december 2019 van zodanig gewicht is, dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

In de woning van verdachte, waar hij op dat moment ook verbleef, zijn de in te tenlastelegging genoemde harddrugs MDMA, cocaïne, GHB en 2C-B aangetroffen.

De rechtbank stelt als regel voorop dat verdachte als bewoner van het pand geacht wordt weet te hebben van, en verantwoordelijk te zijn voor, de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen stoffen. Voormelde regel lijdt uitzondering indien er aanwijzingen zijn dat verdachte van de in zijn pand aangetroffen stoffen geen enkele weet heeft gehad. Dergelijke aanwijzingen ontbreken echter. Verdachte heeft verklaard dat een aantal drugs van hem waren. Daarnaast wist hij ook dat anderen tijdens feestjes drugs in de woning gebruikten en daar achterlieten. Veel van de aangetroffen drugs bevonden zich in de keuken op de afzuigkap, in keukenkastje(s) van de woning van verdachte en in een kast in de hal, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij een normaal gebruik van de woning bewoners daar met enige regelmaat plegen te kijken. Verdachte had dan ook de beschikkingsmacht over deze drugs. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat er met oud en nieuw een feest heeft plaatsgevonden in zijn woning, waarna vrienden drugs zouden hebben laten liggen. Op 11 januari 2022 – en dus 11 dagen na dit feest – is de drugs in de woning van verdachte aangetroffen. Ook gezien dit tijdsverloop kan niet worden aangenomen dat verdachte geen enkele weet had van de aanwezigheid van de drugs.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de aangetroffen drugs in de woning aanwezig waren en dat hij die drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 4:

Uit onderzoek is gebleken dat de gebruiker ‘ [naam 1] ’ over de periode van 27 maart 2020 tot en met 8 juni 2020 via EncroChat chatgesprekken heeft gevoerd over verdovende middelen met een aantal andere EncroChat-gebruikers. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende genoemde periode in Thailand verbleef.

Verdachte is EncroChat-gebruiker ‘ [naam 1] ’.

In chatgesprekken met ‘ [naam 1] ’ geeft EncroChat-gebruiker ‘ [naam 8] ’ aan dat hij de achternaam en geboortedatum van ‘ [naam 1] ’ nodig heeft. Hierop antwoordt ‘ [naam 1] ’ met ‘ [verdachte] ’. Dit is de naam van verdachte en zijn geboortedatum.

In een andere chatsessie tussen EncroChat-gebruikers ‘ [naam 5] ’ en ‘ [naam 1] ’ benoemt ‘ [naam 1] ’ dat ‘ [naam 4] ’ alleen is met de kinderen. Uit bevraging van BRP blijkt dat verdachte een kind, genaamd [kind], heeft en dat [naam 4] als moeder van dit kind staat geregistreerd.

Het wachtwoord ‘ [wachtwoord] ’ stond ingesteld als wachtwoord voor Enchrochat-account ‘ [naam 1] ’. De cijfers ‘ [cijfers] ’ corresponderen met de geboortedag ( [cijfer 1]) en geboortemaand ( [cijfer 2]) van voornoemde zoon [kind].

In een chatgesprek van 24 april 2020 met EncroChat-gebruiker ‘ [naam 6] ’ geeft ‘ [naam 1] ’ het Thaise telefoonnummer [telefoonnummer 2] op. Dit nummer komt grotendeels overeen met het Thaise telefoonnummer dat verdachte heeft opgegeven in zijn eerste verhoor. Daarnaast is dit telefoonnummer gekoppeld aan de onder verdachte in beslag genomen Samsung Note 20 Ultra en de Samsung Fold.

In een chatbericht van 27 mei 2020 met de gebruiker ‘ [naam 7] ’ geeft ‘ [naam 1] ’ aan dat het Nederlands telefoonnummer [telefoonnummer 3] zo goed als zeker van hem is. Die chat gaat erover dat de ‘popo’ (politie) een lijst uit die telefoon aan het afbellen is. De rechtbank heeft, op grond van het hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 2 overwogene, geconcludeerd dat dit telefoonnummer eindigend op [nummer 4] aan verdachte kan worden toegeschreven.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de EncroChat-gebruiker ‘ [naam 1] ’ is en op tijdstippen in de periode van 27 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 chatberichten heeft gevoerd met de EncroChat-gebruikers ‘ [naam 8] ’, [naam 9], [naam 6], [naam 10], [naam 10], [naam 11], [naam 7], [naam 12] en [naam 13].

Verklaring verdachte.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in Thailand een paar keer gebruik heeft gemaakt van EncroChat, maar dat hij de berichten met de hiervoor genoemde EncroChat-gebruikers niet heeft gevoerd. Verdachte heeft verklaard dat een andere persoon, genaamd ‘ [persoon 3] ’, zijn telefoon heeft gebruikt. Vermoedelijk is ‘ [persoon 3] ’ niet zijn echte naam, maar verdere gegevens van deze persoon kan verdachte niet geven.

De rechtbank constateert dat de verklaring van verdachte over de ‘andere gebruiker’ van zijn telefoon niet concreet en verifieerbaar is. Verdachte komt pas met deze verklaring op het moment dat hij door de politie wordt geconfronteerd met concrete aanwijzingen, die in zijn richting wijzen. Daarbij komt dat er meerdere bevindingen, verspreid over de periode maart 2020 tot en met begin juni 2020, direct naar verdachte te herleiden zijn, zoals hiervoor is overwogen. Al deze bevindingen tonen aan dat verdachte niet alleen in maart 2020 gebruik maakte van de Encro-telefoon, maar over de gehele ten laste gelegde periode. Daarnaast overweegt de rechtbank nog dat de bijnaam van verdachte ‘ [betekenis] ’ – zoals hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 2 overwogen – en de gebruikersnaam van Encro ‘ [naam 1] ’ gelijkenissen vertonen.

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een begin van aannemelijkheid van het door verdachte geschetste alternatieve scenario dat een ander dan verdachte gebruik heeft gemaakt van de gebruikersnaam ‘ [naam 1] ’ en de chatgesprekken heeft gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de naam ‘ [naam 1] ’ gebruikte en ook de chatgesprekken heeft gevoerd, zoals deze zijn opgenomen in het dossier en -in het kort- zijn vermeld in de bewijsmiddelen.

De inhoud en strekking van de gevoerde chatgesprekken.

In de chatgesprekken wordt tussen ‘ [naam 1] ’ en de hiervoor genoemde EncroChat-gebruikers gesproken over de in de tenlastelegging genoemde harddrug(s). In deze gesprekken wordt (onder meer) -kort gezegd- gesproken over prijzen van drugs, het opzetten van een trajectlijn(en), methodes betreffende de in- en/of uitvoer van drugs, de productie van drugs, het inschakelen van een agent of havenmeester in relatie tot drugs en over precursoren.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de inhoud van de chats zien op het informeren of praten over verdovende middelen, maar niet op concrete voorbereidingshandelingen, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de voorbereiding en/of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (kort gezegd: drugshandel), in artikel 10a, eerste lid van die wet als zelfstandig delict strafbaar is gesteld teneinde in een vroeg stadium van de organisatie van de (internationale) handel in drugs in te kunnen grijpen. Dit betekent dat reeds strafbaar is het uiting geven van de intentie om verdovende middelen te vervoeren of in te voeren door het plegen van daarop gerichte voorbereidings- of bevorderingshandelingen. Het resultaat van die handelingen doet daaraan niet af. Bij het interpreteren van chatgesprekken in dat kader moet uiteraard terughoudendheid worden betracht als de inhoud daarvan geen blijk geeft van een duidelijke intentie. Indien een verklaring van de verdachte ontbreekt, mag echter wel worden bezien of aan die gesprekken, gelet op de samenhang en chronologie daarvan en de persoon van de verdachte en de gesprekspartner(s), een betekenis kan worden ontleend. Daarbij is het gebruik van de PGP-telefoons van belang, aangezien het gebruik daarvan voor reguliere economische activiteit niet zonder meer aannemelijk is. Het gebruik van een PGP-telefoon is immers bedoeld om de inhoud van de daarmee gevoerde gesprekken af te schermen.

De rechtbank overweegt dat de inhoud van de EncroChat-berichten voldoende concreet is om te kunnen spreken van strafbare voorbereidingshandelingen. De berichten betreffen niet slechts het uitwisselen van algemene kennis en informatie en hebben niet slechts een oriënterend karakter. De rechtbank is het dan ook met de officier van justitie eens dat het overduidelijk is dat deze chatgesprekken gaan over de handel in verdovende middelen en de voorbereiding tot die handel, zoals onder 4 is ten laste gelegd.

Het verweer van de raadsman dat sprake is van één bewijsmiddel.

De EncroChat-berichten hebben bewijstechnisch de status van “een ander geschrift” als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5 Sv. Dat betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijsmiddel kan dienen als er ook een ander bewijsmiddel is. Aangezien er sprake is van vele berichtenwisselingen tussen de verdachte en (vele) andere gebruikers van Encro-telefoons, bestaat het bewijs niet uitsluitend uit één ander geschrift maar uit meerdere bewijsmiddelen. De inhoud van de EncroChat-berichten staan ook beschreven in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal. De bewezenverklaring berust bovendien niet slechts op de EncroChat-berichten maar ook op de mobiele telefoon van de verdachte, waarvan is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is.

Conclusie ten aanzien van feit 4.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft gepleegd, voor zover hierna onder de bewezenverklaring bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat alle gelden en goederen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals het onderhavige, waarin geen direct bewijs voor de herkomst van geld of goederen uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien en voor zover een aan die eisen beantwoordende verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte af te leiden, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Ook de onderhavige verwijten zullen aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Vermoeden van witwassen

De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen in het leven roepen ten aanzien van verdachte.

Uit de verstrekking van de Belastingdienst en uit bankmutaties is gebleken dat verdachte in de periode van 2016 tot en met 2019 een minimaal inkomen heeft ontvangen, namelijk:

2016 Nettoloon € 20.903,--

2017 Nettoloon € 6.365,--

2018 geen inkomen

2019 Nettoloon € 2.252,--.

Op de verstrekte bankmutaties is zichtbaar dat verdachte vanaf februari 2020 een vast maandelijks inkomen geniet van [bedrijf 2]. van ongeveer € 2.343,-- netto per maand (€ 2.346,73 tot 6 april 2021, vervolgens € 2.345,73 en €.2.342,73 per maand). Van 24 februari 2020 tot en met 6 januari 2022 heeft verdachte in totaal € 56.292,52 ontvangen van [bedrijf 2].

Uit EncroChat-berichten tussen ‘ [naam 1] ’ (verdachte) en ‘ [naam 7] ’ is de verdenking ontstaan dat verdachte € 3.000,-- contant geeft aan ene ‘ [naam 14] ’ en dat er vervolgens € 2.346,-- naar de bankrekening van verdachte wordt overgemaakt. Met ‘ [naam 14] ’ wordt vermoedelijk [bedrijf 2]. bedoeld. Naast de gelijkenissen tussen ‘ [naam 14] ’ en ‘ [naam 15] ’ komt het bedrag van € 2.346,-- genoemd in de chat immers ongeveer overeen met de bedragen die verdachte ontvangt van [bedrijf 2]. Tevens is op een onder verdachte in beslag genomen telefoon een afbeelding van een berekening aangetroffen met daarop de tekst ‘3000 contant voor € 2.300,-- netto + loonstrook’. Tot slot verbleef verdachte vanaf 16 maart 2020 in Thailand en heeft hij niet in het restaurant gewerkt. Dit alles leverde een vermoeden op dat er geen sprake is van een legaal inkomen verkregen door werkzaamheden bij [bedrijf 2] ., maar van een gefingeerd dienstverband.

Uit het financieel onderzoek met betrekking tot de bankrekeningen op naam van verdachte blijkt dat van 29 februari 2016 tot en met 19 november 2019 op beide rekeningen in totaal (ongeveer) € 147.772,-- aan contante gelden is gestort. Zonder de contante stortingen was er onvoldoende saldo op de rekeningen om de noodzakelijke maandelijkse uitgaven te doen.

Tevens is uit onderzoek gebleken dat er contante geldbedragen op de bankrekening van [naam 16] – de ex-vriendin van verdachte – zijn gestort van 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017 van in totaal € 60.190,--, waarvan in de periode van 1 februari 2016 tot en met 3 juli 2017 ook weer overboekingen naar de rekening van verdachte zijn gedaan. Uit onderzoek is gebleken dat [naam 16] een minimaal inkomen van de gemeente ontvangt.

De rechtbank overweegt dat de contante stortingen op de bankrekening van verdachte alsmede de uitgaven/betalingen niet in verhouding staat tot het bij de Belastingdienst bekende legale inkomen van verdachte.

Tussenconclusie

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen en mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de contante stortingen en overige overboekingen.

Verklaring verdachte

In zijn eerste verklaring bij de politie op 11 januari 2022 heeft verdachte verklaard dat hij geen andere inkomsten zoals erfenissen of schenkingen heeft. Ook heeft hij recent geen prijzen in loterijen of casino’s gewonnen. Vijf jaar geleden zou hij € 10.000,-- hebben gewonnen, maar dit zou hij daarna weer hebben verloren. Hij zou geen gokschulden hebben opgelopen, niet gokverslaafd zijn en al heel lang niet hebben gegokt. Verdachte heeft bij zijn eerste verklaring geen melding gemaakt van pokerwinsten of schenkingen.

In zijn latere verklaringen bij de politie en ter terechtzitting van 19 april 2023 is door en namens verdachte aangevoerd dat de contante stortingen verdiensten zijn van het pokeren bij Holland Casino en van tafelpoker/huisgames. Daarnaast heeft hij, aldus verdachte, in die periode geld van zijn familie gekregen omdat hij gedurende een periode voor zijn zieke vader heeft gezorgd en zelf niet kon rondkomen. Ten aanzien van de contante stortingen op de rekening van [naam 16] en de overboekingen daarvan naar zijn eigen rekening, heeft verdachte verklaard dat hij soms geld bij haar had liggen en haar dan vroeg dit aan hem over te maken, zodat hij zijn rekeningen kon betalen. Met betrekking tot zijn dienstverband bij het restaurant [bedrijf 2]. heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij daar als kok heeft gewerkt, maar in maart 2020 naar Thailand is gegaan omdat het restaurant gesloten was in verband met de coronacrisis. Het loon is toen wel doorbetaald.

Beoordeling van de verklaring van verdachte

De rechtbank constateert dat verdachte in eerste instantie bij de politie heeft verklaard dat hij geen schenkingen en/of gokinkomsten heeft gehad en daar pas later, nadat er sprake was van een verdenking van witwassen, op terug is gekomen.

Uit het onderzoek bij Holland Casino is gebleken dat verdachte in 2017 tien keer, in 2018 zeventien keer, in 2019 tien keer en in 2020 één keer een vestiging van Holland Casino heeft bezocht. Bij Holland Casino heeft hij nooit meer dan € 10.000,-- gewonnen.

Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat het uitzonderlijk is dat een persoon structureel nettowinsten behaalt met kansspelen, waar ook pokeren onder valt. Het is dan ook, gelet op de frequentie van de bezoeken, de kans op winst en het feit dat er in ieder geval niet meer dan € 10.000,-- (per keer) is verdiend, niet aannemelijk dat de contante stortingen kunnen worden verklaard door pokerwinsten bij Holland Casino.

De verklaring van verdachte over de pokerwinsten bij huispoker is niet met verifieerbare bescheiden en/of getuigenverklaringen onderbouwd. Verdachte noemt ook geen namen of adressen waar deze pokerwinsten zouden zijn ontvangen. De enkele mededeling dat sprake is van pokerwinsten kwalificeert daarom niet als een concrete, min of meer verifieerbare verklaring.

Ook ten aanzien van de (contante) schenkingen van familie is verdachte vaag en kan hij dit niet met een concreet verifieerbaar stuk of met (een) getuigenverklaring(en) onderbouwen. De enkele stelling van verdachte dat hij geld zou hebben ontvangen van familie is onvoldoende en noopt niet tot een nader onderzoek.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [naam 16] een uitkering van de gemeente ontving en een minimaal inkomen had. In de periode 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017 is er in totaal € 60.190,-- contant op de bankrekening van [naam 16] gestort. Deze stortingen zijn telkens verricht op het moment dat [naam 16] (nagenoeg) een negatief saldo had.

Uit onderzoek is gebleken dat er via de bankrekening van [naam 16] overboekingen zijn gedaan naar de bankrekening van verdachte. Uit analyse is gebleken dat, voordat [naam 16] deze overboekingen naar Shing kon doen, er voorafgaand (op dezelfde dag of een dag eerder) een contante storting op haar rekening was verricht. [naam 16] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij de contante stortingen niet heeft gedaan, maar dat zij denkt dat verdachte dit heeft gedaan. Ook heeft zij verklaard nooit geld van de ouders van verdachte te hebben gekregen om op haar rekening te storten. Ook voor deze gang van zaken heeft verdachte derhalve geen concrete en min of meer verifieerbare verklaring gegeven.

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over het dienstverband bij het restaurant [bedrijf 2]. De verklaringen zijn op onderdelen tegenstrijdig met objectief bewijs en de verklaring van restauranteigenaar [naam 17], bijvoorbeeld over het doorbetalen van loon door [bedrijf 2]. Dit volgt uit de loonconstructie die naar voren komt uit het EncroChat-gesprek tussen ‘ [naam 1] ’ (verdachte) en ‘ [naam 7] ’ en de afbeelding van een berekening van deze constructie, zoals hiervoor overwogen. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor dit gesprek en deze afbeelding in zijn telefoon. De rechtbank vindt het daarbij hoogst onwaarschijnlijk dat het restaurant verdachte blijft doorbetalen, terwijl hij geen werkzaamheden verricht en in Thailand verblijft, terwijl het restaurant in die periode weer open is gegaan voor afhaalmaaltijden zoals volgt uit de verklaring van [naam 17].

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er geen sprake is geweest van een dienstverband bij het restaurant [bedrijf 2]. en dat de overboekingen naar de bankrekening van verdachte van in totaal € 56.292,52 niet hebben plaatsgevonden in verband met het betalen van salaris, maar kennelijk om deze gelden, die onmiddellijk of middellijk afkomstig waren van enig misdrijf of misdrijven, om te zetten gedurende (onder meer) de periode dat verdachte in Thailand verbleef.

Conclusie

Op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en het gegeven dat hetgeen wordt verklaard niet of nauwelijks met stukken is onderbouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door verdachte aangedragen verklaring, voor zover inhoudende dat de in de tenlastelegging genoemde contante stortingen en de overboekingen een legale herkomst hebben, onvoldoende concreet en niet of nauwelijks verifieerbaar zijn. De verklaringen van verdachte voldoen dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen, zodat ze als ongeloofwaardig verworpen moeten worden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat, bij gebreke van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring omtrent de legale herkomst van de contante stortingen op zijn bankrekeningen, op de bankrekening van zijn ex-vriendin en de overboekingen met omschrijving ‘loon’, het niet anders kan dan dat deze gelden -onmiddellijk of middellijk- afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Het gaat hierbij om:

-contante stortingen van ongeveer € 100.620,05 en € 47.151,-- op bankrekeningen van verdachte;

-contante stortingen op de bankrekening van de ex-vriendin van verdachte van ongeveer

€ 60.190,-- en

-transacties/betalingen met de omschrijving ‘loon’ van in totaal (ongeveer) € 56.292,52.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen acht de rechtbank daarom, mede gelet op de duur en de frequentie van de contante stortingen, gewoontewitwassen, zoals omschreven onder feit 5 in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op of omstreeks 10 december 2019 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/ov vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende) MDMA - omvattende 441,63 kilogram

MDMA-kristallen, voor te bereiden en/of te bevorderen,

-een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en daartoe inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en

-een vervoermiddel en stof voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes

mededader wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit (sub 3°),

hebbende verdachte en/of verdachtes mededader

-een voertuig gehuurd en/of gebruik gemaakt van dat gehuurde voertuig en

-met elkaar een ontmoeting gehad en(een) afspra(a)k(en) gemaakt en

telefonisch contact gehad, waarbij verdachte zijn mededader heeft aangestuurd en geïnstrueerd.

2.

op 10 december 2019 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk heeft vervoerd, 441,63 kilogram MDMA-kristallen, zijnde MDMA een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.

op 11 januari 2022 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

-een totale hoeveelheid van ongeveer 44,29 gram, van een materiaal bevattende MDMA (IBN/SIN-code(s)

KLA154.01.03.002/AAOW1903NL en/ KLA154.01.03.004/AAOW1898NL en

KLA154.01.03.005/AAOW1902NL en KLA154.01.03.006/AAOW1901NL en

KLA154.01.03.007/AAPH1019NL en/ KLA154.01.03.010/AAOW1899NL en

KLA154.04.01.002/AAPH1014NL en KLA154.04.01.002/AAPH1015NL en

KLA154.04.01.003/AAPH1016NL en KLA154.04.01.003/AAPH1017NL) en

-een totale hoeveelheid van 5,35 gram, van een materiaal bevattende) cocaïne

(lBN/SIN-code(s)

KLA154.06.01.001/AAPH1008NL en KLA154.06.01.001/AAPH1009 en

KLA154.06.01.001/AAPH1010 en KLA1 54.06.01.001/AAPH1011 en

KLA154.06.01.001/AAPI11012 en KLAl54.06.01,001/AAPH1013) en

-een totale hoeveelheid van 555,1 gram, van een vloeistof bevattende GHB

(IBN/SIN-code(s)

KLA154.01.02.001/AAOA1706NL en KLA154.01.03.001/AAOA1707NL) en

-een totale hoeveelheid van ongeveer 0,53 gram, van een materiaal bevattende 2C-B (lBN/SIN-code(s)

KLA154.01.03.008/AAPH10I8NL en KLA154.01.03.009/AAOVV1897NL),

zijnde MDMA en cocaïne en GHB en 2C-B elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

in de periode van 27 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 te Thailand en/of in Nederland telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk bewerken

en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) heroïne en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) cocaïne en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) mefedron (‘miauw

miauw’) en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) amfetamine en/of

-(een) hoeveeIhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) metamfetamine en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) MDMA en/of

-(een) hoeveelhe(i)d(en) (van (een) materia(a)l(en) bevattende) enig(e) (ander(e))

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I,

voor te bereiden en/ofte bevorderen, (telkens)

-(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen

plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub

1°) en/of

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

hebbende hij, verdachte, telkens middels EncroChat, gecommuniceerd en/of contact gehad en/of gehouden en/of

informatie gedeeld en/of overlegd en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt over

-(een) traject(en)/lijn(en) en/of methode(s) betreffende de in- en/of uitvoer van (een of

meer van) bovengenoemd(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde

lijst I en/of

-de prijs/prijzen en/of de (verdere) handel en/of productie van/in een of meer van

voornocmd(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I en/of

-het bezit en/of het gebruik en/of het verkrijgen van hardware en/of

(pre-)precursor(en), bestemd/geschikt voor de vervaardiging/productie van een of

meer van voor meld (e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst I;

5.

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 januari 2022 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, van de hierna te

noemen voorwerpen telkens

-die hierna te noemen voorwerpen voorhanden gehad en omgezet,

terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die hierna te noemen voorwerpen

afkomstig waren uit enig

misdrijf/misdrijven, zijnde die voorwerpen contante geldbedragen/stortingen, omvattende:

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 60.190 of daaromtrent, (vervolgens)

gestort op bankrekeningnummer [nummer 1] op naam van

[persoon 1] (in of omstreeks de periode van 29 januari 2016 tot en met

5 december 2017) en

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 100.620,05 of daaromtrent,

(vervolgens) gestort op bankrekeningnummer [nummer 2] op naam van

[persoon 2] (in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 30 april

2019) en

- contante geldbedragen tot een totaal van EUR 47.151 of daaromtrent, (vervolgens)

gestort op bankrekeningnummer [nummer 3] op naam van

[persoon 2] (in of omstreeks de periode van 22 februari 2017 tot en met

19 november 2019),

-een totaal van EUR 56.292,52 of daaromtrent aan transacties/betalingen (met de

omschrijving ‘loon’) door [bedrijf 1] op bankrekeningnummer

[nummer 3] op naam van [persoon 2] (in of omstreeks de periode van

21 februari 2020 tot en met 6 januari 2022).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De hiervoor vermelde bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 bestaan (ieder voor zich) uit één feitencomplex, waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag ligt. De strekking van de betreffende strafbepalingen loopt ook niet zo ver uiteen dat niet zou kunnen worden geoordeeld dat verdachte één verwijt zou kunnen worden gemaakt (vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1028). De rechtbank constateert daarom dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie (zie bijlage).

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie vordert de in beslag genomen verdovende middelen en de verkeerssignaalbak te onttrekken aan het verkeer, de vier in beslag genomen telefoons verbeurd te verklaren en de memorykaart terug te geven aan de beslagene.

De officier van justitie vordert de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt in het geval van een bewezenverklaring – onder verwijzing naar jurisprudentie – te volstaan met een gevangenisstraf van vier jaren.

De verdediging verzoekt de in beslag genomen telefoons terug te geven aan de beslagene. Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging verzoekt de schorsing van voorlopige hechtenis te laten voortduren.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van een zeer grote hoeveelheid MDMA-kristallen (441,63 kilogram) en het voorbereiden en/of bevorderen van drugshandel. Ook is er een grote diversiteit aan drugs aangetroffen in verdachtes woning. Harddrugs, zoals onder meer MDMA, bevatten stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. MDMA vormt dan ook een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Door het vervoer van een dergelijke grote hoeveelheid MDMA heeft verdachte zich begeven op het terrein van de handel in verdovende middelen, waarmee hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Met de handel in MDMA wordt veel geld verdiend en deze handel gaat daardoor gepaard met vele vormen van -ook zeer ernstige- criminaliteit, waaronder liquidaties. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet meer dan terecht dat er voor de (georganiseerde) handel in MDMA lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met de (georganiseerde) criminaliteit in te laten.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van grote geldbedragen. Witwassen draagt bij aan de financiering van criminaliteit en daarmee de instandhouding. Het leidt er toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna het geld vrijelijk in de legale economie kan worden uitgegeven. Zo kan er ook daadwerkelijk genoten worden van de uit misdrijf verkregen opbrengst. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd.

Strafverzwarende en strafmatigende omstandigheden.

De rechtbank realiseert zich dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbinnen de berechting van de verdachte had moeten plaatsvinden, is overschreden. De redelijke termijn van berechting vangt aan vanaf het moment dat door of vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval was dat de aanhouding van verdachte op 11 januari 2022. De rechtbank doet uitspraak in deze zaak op 3 mei 2024 ofwel ruim twee jaren en drie maanden later. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting van ruim drie maanden. Gelet evenwel op deze relatief vrij beperkte overschrijding van de redelijke termijn – zoals ook gesteld door de officier van justitie en niet betwist door de verdediging – zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering van deze inbreuk.

Strafverzwarend acht de rechtbank dat verdachte na de aanhouding van [verdachte] is afgereisd naar Thailand. Gezien de door verdachte verstuurde berichten lijkt het erop dat hij dit heeft gedaan om ‘onder de radar te blijven’ en zo zijn vervolging te ontlopen. Zo stuurde verdachte dat zijn vrienden in Nederland opgepakt zijn en hij uit Nederland weg blijft tot de zaak voorbij is en de chauffeur veroordeeld is. Uit de chatgesprekken volgt verder dat verdachte aldaar ‘gewoon’ is verdergegaan met (het voorbereiden en/of bevorderen van) drugshandel. Dit getuigt van een onverschillige en hardnekkige houding. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit de berichten tussen verdachte en [verdachte] kan worden afgeleid dat verdachte een meer leidinggevende rol had ten opzichte van het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van de 441,63 kilogram MDMA-kristallen en het voorbereiden en/of bevorderen daarvan. Daaruit ontstaat immers het beeld dat verdachte instructies gaf aan chauffeur [verdachte]. Ook deze rol van verdachte zal strafverzwarend worden meegenomen.

Het strafblad van verdachte speelt bij het bepalen van de strafmaat geen rol, nu verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Oriëntatiepunten en strafmodaliteit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straffen die de rechtbanken onderling hebben vastgesteld. Voor vervoer van meer dan 20 kilogram harddrugs is het uitgangspunt een gevangenisstraf van meer dan 50 maanden. Daarbij moet worden opgemerkt dat het in deze zaak gaat om een substantieel grotere hoeveelheid, namelijk 441,63 kilogram. Voor het aanwezig hebben van tussen de 500 en 1000 gram harddrugs is het uitgangspunt een gevangenisstraf van drie maanden. Voor het witwassen zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor fraude met benadelingsbedrag van € 250.000,-- tot € 500.000,--. Daarvoor geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat een andere straf dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen recht doet aan de ernst van de feiten zoals die zijn gepleegd. De rechtbank zal geen geldboete naast een gevangenisstraf opleggen. Zoals vermeld in de oriëntatiepunten is daarvoor (ook) van belang dat er een ontnemingsvordering aanhangig is.

De conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van het voorarrest, overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Evenals de officier van justitie en de raadsman ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen verkeerssignaalbak aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en dit voorwerp toebehoorde aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank is verder van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen drugs aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen memorycard bevelen, nu het recht van strafvordering zich niet verzet tegen een teruggave daarvan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en

2, 10, 10a van de Opiumwet

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen of om daartoe inlichtingen te verschaffen en

-vervoermiddelen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

-een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of

om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

-zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Ten aanzien van feit 5 primair:

het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

 Verklaart verbeurd de navolgende in beslag genomen goederen:

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702455, wit, merk: Apple);

-1GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702457, zwart, merk: Apple);

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702480, blauw, merk: Samsung);

-1 GSM (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702482, rood, merk: Samsung).

 Onttrekt aan het verkeer de navolgende in beslag genomen goederen:

-2 blokjes hash (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013_702474);

-1 zak drugs (702481, klein zakje met diverse verdomi);

-verkeerssignaalbak (Omschrijving: PL2600-LEFCG19013 702479, baken (zelf gemaakt)).

 Beveelt de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen goed, te weten

-1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: L2600-LEFCG19013 702475, zilver).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. R. Hebbink, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 3 mei 2024.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.