Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:4538Zaaknummer 18-071299-26

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
18-071299-26
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor dealen van heroïne en cocaïne (art. 2 onder B Opiumwet) en verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW); bruikbaarheid verklaring van een niet door verdediging ondervraagde getuige; voldoende bewijs dat telefoonnummers aan verdachte toebehoorden; gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag, te weten 2.500.

Ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 229,60 (zegge: tweehonderdnegenentwintig euro en zestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening;

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 229,60 (zegge: tweehonderdnegenentwintig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door E.S. van den Berg, voorzitter, mr. W .S. Sikkema en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Mr. Van den Berg en mr. Runia zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie

Eenheid Noord-Nederland, met het proces-verbaal nummer 2026061217, doorgenummerd 1 tot en met

193. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.

2 Paginas 12 en 13.

3 Pagina 44.

4 Pagina 57.

5 Pagina 59.

6 Pagina 140.

7 Paginas 141 en 142.

8 Paginas 140 en 141.

9 Pagina 143.

10 Pagina 142.

11 Paginas 142 en 143.

12 Pagina 83.

13 Pagina 85.

14 Pagina 122.

15 Pagina 168.

16 Paginas 85 en 86.

17 Paginas 86 en 87.

18 Pagina 100.

19 Pagina 135.

20 Pagina 145.

21 Pagina 143.

22 Pagina 85.

23 Pagina 168.

24 Pagina 165.

25 Pagina 100.

26 Pagina 125.

27 Pagina 151.

28 Pagina 12.

29 Pagina 131.

30 Pagina 92.

31 Pagina 97.

32 Pagina 133.

33 Pagina 94.

34 Pagina 125.

35 Pagina 126.

36 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0100-

2025295468-53 d.d. 24 juli 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullend procesdossier.

37 Pagina 103 en 104.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Beoordeling van het bewijs
  2. Bewezenverklaring
  3. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  4. Strafbaarheid van verdachte
  5. Strafmotivering
  6. Benadeelde partij
  7. In beslag genomen goederen
  8. Uitspraak
  9. De rechtbank
  10. Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag, te weten 2.500.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-071299-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], wonende te [adres 1],

thans gedetineerd in de [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 06 oktober 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Diemen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2025 tot en met 3 maart 2026 te Leeuwarden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Leeuwarden op/aan de [adres 2], op of omstreeks 3 maart 2026, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) schade was toegebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten eerste kan niet worden vastgesteld dat de telefoonnummers in het dossier dealnummers zijn. Ook kan niet vastgesteld worden dat de telefoonnummers in het dossier aan verdachte toebehoren. In de auto van verdachte zijn twee telefoons gevonden. Deze telefoons zijn niet uitgelezen en het enige wat de politie stelt is dat het telefoonnummer dat eindigt op [nummer] op een specifiek moment in augustus in de Samsung van verdachte zou hebben gezeten.

De verdediging acht daarbij de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) niet betrouwbaar en heeft de betrouwbaarheid ook niet kunnen toetsen, omdat [medeverdachte] zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen bij de rechter-commissaris. De koppeling tussen de telefoonnummers en verdachte vindt verder onvoldoende betrouwbare en objectieve ondersteuning in de rest van het dossier. Gelet op de Vidgen-jurisprudentie mag de verklaring van [medeverdachte] daarom niet gebruikt worden voor het bewijs.

De overige getuigenverklaringen in het dossier zijn te vaag en onbruikbaar om een dealperiode te bewijzen.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot feit 2.

Oordeel van de rechtbank

Bruikbaarheid verklaring [medeverdachte]

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] een belastende verklaring over verdachte heeft afgelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, omdat de verdediging [medeverdachte] vanwege een beroep op het verschoningsrecht daarover niet heeft kunnen ondervragen.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220:

2.3.1 In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging ondanks het nodige initiatief niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.)

2.3.2 Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021,

ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.)

In onderhavige zaak heeft de verdediging [medeverdachte] niet effectief kunnen ondervragen over zijn belastende verklaring, omdat hij zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Er bestond dus een goede reden voor de beperking van het ondervragingsrecht van de verdediging.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gelet op wat de rechtbank hierna zal opnemen over het bewijs, een bewezenverklaring van feit 1 niet uitsluitend of in doorslaggevende mate berust op de verklaring van [medeverdachte] (sole or decisive rule). Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende steunbewijs in het dossier voorhanden om de betrokkenheid van verdachte bij het feit vast te stellen.

De rechtbank acht daarbij de verklaring van [medeverdachte] met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte ook betrouwbaar. Hij heeft met zijn verklaring ook deels belastend over zichzelf verklaard, zonder dat de politie vooraf wist van de drugs in zijn huis. Zijn verklaring wordt daarbij dusdanig ondersteund door overige bewijsmiddelen, zoals de rechtbank hierna zal opnemen, dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan deze verklaring.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de omstandigheid dat de verdediging [medeverdachte] niet heeft kunnen ondervragen niet in de weg staat aan het gebruik van de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de procedure in zijn geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Bewijsmiddelen

Op 3 maart 2026 zien verbalisanten tijdens een algemene surveillance verdachte rijden in een witte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]. Na meerdere observaties zien zij verdachte een aanrijding veroorzaken met een geparkeerd voertuig. Hierna zien ze verdachte weglopen.2 In de auto worden twee telefoons aangetroffen, waarover verdachte in zijn verhoor verklaart dat deze van hem zijn.3

Op 10 oktober 2025 vertelt [medeverdachte], op dat moment ingesloten vanwege brandstichting, aan een verbalisant dat hij zich zorgen maakte over de veiligheid van zijn vriendin. In zijn woning op de [adres 3] zou onder een salontafel een sealbag met bolletjes bruin en wit liggen. [medeverdachte] was bang dat een dealer, ene [bijnaam verdachte] (fonetisch) deze spullen zou komen ophalen.4 Diezelfde dag betreden verbalisanten de woning aan de [adres 3]. Onder een salontafel vinden zij 19 bolletjes bruin, 7 bolletjes wit, en 3 zakjes met witte brokjes.5 In verhoor vertelt [medeverdachte] dat [bijnaam verdachte] hem enkele jaren geleden had verteld hoeveel hij kon verdienen per verkocht bolletje en wat hij moest doen.6 Tweeëneenhalve week of drie weken voor de datum van het verhoor kwam hij weer bij [medeverdachte] en vertelde hij dat hij een jaar had vastgezeten voor hetzelfde als wat hij wilde dat [medeverdachte] nu voor hem zou doen.7 Hij gaf hem een plastic zak met bolletjes wit en bruin, verpakt en per kleur gesorteerd, en vertelde dat [medeverdachte] in zijn notities moest opschrijven wat hij hem zou geven en hoe duur het was per bolletje.8 In de notities van [medeverdachte] s telefoon zou staan wat [medeverdachte] in bezit had en wat [bijnaam verdachte] aan [medeverdachte] had gegeven.9 [medeverdachte] heeft een deel van de bolletjes verkocht. Via Signal stuurde deze persoon een adres naar [medeverdachte] en wat erheen moest.10

[medeverdachte] vertelt over deze persoon dat hij [bijnaam verdachte] heet, 1,65 of 1,70 meter lang is, kort en stekelig zwart haar, een beetje gezet postuur en een klein zwart baardje heeft en in een witte Volkswagen rijdt. Hij vertelt dat hij uit Libanon kwam. Op zijn profielfoto van Facebook of Instagram is hij te zien met gezicht en lichaam, in een zittende houding, met een ketting om en met een groen T-shirt. Op Signal heette hij [Signalaccount] .11

Verbalisant [verbalisant] ziet op Facebook een gebruiker met de naam [facebookaccount]. Verbalisant ziet dat de man in [plaats] woont en uit Libanon komt. De profielfoto was een zittende man met een groen T-shirt en een ketting om zijn nek. Verbalisant herkent deze man als verdachte.12

De politie heeft in de telefoon van [medeverdachte] gezocht op het contact [Signalaccount] en het volgende gezien: [Signalaccount]: [accountnaam 1] .13 De politie had de telefoons, waarvan verdachte heeft verklaard dat deze van hem zijn, in beslag genomen en heeft daarbij vastgesteld dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de S25 Ultra heeft gezeten.14 Bij de andere telefoon, een iPhone, ziet de politie tevens dat er in dit toestel een simkaart heeft gezeten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .15

In de telefoon van [medeverdachte] staan notities over een voorraad koffie en melk met getallen erachter, waarbij het verbalisant vanuit zijn taak als lid van het drugsteam Leeuwarden bekend is dat met “koffie” heroïne en met “melk” cocaïne wordt bedoeld. Ook staat in de notities:

“390 aan drugs

430

370

45

166 euro verdiend.”16

In de telefoon worden voorts afbeeldingen aangetroffen, waarop zes conversaties met [Signalaccount] te lezen zijn. Tussen 28 september 2025 en 9 oktober 2025 stuurt [Signalaccount] meerdere berichten naar [medeverdachte], waarbij hij adressen stuurt en daarbij spreekt over b en w. Hierbij merkt de verbalisant op dat het hem ambtshalve bekend is dat op de gestuurde adressen ambtshalve bekende harddrugsgebruikers wonen.17

Uit de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] blijkt dat het nummer voornamelijk in Leeuwarden actief is geweest en dat in de periode tussen 15 mei 2025 en 31 oktober 2025 het telefoonnummer wordt gebeld door meerdere ambtshalve bekende harddrugsgebruikers, waaronder [medeverdachte] en [naam 1] .18 Op 17 augustus 2025 was er contact tussen [naam 1] en dit nummer.

Tegen de politie heeft [naam 1] gezegd dat [naam 2] een maat van hem is en dat hij verdovende middelen van hem koopt.19 [medeverdachte] heeft over de dealer verklaard dat klanten hem bij de deur [bijnaam naam 2] noemden.20

[medeverdachte] heeft ook verklaard dat deze [bijnaam verdachte] meerdere nummers had. Het telefoonnummer dat is gekoppeld aan de naam [contactnaam] is het nummer dat [medeverdachte] aan mensen moest geven als hij klanten tegenkwam.21

De politie heeft in de telefoon van [medeverdachte] gezocht op het contact [contactnaam] en het volgende gezien: [contactnaam]: telefoonnummer [telefoonnummer 2] .22 Uit de gegevens van de iPhone van verdachte blijkt dat er in de iPhone ook het MSISDN [telefoonnummer 2] heeft gezeten.23 De verbalisant verduidelijkt dat met het MSISDN het telefoonnummer wordt aangeduid.24

Uit de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] blijkt dat er in de periode tussen 11 augustus 2025 en 31 oktober 2025 contact is met diverse ambtshalve bekende drugsgebruikers.25 Volgens de politie blijkt uit een korte scan een lijst met 20 namen van afnemers, waaronder [naam 3] .26 Deze [naam 3] heeft tegenover de politie beaamd bruin te hebben gekocht via het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .27

Tijdens de observatie op 3 maart 2026 hebben verbalisanten gezien dat verdachte kort dichtbij een woning van een harddrugsgebruiker parkeerde en vervolgens wegreed. Later zagen zij verdachte de woning van [naam 4], ook een harddrugsgebruiker, betreden. Na enkele minuten verliet verdachte weer de woning.28 Diezelfde dag heeft deze [naam 4] tegenover verbalisanten verklaard dat hij net een bolletje crack had gekocht bij een dealer via het telefoonnummer [telefoonnummer 2], dat hij zo nu en dan bij deze dealer koopt en dat hij hem in zijn telefoon heeft opgeslagen als “maak een haai tam”.29 Op 5 januari 2026 hadden verbalisanten ook gezien dat verdachte in Leeuwarden reed, voor de woning van [naam 4] was gestopt, naar binnen was gegaan en na 20 seconden weer naar buiten was gelopen.30

Ook op 2 maart 2026 observeerden verbalisanten verdachte terwijl hij in zijn auto in Leeuwarden reed. Tijdens deze observatie zagen zij onder meer een ambtshalve bekende harddrugsgebruiker instappen bij verdachte en na enkele seconden uitstappen. Ook zagen zij verdachte naar een woning lopen waarvan het verbalisanten bekend is dat daar twee harddrugsgebruikers, [naam 5] en [naam 6], wonen.31 Later heeft deze [naam 6] bevestigd dat hij toen een bolletje wit en bruin heeft gekocht bij een dealer die op straat [naam 2] wordt genoemd. Hij heeft daarbij gezegd dat hij contact met hem kreeg via het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Hij bestelde voor het eerst bij hem in oktober 2025 en bestelde meerdere keren per week. De eerste twee à drie keer kwam een Afrikaanse man, maar daarna kwam de dealer zelf.32

Op 24 februari 2026 hebben verbalisanten verdachte ook geobserveerd terwijl verdachte in Leeuwarden in zijn auto reed. Hierbij zagen zij onder meer verdachte onlogische routes rijden en een appartementencomplex betreden waarvan het verbalisanten bekend is dat daar meerdere harddrugsgebruikers woonachtig zijn. Zij zagen dat hij daar kort binnen was en toen weer terugliep naar zijn voertuig.33

De politie heeft uit de historische gegevens vastgesteld hoe vaak personen in de periode tussen 15 mei 2025 en 2 maart 2026 naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] hebben gebeld. [naam 1] heeft 20

keer gebeld, [naam 7] 17 keer, [naam 8] 12 keer, [naam 9] 10 keer en [naam 10] 6 keer. De politie heeft deze personen allemaal aangemerkt als ambtshalve bekende harddrugsgebruikers.34

De politie heeft ook vastgesteld hoe vaak in de periode tussen 11 augustus 2025 en 1 maart 2026 naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is gebeld. [naam 11] heeft 18 keer gebeld, [naam 12] 17 keer,

[naam 13] 15 keer, [naam 14] 10 keer, [naam 3] 9 keer, [naam 15] 7 keer, [naam 16] 7 keer, [naam 17]

7 keer, [naam 1] 6 keer, [naam 18] 5 keer, [naam 19] 5 keer en [naam 20] 5 keer. De politie heeft ook deze personen allemaal aangemerkt als ambtshalve bekende harddrugsgebruikers.35

Op de in beslag genomen Samsung van verdachte is een conversatie op Snapchat aangetroffen,36 tussen de eigenaar van de telefoon in de chat aangeduid met [accountnaam 2], en ene [naam 21]. In dit gesprek is onder meer te lezen dat voornoemde [accountnaam 2] op 23 februari 2026 stuurt dat hij puntje meer bij moest betalen, omdat p niet zomaar te verkrijgen is. Hij stuurt daarbij 100x25 2500. Vervolgens stuurt hij dat p kk duur is en spreekt hij over inkoop en boli liter. Door de verbalisant wordt daarbij opgemerkt dat p straattaal is voor pure cocaïne en boli in straattaal staat voor een drugsdealer in cocaïne van hoge kwaliteit, specifiek afkomstig uit Bolivia. Op 27 februari 2026 vraagt [accountnaam 2] of [naam 21] leeg is.37

Bewijsoverweging

De rechtbank is op grond van het bovenstaande, anders dan de verdediging, van oordeel dat vastgesteld kan worden dat beide telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2], aan verdachte toebehoren. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk duidelijk dat [medeverdachte] het heeft over verdachte, gelet op hoe hij hem (fonetisch) noemt, de beschrijving die hij van hem en van de gecontroleerde Facebookprofielfoto geeft en dat hij vertelt dat hij in een witte Volkswagen rijdt. Hij noemt daarbij de namen [Signalaccount] en [contactnaam], welke in zijn telefoon elk aan een van de telefoonnummers zijn gekoppeld. Het telefoonnummer eindigend op 855 heeft in de iPhone van verdachte gezeten en het telefoonnummer eindigend op [nummer] heeft in de iPhone én in de Samsung van verdachte gezeten.

Ook hebben meerdere drugsgebruikers verklaard over het kopen van drugs via het telefoonnummer eindigend op 855. [naam 4] heeft zelfs het nummer opgeslagen als maak een haai tam, wat de rechtbank ziet als een duidelijke verwijzing naar de voornaam van verdachte. Ook hebben verbalisanten tijdens observaties gezien dat verdachte aan de deur kwam bij [naam 4] en [naam 6], die hebben verklaard dat

zij op die dagen drugs hadden gekocht via datzelfde telefoonnummer. [naam 6] en [naam 1] noemden hem [naam 2], terwijl [medeverdachte] had verklaard dat klanten verdachte bij de deur zo noemden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat deze telefoonnummers gebruikt werden voor de handel in harddrugs, te weten heroïne en cocaïne. Er zijn ten eerste meerdere drugsgebruikers die hebben verklaard via deze telefoonnummers drugs te hebben gekocht. Uit de chats met [medeverdachte] blijkt ook dat verdachte, onder de naam [Signalaccount], [medeverdachte] adressen doorstuurde met hoeveelheden b en w, hetgeen de rechtbank begrijpt als bruin (heroïne) en wit (cocaïne). Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide telefoonnummers veelvuldig zijn gebeld door telefoonnummers die gekoppeld zijn aan ambtshalve bekende harddrugsgebruikers. Hoewel de inhoud van deze gesprekken niet bekend is, is het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de frequentie en alles wat hiervoor overwogen is, zeer onwaarschijnlijk dat dit over iets anders ging dan over het verkopen van drugs.

De rechtbank overweegt tot slot met betrekking tot de getuigenverklaringen het volgende. Op zichzelf zijn deze getuigenverklaringen onvoldoende om een concrete dealperiode vast te stellen of iets te zeggen over de frequentie van het dealen. De rechtbank is echter van oordeel dat de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang gezien moeten worden met de overige bewijsmiddelen. Op grond van deze bewijsmiddelen tezamen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Het begin van de dealperiode stelt de rechtbank vast op 17 augustus 2025, de eerste concrete datum in het dossier waarop verdachte contact heeft gehad met [naam 1], die als harddrugsgebruiker blijkens de historische gegevens veelvuldig contact heeft gehad met verdachte.

De rechtbank verwerpt derhalve de verweren van de raadsman en acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 06 oktober 2026;
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2026, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026061217 d.d. 23 juni 2026, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2026, opgenomen op pagina 147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op tijdstippen in de periode van 17 augustus 2025 tot 28 september 2025 en in de periode van 10 oktober 2025 tot en met 3 maart 2026 alleen, en

in de periode van 28 september 2025 tot en met 9 oktober 2025 tezamen en in vereniging met een ander,

te Leeuwarden opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Leeuwarden aan de [adres 2], op 3 maart 2026, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [slachtoffer], schade was toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2. overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte graag hulp wenst. Hij heeft niet eerder hulp aangeboden gekregen en is zeer gemotiveerd om aan zichzelf te werken. Een voorwaardelijke straf met voorwaarden zou als stok achter de deur kunnen fungeren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van het Leger des Heils, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het gedurende meerdere maanden dealen van cocaïne en heroïne. Deze harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid en mede daarom verboden. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in het verkeer brengen van deze drugs. Daarnaast gaat het gebruik van harddrugs regelmatig gepaard met criminaliteit en (andere) overlast. Vaak plegen harddrugsgebruikers immers vermogensfeiten om het drugsgebruik te bekostigen. Verdachte is hier door zijn handelen medeverantwoordelijk voor. Ook rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij een tijdje een ander voor zich heeft laten dealen.

Verder acht de rechtbank het kwalijk dat verdachte met zijn auto een andere auto heeft aangereden en vervolgens de plaats van de aanrijding heeft verlaten, terwijl hij wist dat door die aanrijding schade was veroorzaakt.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij meerdere malen in de afgelopen vijf jaren onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten met betrekking tot de Opiumwet.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 22 september 2026. De reclassering beschrijft daarin geen gedegen inschatting te kunnen maken van de leefgebieden in verband met de proceshouding van verdachte. Zij zien wel een zorgelijk patroon van recidive en schatten de recidivekans in als hoog, maar adviseren een straf zonder bijzondere voorwaarden, nu zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag te veranderen. Eerdere voorwaardelijke straffen en behandel- of begeleidingspogingen hebben het criminele gedrag van verdachte niet kunnen beteugelen. De reclassering ziet ook geen specifieke contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hieruit volgt dat in het geval van met enige regelmaat dealen van harddrugs gedurende 3 tot 6 maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden het oriëntatiepunt is. Bij een dealperiode van 6 tot 12 maanden is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Uit het dossier volgt niet een concrete frequentie waarmee verdachte gedurende de pleegperiode heeft gedeald. Er is niet voldoende bewijs om voor elke week in de periode van ongeveer zeven maanden vast te stellen dat dealhandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom in het voordeel van verdachte het oriëntatiepunt ten aanzien van de kortere dealperiode als uitgangspunt nemen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat recidive bij Opiumwetfeiten zwaar weegt in strafverzwarende zin. Nu het oriëntatiepunt geen rekening houdt met recidive, waar in het geval van verdachte wel (meermaals) sprake van is, is de rechtbank van oordeel dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het oriëntatiepunt passend is. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een deel van de pleegperiode in vereniging heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank daarom de eis van de officier van justitie passend. De rechtbank zal daarbij niet bepalen dat een deel voorwaardelijk is of bijzondere voorwaarden opleggen, gelet op het reclasseringsadvies en op het feit dat de rechtbank niet het vertrouwen heeft dat verdachte op enig moment in het proces oprecht is geweest en afstand wil nemen of heeft genomen van de drugscriminaliteit.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 879,60 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hierbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de welwillendheid van verdachte om de schade te vergoeden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de schade. Uit de onderbouwing van de benadeelde partij blijkt dat er twee visies bestaan over de dagwaarde van de auto. Aan de hand van de stukken kan onvoldoende vastgesteld worden dat de verzekeraar op onjuiste wijze heeft getaxeerd. Aanhouding om de benadeelde partij de gelegenheid te geven dit nader te onderbouwen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De posten met betrekking tot de

wegenbelasting, verzekering en ANWB-premie komen voorts niet voor toewijzing in aanmerking.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de dagwaarde van de auto het volgende. De benadeelde partij heeft de dagwaarde laten vaststellen door een schadebedrijf. De verzekering heeft ook een dagwaarde vastgesteld en kwam uit op een ander bedrag. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd waarom de hogere dagwaarde leidend dient te zijn en dat het verschil daarom vergoed dient te worden. Omdat aanhouding van de zaak voor nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal de rechtbank bepalen dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde posten met betrekking tot de wegenbelasting, verzekering en ANWB-premie toegewezen kunnen worden. De benadeelde partij heeft twee maanden geen gebruik kunnen maken van zijn auto en wel deze kosten betaald. Dit is aan te merken als schade voor kosten die hun doel hebben gemist en een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

In beslag genomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geld verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om het in beslag genomen geld aan verdachte terug te geven. Het betreft geld van zijn uitkering dat hij al langere tijd in zijn bezit had. Uit de door de verdediging aangeleverde stukken blijkt dat verdachte regelmatig geld gepind heeft en dat er maandelijks geld van zijn uitkering werd gestort.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het in beslag genomen geld als volgt. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte voor een langere periode zich heeft bezig gehouden met het dealen van harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een lucratieve bezigheid is. Verdachte heeft aangetoond dat hij van een bijstandsuitkering leeft. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat het moeilijk is om van het geld van een bijstandsuitkering rond te komen. De rechtbank acht het derhalve onwaarschijnlijk dat verdachte een geldbedrag van 2.100,- heeft kunnen sparen van enkel de inkomsten van een bijstandsuitkering. Dat dit bedrag afkomstig is uit de inkomsten van de drugshandel is wel aannemelijk. Dat de verdediging met bankgegevens heeft aangetoond dat verdachte bedragen heeft opgenomen doet daar niet aan af.

De rechtbank zal daarom het geldbedrag verbeurd verklaren, nu het aan verdachte toebehoorde en het geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit is verkregen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 van de Opiumwet en de artikelen 7, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag, te weten 2.500.

Ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 229,60 (zegge: tweehonderdnegenentwintig euro en zestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening;

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 229,60 (zegge: tweehonderdnegenentwintig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door E.S. van den Berg, voorzitter, mr. W .S. Sikkema en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Mr. Van den Berg en mr. Runia zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie

Eenheid Noord-Nederland, met het proces-verbaal nummer 2026061217, doorgenummerd 1 tot en met

193. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.

2 Paginas 12 en 13.

3 Pagina 44.

4 Pagina 57.

5 Pagina 59.

6 Pagina 140.

7 Paginas 141 en 142.

8 Paginas 140 en 141.

9 Pagina 143.

10 Pagina 142.

11 Paginas 142 en 143.

12 Pagina 83.

13 Pagina 85.

14 Pagina 122.

15 Pagina 168.

16 Paginas 85 en 86.

17 Paginas 86 en 87.

18 Pagina 100.

19 Pagina 135.

20 Pagina 145.

21 Pagina 143.

22 Pagina 85.

23 Pagina 168.

24 Pagina 165.

25 Pagina 100.

26 Pagina 125.

27 Pagina 151.

28 Pagina 12.

29 Pagina 131.

30 Pagina 92.

31 Pagina 97.

32 Pagina 133.

33 Pagina 94.

34 Pagina 125.

35 Pagina 126.

36 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0100-

2025295468-53 d.d. 24 juli 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullend procesdossier.

37 Pagina 103 en 104.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.