Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 16 april 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3050Zaaknummer 18-196309-24

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
18-196309-24
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht; medeplegen poging doodslag; diefstal met geweld; bedreiging; mishandeling; belediging; diefstal; benadeelde partij

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-196309-24, het onder 1 en 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-325550-25 en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-095295-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 48 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

1. dat de veroordeelde zich op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres [adres], en dat hij zich zal blijven melden zolang en zo vaak als deze instelling dat nodig vindt.

2. dat de veroordeelde in het kader van reclasseringstoezicht medewerking verleent aan het toezicht van en de begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern) gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd.

3. dat de veroordeelde onderwijs volgt en/of dagbesteding heeft volgens een door de jeugdreclassering vastgesteld rooster/weekschema.

4. dat de veroordeelde geen drugs en/of alcohol gebruikt en meewerkt aan controles op dit verbod op de door de jeugdreclassering te bepalen wijze.

5. dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening van de jeugdcoach of soortgelijke instelling, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

6. dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling bij Accare of een soortgelijke instelling, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

7. dat de veroordeelde gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het adres [adres]. De veroordeelde stelt zich ter controle van dit locatiegebod onder elektronische monitoring (GPS). De veroordeelde heeft een aaneengesloten blok van een nader te bepalen uren ter invulling van zijn activiteiten (school, behandeling, sport, hobbys, werk), zoals met de jeugdreclassering wordt afgesproken. De veroordeelde houdt zich aan het weekschema van de jeugdreclassering.

8. dat de veroordeelde alleen onder begeleiding van een ouder of een volwassene goedgekeurd door de jeugdreclassering naar buiten gaat, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te [plaats], een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24, feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe ten laste van [ouder 1] en [ouder 2], de gezaghebbende ouders van verdachte en veroordeelt hen hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, [ouder 1] en [ouder 2] in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24, feit 2, 4, 5 en 6

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:

  • het bedrag van 30,00 (zegge: dertig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 30,00 (zegge: dertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen goed aan verdachte:

- telefoon Apple iPhone 13 (goednummer: BZAG2354)

Dit verkort vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. de Jong en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2026.

Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Tenlastelegging
  2. Bewezenverklaring
  3. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  4. Strafbaarheid van verdachte
  5. Strafmotivering
  6. Benadeelde partij
  7. In beslag genomen goederen
  8. Toepassing van wetsartikelen
  9. Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-196309-24

ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18-325550-25; 18-095295-25

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], wonende te [adres],

thans gedetineerd te [instelling 1].

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.J.C. van Lee, advocaat te Donkerbroek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in de zaak met parketnummer 18-196309-24, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2025 te Leeuwarden, tezamen en in verenging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, opzettelijk meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of naar de grond heeft gewerkt en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of naar de grond heeft gewerkt en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2024 te Leeuwarden openlijk, te weten, op/aan/bij [adres], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- een persoon, te weten [slachtoffer 1], door hem (- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of naar de grond te werken en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen/trappen.

2.

hij op of omstreeks 3 december 2024 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas en/of sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) hem (die [slachtoffer 2]) tegen een muur aan te drukken en/of (daarmee) de vrije doorgang te beletten en/of een of meer mes(sen) in de richting van en/of tegen/op zijn buik en/of tegen/op zijn keel/hals, althans het lichaam, te houden en/of (vervolgens) (langs die keel/hals) snijdende bewegingen te maken en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op zijn hoofd en/of (elders) op zijn lichaam te richten en/of aan hem toe te voegen: "pakjes, pakjes!" en/of te sommeren dat hij zijn jas uit moest doen en/of zijn goederen moest inleveren, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 5 december 2024 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (- zakelijk weergegeven -) een (groot) (keuken)mes tevoorschijn te halen en/of ten overstaan van die [slachtoffer 3] te tonen en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op (het lichaam van) die [slachtoffer 3] richten en/of gericht te houden;

4.

hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Leeuwarden (op/aan de openbare weg) oordopjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of te houden en/of een (op een) mes (gelijkend voorwerp) tevoorschijn te halen en/of in de richting van (de buik, althans het lichaam van) die [slachtoffer 2] te houden en/of die [slachtoffer 2] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of aan die [slachtoffer 2] toe te voegen dat hij zijn zakken leeg moest maken en/of moest tonen wat hij bij zich had;

5.

hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door (- zakelijk weergegeven -) een (op een) mes (gelijkend voorwerp) tevoorschijn te halen en/of in de richting van (de buik, althans het lichaam van) die [slachtoffer 2] te houden en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 2] toe te voegen: "Wil je gaan?" en/of "Wil jij gaan slapen?" en/of "moet hij gaan slapen of wat? Op camera? Moet hij gaan slapen?", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

6.

hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan.

en in de zaak met parketnummer 18-325550-25 dat:

1.

hij op of omstreeks 7 november 2024 te Leeuwarden, althans in Nederland, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] (stevig) bij het oor beet te pakken en/of aan het oor te trekken en/of die [slachtoffer 4] stevig) bij de keel beet te pakken en op de grond te drukken;

2.

hij op of omstreeks 7 november 2024 te Leeuwarden, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 4] in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "homootje", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

en in de zaak met parketnummer 18-095295-25 dat:

hij, op 26 maart 2025 te Leeuwarden, een kabel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Action, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten medeplegen van poging tot doodslag, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, te weten medeplegen van poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte aangever meerdere keren een vuistslag heeft gegeven, hem heeft besprongen en heeft geschopt. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad. Verdachte heeft dit geweld samen met anderen gepleegd, zodat sprake is van medeplegen.

Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

De officier van justitie heeft voorts veroordeling gevorderd voor de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

Ten aanzien van parketnummer 18-325550-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] en de deels bekennende verklaring van verdachte dat hij aangever bij zijn oor zou hebben gepakt en hem “homootje” zou hebben genoemd. Gelet op de context waarbinnen verdachte “homootje” heeft gezegd, namelijk voorafgaand, tijdens en/of vlak na de mishandeling, moet dit als beledigend worden opgevat.

Ten aanzien van parketnummer 18-095295-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het door verdachte geschetste scenario dat hij vergeten is te betalen, niet aannemelijk is.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat het feit gekwalificeerd kan worden als een poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten geen verweer gevoerd. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten sprake is van samenloop.

Ten aanzien van parketnummer 18-325550-25

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten mishandeling, vrijgesproken dient te worden van het beetpakken bij de keel.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, maar het beetpakken bij de keel stellig heeft ontkend. Bovendien is er sprake van aanzienlijk tijdsverloop tussen het incident en de verklaringen van zowel aangever, getuige, als verdachte. Daarnaast is de getuige een vriend van het slachtoffer. Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsvrouw de rechtbank aandacht te hebben voor de betrouwbaarheid van de verklaringen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat in de context waarin verdachte de uitlating heeft gedaan, namelijk nadat aangever “girl” tegen verdachte heeft gezegd, het beledigend karakter ontbreekt.

Ten aanzien van parketnummer 18-095295-25

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van parketnummer 18-196309-24 Feit 1 primair (poging tot doodslag)

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Medeplegen

Verdachte heeft samen met zijn twee medeverdachten geweld gepleegd tegen aangever. Zij hebben elkaar telkens opgevolgd in het geweld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een prominente rol heeft gehad in het gepleegde geweld jegens aangever. In dat oordeel betrekt de rechtbank dat verdachte degene is geweest die aangever voor een tweede keer heeft besprongen, nadat aangever zich al had onttrokken aan het eerste geweldsincident. Door de handelingen van verdachte is aangever in elkaar gezakt. Vervolgens hebben verdachte en zijn medeverdachten aangever, terwijl hij al bewusteloos op de grond lag, geschopt, waaronder tegen het hoofd. Door aangever te bespringen heeft verdachte een tweede golf van geweld tegen aangever veroorzaakt. Ook in het geweld wat hierop volgt heeft verdachte een prominente rol gehad. Hierdoor is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, gericht op het voltooien van het delict. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als medepleger strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de gedragingen van de medeverdachten.

Poging tot doodslag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte en de medeverdachten juridisch gekwalificeerd dient te worden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) heeft gehad op de dood van aangever, zodat zij dient te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het overlijden van aangever aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangever meermalen tegen het hoofd is geslagen en geschopt en is besprongen. Verdachte heeft aangever meermalen met een vuist geslagen en heeft hem tegen het lichaam geschopt. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank voorts af dat aangever meerdere keren tegen het hoofd is geschopt terwijl hij op de grond lag. Aangever is door het geweld bewusteloos geraakt. Het hoofd is naar algemene ervaringsregels een kwetsbaar deel van het lichaam. Het met kracht en geschoeide voet schoppen tegen het hoofd levert de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffers als gevolg daarvan komt te overlijden. Hierbij kan één schop al voldoende zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven hebben geroepen. Dit geldt temeer nu aangever op enig moment bewusteloos raakte en het geweld desondanks doorging. Aangever was op dat moment extra kwetsbaar.

Verdachte heeft als medepleger deze kans bovendien bewust aanvaard. Dit leidt de rechtbank af uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en de medeverdachten. Er is namelijk meermalen en in twee fases geschopt en geslagen tegen het hoofd. Verdachte was beide keren aanwezig en heeft beide keren geweldshandelingen verricht. Bovendien was verdachte degene die aangever, nadat hij na de eerste geweldpleging was weggelopen, opnieuw heeft belaagd door hem te bespringen. Hierop is aangever in elkaar gezakt en bewusteloos geraakt, waarna hij door verdachte en de medeverdachten is geschopt. Verdachte heeft zich op het moment dat aangever op de grond lag en tegen zijn hoofd werd geschopt niet gedistantieerd van het geweld. Verdachte heeft daarentegen juist meegedaan aan het geweld. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte daarom naar hun uiterlijke verschijningsvormen kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van aangever te zijn gericht, zodat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachten bewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangever hebben aanvaard. De rechtbank acht het medeplegen van poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging ten aanzien van parketnummer 18-095295-25 Feit 1 (mishandeling)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever heeft mishandeld door hem bij zijn oor en zijn keel beet te pakken. De aangifte wordt ondersteund door de gedetailleerde getuigenverklaring. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige]. De verklaringen bevatten geen tegenstrijdigheden op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de verklaringen niet op de waarheid berusten. De rechtbank acht de verklaringen van aangever en getuige [getuige] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Dat de verklaringen enige tijd na het incident zijn afgelegd, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Feit 2 (belediging)

De rechtbank verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer. Daartoe overweegt de rechtbank dat het gebruik van het woord “homootje” op zichzelf mogelijk niet beledigend is, maar zoals het door verdachte in de onderhavige context is gebezigd, belediging oplevert. De rechtbank stelt vast dat verdachte de uitlating “homootje” heeft gedaan vlak voor, tijdens en/of net na de mishandeling. In deze situatie kan deze uitlating niet anders dan beledigend zijn bedoeld. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 14 juni 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk meermalen en met kracht tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft geslagen, naar de grond heeft gewerkt en meermalen en met kracht tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

​

hij op 3 december 2024 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met anderen, een jas en sigaretten, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door hem tegen een muur aan te drukken en daarmee de vrije doorgang te beletten en messen in de richting van en tegen zijn buik en tegen zijn keel/hals te houden en vervolgens langs die keel/hals snijdende bewegingen te maken en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn lichaam te richten en aan hem toe te voegen: "pakjes, pakjes!" en te sommeren dat hij zijn jas uit moest doen en zijn goederen moest inleveren;

​

hij op 5 december 2024 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een mes tevoorschijn te halen en ten overstaan van [slachtoffer 3] te tonen en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op [slachtoffer 3] richten;

​

hij op 23 juni 2025 te Leeuwarden, op de openbare weg, oordopjes, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door [slachtoffer 2] vast te pakken en een mes tevoorschijn te halen en in de richting van de buik van [slachtoffer 2] te houden en [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd te slaan en aan [slachtoffer 2] toe te voegen dat hij zijn zakken leeg moest maken en moest tonen wat hij bij zich had;

​

hij op 23 juni 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een mes tevoorschijn te halen in de richting van de buik van [slachtoffer 2] te houden en daarbij aan [slachtoffer 2] toe te voegen: "Wil je gaan?" en "Wil jij gaan slapen?" en "moet hij gaan slapen of wat? Op camera? Moet hij gaan slapen?”;

​

hij op 23 juni 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem meermalen tegen het hoofd te slaan.

Ten aanzien van parketnummer 18-325550-25

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 november 2024 te Leeuwarden, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door [slachtoffer 4] bij het oor beet te pakken en aan het oor te trekken en [slachtoffer 4] bij de keel beet te pakken en op de grond te drukken;

2.

hij op 7 november 2024 te Leeuwarden, opzettelijk [slachtoffer 4] in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "homootje".

Ten aanzien van parketnummer 18-095295-25

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 maart 2025 te Leeuwarden een kabel die aan Action toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24

  • primair medeplegen van poging tot doodslag;
  • diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
  • medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
  • diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
  • bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
  • mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 18-325550-25

  • mishandeling;
  • belediging.

Ten aanzien van parketnummer 18-095295-25

1. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-196309-24 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-196309-24 in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een jeugddetentie voor de duur van één jaar, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsvrouw heeft bepleit de bijzondere voorwaarde betreffende ITB Harde Kern te beperken voor de duur van drie maanden.

Oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Op 14 juni 2024 heeft verdachte zich samen met anderen op de skatebaan in Leeuwarden schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Er ontstond een conflict tussen het slachtoffer en één van de medeverdachten, omdat de medeverdachte dacht dat het slachtoffer iets over hem had gezegd wat achteraf niet het geval bleek te zijn. Verdachte heeft zich vervolgens met de ruzie bemoeid. Samen met de twee medeverdachten heeft verdachte het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer heeft geprobeerd zich te onttrekken aan de situatie door weg te lopen. Terwijl het slachtoffer weg probeerde te lopen, is verdachte bovenop hem gesprongen. Als gevolg hiervan is het slachtoffer in elkaar gezakt en weerloos op de grond terecht gekomen. Terwijl het slachtoffer bewusteloos op de grond lag, is het geweld tegen hem doorgegaan. Het slachtoffer is onder meer tegen zijn hoofd geschopt. Door het gepleegde geweld is het slachtoffer buiten bewustzijn geraakt.

De rechtbank vindt dit zinloze en ernstige geweld bijzonder kwalijk. Het slachtoffer werd vanuit het niets belaagd, waarbij hij meermalen en op kwetsbare plekken van het lichaam is geschopt en geslagen en zelfs nadat hij bewusteloos raakte was het voor verdachte en de anderen nog niet klaar. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Als gevolg van het geweld heeft het slachtoffer pijn en letsel opgelopen. Dat de gevolgen voor het slachtoffer niet vele malen ernstiger zijn geweest, is een geluk en niet aan verdachte te danken. Dat het feit voor het slachtoffer bovendien ontzettend beangstigend is geweest, is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat

de geweldpleging heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte waar veel jongeren aanwezig waren die niets met het incident te maken hadden. Het feit heeft dan ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid gezorgd. Het skatepark hoort een plek te zijn waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen en plezier met elkaar kunnen maken. Verdachte heeft dit ernstig verstoord.

Vervolgens heeft verdachte op 7 november 2024 een medeleerling na afloop van een schoolfeest beledigd en mishandeld door hem bij zijn oor en keel beet te pakken. Het handelen van verdachte zou zijn voortgekomen uit het feit dat het slachtoffer “girl” tegen verdachte zou hebben gezegd. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte op een schoolplein, na afloop van een schoolfeest, het nodig heeft gevonden om een medeleerling te mishandelen en te beledigen. Met zijn handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt. Dit terwijl een school bij uitstek een plek dient te zijn waar iemand zich veilig moet kunnen voelen en zichzelf moet kunnen zijn.

Daarnaast heeft verdachte zich op 3 december 2024 schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving. Onder valse voorwendselen heeft verdachte een afspraak met het slachtoffer gemaakt om te komen naar de flat aan [adres] in Leeuwarden. Tijdens deze afspraak zijn verdachte en zijn mededaders op het slachtoffer afgekomen, waarna zij hem tegen een muur hebben gedrukt, een mes tegen zijn buik en keel hebben gehouden en een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem hebben gericht. Op 5 december 2024, toen het slachtoffer met zijn vader de gestolen spullen bij een van de medeverdachten wilde ophalen, heeft verdachte de vader van het slachtoffer bedreigd met een mes. Enige tijd later, op 23 juni 2025, heeft verdachte hetzelfde slachtoffer opnieuw op gewelddadige wijze beroofd. Verdachte heeft hierbij een mes getoond en tegen de buik van het slachtoffer gehouden. Ook heeft verdachte het slachtoffer meerdere keren geslagen en hem gesommeerd om excuses aan te bieden voor het doen van aangifte van de eerdere beroving.

De onderhavige feiten betreffen zeer ernstige feiten, die voor het slachtoffer ontzettend beangstigend moeten zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van het slachtoffer gemaakt. De rechtbank acht de gewelddadige wijze waarop deze berovingen hebben plaatsgevonden, en het gebruik van wapens daarbij, bovendien bijzonder kwalijk.

Tot slot heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Met zijn handelen heeft verdachte wederom aangetoond geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander.

Persoon van verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten achtereenvolgens 13, 14 en 15 jaar oud. Uit de justitiële documentatie van 5 maart 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 18 juni 2024 geschorst. Op 12 december 2024 is deze schorsing opgeheven, omdat verdachte nieuwe strafbare feiten had gepleegd. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van verdachte op 27 december 2024 opnieuw onder strenge voorwaarden, waaronder een jeugdreclasseringsmaatregel en ITB Harde Kern, geschorst. De schorsing is op 27 juni 2025 wederom opgeheven, omdat verdachte opnieuw strafbare feiten had gepleegd. De schorsingsperiode met strikte voorwaarden heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om door te gaan met het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het psychologisch Pro Justitiarapport van 22 april 2025, opgemaakt door M. Dubbelaar, GZ-psycholoog. Uit het rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis. De psycholoog heeft geconcludeerd dat deze stoornissen ook ten tijde van het plegen van de feiten gepleegd op 14 juni 2024, 3 december 2024 en 5 december 2024 aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment hebben beïnvloed. De psycholoog adviseert dan ook om deze feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt, mede gelet op de toedracht van de feiten en de indruk die verdachte ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt, voormelde conclusie over. De rechtbank ziet in de door de deskundigen beschreven problematiek aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten.

Uit het rapport blijkt onder meer dat het gedrag van verdachte gestuurd wordt door impulsiviteit en eigen directe behoeften. Verdachte kan de oorzaak en het gevolg onvoldoende overzien, hetgeen voortkomt vanuit een achterstand in de ontwikkeling. Daarnaast is sprake van een gebrekkige gewetensontwikkeling, is verdachte beïnvloedbaar en is er sprake van gebrekkige sociale vaardigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze problematiek doorgewerkt bij alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank concludeert dan ook dat alle feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen en zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de straf.

De psycholoog heeft verder de kans op recidive ingeschat als matig tot hoog. Verdachte heeft weinig inzicht in zijn gedrag en houding en komt ondanks de geboden kaders en ondersteuning herhaaldelijk in de problemen. Daarnaast is bij verdachte sprake van impulsiviteit en een gebrek aan berouw en empathie. Er zijn weinig beschermende factoren. Verdachte heeft veel ondersteuning en toezicht nodig om recidive te voorkomen. De psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden het meewerken aan behandeling, het hebben van een prosociale daginvulling, waaronder het volgen van onderwijs, en het houden aan afspraken gemaakt met moeder en de jeugdreclassering.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 maart 2025. Verdachte verblijft sinds december 2025 in een Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (hierna: de KVJJ). Verdachte doet het goed binnen de duidelijke kaders, grenzen en nabijheid van de KVJJ. Hij staat open voor begeleiding, sturing en behandeling, maar heeft hier nog onvoldoende van kunnen profiteren, aangezien dit recent is gestart. De Raad acht het wenselijk dat verdachte langer kan profiteren van de beschermende omgeving van de KVJJ. Daarnaast acht de Raad het van belang dat er zoveel als mogelijk toezicht wordt georganiseerd. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het voorwaardelijke deel zo klein mogelijk moet zijn. Door het onvoorwaardelijke deel zo lang mogelijk te houden, kan verdachte langer profiteren van de veilige en beschermende omgeving van de KVJJ. De Raad adviseert voorts om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht, ITB Harde Kern voor de duur van zes maanden, een locatiegebod met elektronische monitoring, het volgen van onderwijs of dagbesteding, een alcohol- en drugsverbod, het meewerken aan hulpverlening en het meewerken aan behandeling.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Het gemak waarmee verdachte meerdere keren geweld en een mes heeft gebruikt, baart de rechtbank zorgen, mede gelet op de bij verdachte aanwezige problematiek. Verdachte heeft reeds 314 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan verdachte een jeugddetentie van 365 dagen opleggen. De Raad heeft geadviseerd om een zo lang mogelijk onvoorwaardelijk deel aan verdachte op te leggen. De rechtbank wijkt af van dit advies. Daartoe overweegt de rechtbank dat de tijd die verdachte nog in de KVJJ kan doorbrengen te kort is om nog van te kunnen profiteren; zo zal er in deze korte periode geen verloftraject meer kunnen worden opgestart. In

plaats daarvan acht de rechtbank een langer voorwaardelijk strafdeel passend, zodat verdachte een stevige stok achter de deur heeft. De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen, waarbij hij nog drie dagen in de KVJJ zal verblijven, zodat verdachte kan worden aangesloten op de elektronische monitoring.

De rechtbank is met de deskundige en de betrokken partijen van oordeel dat het van essentieel belang is dat verdachte de juiste behandeling en begeleiding krijgt, zodat het recidiverisico kan worden verminderd. Uit de rapportages blijkt immers dat verdachte een strak kader nodig heeft waarbij er voortdurend toezicht en begeleiding is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het intensieve toezicht vanuit de ITB Harde Kern voor de duur van zes maanden passend. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de duur van de ITB Harde Kern te beperken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 365 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, passend en oplegging daarvan geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad in haar rapport geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. De rechtbank zal de duur van het locatiegebod en de elektronische monitoring beperken tot de duur van de ITB Harde Kern, te weten zes maanden. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank stelt op grond van de rapportages vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, wanneer hij geen behandeling volgt.

Daarom zal de rechtbank bepalen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  • [slachtoffer 1], tot een bedrag van 3.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
  • [slachtoffer 2], tot een bedrag van 369,00 ter vergoeding van materiële schade en

10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering betreffende de weggenomen sigaretten kan worden toegewezen tot een bedrag van 30,00. Voor het overige heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De officier van justitie heeft gevorderd de toe te wijzen schade te vermeerderen

met de wettelijke rente en heeft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens gebrek aan onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1] Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het

onder 1 primair bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18-196309-24. De rechtbank overweegt daartoe dat sprake is van een aantasting in de persoon doordat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en daarnaast op andere wijze in de persoon is aangetast. Namens de benadeelde partij zijn medische stukken aangeleverd, waarin wordt gesproken over een hersenschudding en PTSS.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vordering, waarvan de hoogte van 3.000,00

niet door verdachte is betwist, daarom zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024.

Aansprakelijkheid ouders

Nu verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn gericht tegen zijn ouders, genaamd [ouder 1] en [ouder 2]. De ouders zijn daarom aansprakelijk voor betaling van het hiervoor genoemde toegewezen bedrag.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat de ouders van verdachte samen met de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat de ouders van verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeven te bepalen indien (één van) de medeverdachte(n) deze al heeft/hebben betaald, en andersom.

Veroordeling in de kosten

De rechtbank zal de ouders van verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft meerdere vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Gelet op hetgeen ter zitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank de vordering zo dat de benadeelde partij vergoeding van materiële schade vordert voor de weggenomen sigaretten op 3 december 2024 ( 30,00), de weggenomen Airpods op 3 december 2024 ( 120,00) en de weggenomen Airpods op 23 juni 2025 ( 219,00). Daarnaast vordert de benadeelde 10.000,00 aan immateriële schade.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft 369,00 aan materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende de weggenomen sigaretten zal de rechtbank toewijzen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van de onder feit 2 bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18-196309-24. Uit de aangifte blijkt dat de sigaretten door aangever waren gekocht voor een bedrag van 30,00. De rechtbank zal de schadepost dan ook toewijzen tot het bedrag zoals genoemd in de aangifte.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost betreffende de Airpods die zouden zijn weggenomen op 3 december 2024 ( 120,00) niet ontvankelijk verklaren. Nu de diefstal van Airpods op 3 december 2024 niet aan verdachte ten laste is gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partij.

De schadepost betreffende de weggenomen Airpods op 23 juni 2025 ( 219,00) zal de rechtbank eveneens niet ontvankelijk verklaren. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van de onder feit 4 bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18-196309-24, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 30,00.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft daarnaast 10.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Hoewel het naar het oordeel van de rechtbank grondslag is voor het beoordelen van de vordering en voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden immateriële schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding

wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.

Veroordeling in de kosten

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

In beslag genomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen telefoon moet worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 285, 287, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-196309-24, het onder 1 en 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-325550-25 en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-095295-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 48 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

1. dat de veroordeelde zich op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres [adres], en dat hij zich zal blijven melden zolang en zo vaak als deze instelling dat nodig vindt.

2. dat de veroordeelde in het kader van reclasseringstoezicht medewerking verleent aan het toezicht van en de begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern) gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd.

3. dat de veroordeelde onderwijs volgt en/of dagbesteding heeft volgens een door de jeugdreclassering vastgesteld rooster/weekschema.

4. dat de veroordeelde geen drugs en/of alcohol gebruikt en meewerkt aan controles op dit verbod op de door de jeugdreclassering te bepalen wijze.

5. dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening van de jeugdcoach of soortgelijke instelling, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

6. dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling bij Accare of een soortgelijke instelling, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

7. dat de veroordeelde gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het adres [adres]. De veroordeelde stelt zich ter controle van dit locatiegebod onder elektronische monitoring (GPS). De veroordeelde heeft een aaneengesloten blok van een nader te bepalen uren ter invulling van zijn activiteiten (school, behandeling, sport, hobbys, werk), zoals met de jeugdreclassering wordt afgesproken. De veroordeelde houdt zich aan het weekschema van de jeugdreclassering.

8. dat de veroordeelde alleen onder begeleiding van een ouder of een volwassene goedgekeurd door de jeugdreclassering naar buiten gaat, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te [plaats], een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24, feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe ten laste van [ouder 1] en [ouder 2], de gezaghebbende ouders van verdachte en veroordeelt hen hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, [ouder 1] en [ouder 2] in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Ten aanzien van parketnummer 18-196309-24, feit 2, 4, 5 en 6

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:

  • het bedrag van 30,00 (zegge: dertig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 30,00 (zegge: dertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen goed aan verdachte:

- telefoon Apple iPhone 13 (goednummer: BZAG2354)

Dit verkort vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. de Jong en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2026.

Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.