Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 12 september 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:4115Zaaknummer 18/103364-16
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 12 september 2016
- Publicatiedatum
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 18/103364-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor het voorhanden hebben van scherpe vuurwapens met bijbehorende munitie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uur.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mrs. O.J. Bosker, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
- 12 september 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
- Tenlastelegging
- Beoordeling van het bewijs
- Bewezenverklaring
- Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
- Strafbaarheid van verdachte
- Toepassing van wetsartikelen
- DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
- Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/103364-16
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
12 september 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2016.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klopstra, advocaat te Stadskanaal.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 26 november 2015 te Roswinkel, gemeente Emmen een of meer wapens van categorie III, te weten:
- 2 gaspistolen en/of
- 1 gasrevolver en/of
- 2 pistolen en/of
- 4 revolvers en/of
- een enkelschots repeterend kogelgeweer, en/of munitie van categorie III, te weten:
- centraalvuur en randvuur kogelpatronen en/of
- centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 26 november 2015 te Roswinkel, gemeente Emmen (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool, voorwerp geschikt voor be- of afdreiging, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in de nabijheid van de wapens was, de zeggenschap hierover had en daarnaast de wetenschap had dat het strafbaar was om verboden wapens in bezit te hebben. Om juridische redenen zijn er twee feiten ten laste gelegd, maar het betreft één feitencomplex. Het motief van verdachte, in het onderhavige geval de emotionele waarde, doet er niet toe. Het gaat om de kans dat de wapens ongecontroleerd in het maatschappelijk verkeer terecht kunnen komen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zich in het dossier maar één verklaring bevindt die verdachte aan het bezit van de wapens koppelt en dat is zijn eigen verklaring. Op grond hiervan is er onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er naast de bekennende verklaring van verdachte voldoende steunbewijs in het dossier is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. Het bewijsverweer wordt daarmee verworpen.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 augustus 2016;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord-Nederland d.d. 26 januari 2016, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015347771 d.d. 26 januari 2016, inhoudende de relatering van verbalisanten;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek aan vuurwapens en munitie van de politie Noord-Nederland d.d. 4 januari 2016, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Aanvulling onderzoek wapens van de politie Noord-Nederland d.d. 31 maart 2016, opgenomen als los document van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 26 november 2015 te Roswinkel, gemeente Emmen wapens van categorie III, te weten:
- 2 gaspistolen en
- 1 gasrevolver en
- 2 pistolen en
- 4 revolvers en
- een enkelschots repeterend kogelgeweer, en munitie van categorie III, te weten:
- centraalvuur en randvuur kogelpatronen en
- centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad;
2
hij op 26 november 2015 te Roswinkel, gemeente Emmen een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool, voorwerp geschikt voor be- of afdreiging, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde
met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
2. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat verdachte geen kwaad motief had en een first offender is. Op grond hiervan heeft de officier van justitie geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, wat volgens de richtlijnen wel in de rede had gelegen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, de eis van de officier van justitie redelijk is.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Bij verdachte zijn 11 scherpe wapens en een aanzienlijke hoeveelheid daarbij behorende munitie aangetroffen. Deze wapens waren niet onklaar gemaakt en werden evenmin in een afgesloten wapenkast bewaard, terwijl ook niet is gebleken dat verdachte over een wapenvergunning beschikt. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit. Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met de wet en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens levert het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen en goederen.
Verdachte heeft verklaard dat hij de wapens in zijn bezit heeft gehouden, omdat hij ze uit de erfenis van zijn vader had gekregen. Voordien waren ze van zijn opa geweest. Hij heeft nooit de intentie gehad om er anderen mee kwaad te doen. De rechtbank heeft geen begrip voor de door verdachte gegeven verklaring voor het in bezit houden van de wapenverzameling. Verdachte wist dat het voorhanden hebben van wapens en munitie strafbaar is en had daarvan - voor zover de wapens niet onklaar waren gemaakt - afstand moeten doen.
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor verboden vuurwapenbezit wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd. Voor het aantal wapens en bijbehorende munitie dat bij verdachte is aangetroffen zou volgens deze oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur opgelegd kunnen worden.
De rechtbank weegt bij de bepaling van de straf echter in het voordeel van verdachte mee dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanmerking is gekomen. Daarnaast heeft hij de zorg voor zijn vrouw en
zal bij een gevangenisstraf zijn uitkering stopgezet worden, waardoor de betaling van zijn huurwoning in het geding komt. Voorts heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte meegewogen dat verdachte uiterst naïef heeft gehandeld bij het in ontvangst nemen van de verboden wapens en munitie als erfenis, terwijl van een verdere criminele intentie niet is gebleken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verdachte op een andere wijze in het bezit van de wapens is gekomen of dat hij daarmee andere intenties had.
De rechtbank zal aan verdachte daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar acht wel een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.
Daarnaast acht de rechtbank de maximaal op te leggen taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis passend en geboden. De op te leggen straf is geboden om verdachte de ernst van de strafbare feiten duidelijk te maken, alsmede om hem in de toekomst van het plegen van dergelijke strafbare feiten te weerhouden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 57 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 13, 26 en 55 van Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mrs. O.J. Bosker, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.