Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 14 januari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:177Zaaknummer C/15/353549 / FA RK 24-3018
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 14 januari 2026
- Publicatiedatum
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- C/15/353549 / FA RK 24-3018
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toepassing Verdrag van Istanbul. Toewijzing eenhoofdig gezag aan de moeder. Er is een verleden van huiselijk geweld en de moeder woont met de kinderen in een beschermde woongroep. Er is geen (constructief) contact met de vader; de kinderen hebben hun vader bijna drie jaar niet gezien en de vader wil niet meewerken aan hulpverlening.
De rechtbank:
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen [de minderjarigen]:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarigen toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. R.V. Loeve, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Dijkstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. |
| Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezagswijziging
zaak-/rekestnr.: C/15/353549 / FA RK 24-3018
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 januari 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Krommenie,
--tegen--
[de vader],
wonende te [plaats],
hierna mede te noemen: de vader.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder van 14 juni 2024, ontvangen op 17 juni 2024;
- het bericht van de advocaat van de moeder met de huidige stand van zaken van 30 oktober 2025, ontvangen op 31 oktober 2025.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025 in aanwezigheid van partijen, de moeder bijgestaan door haar advocaat.
De minderjarigen [de minderjarige 3], [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 15 december 2025 met de kinderrechter gesproken. Op de zitting is een korte samenvatting van de gesprekken gegeven.
2 Feiten en omstandigheden
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2018.
Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [de minderjarigen]:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente];
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente].
Het gezamenlijk gezag over deze minderjarigen is na de echtscheiding in stand gebleven.
Buiten het huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige 4]:
- [de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente].
De vader heeft [de minderjarige 4] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [de minderjarige 4].
De hoofdverblijfplaats van alle minderjarigen is bij de moeder.
De moeder heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit, de vader de Marokkaanse nationaliteit en de minderjarigen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
3 Verzoek
Het verzoek van de moeder strekt tot wijziging van het gezag over [de minderjarige 1], [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3], in die zin dat het gezag over hen voortaan alleen aan haar toekomt.
De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat
de omstandigheden sinds de datum van de echtscheidingsbeschikking zijn gewijzigd en dat het niet langer in het belang van de minderjarigen is dat het gezamenlijk gezag blijft voortduren.
De moeder voert hiertoe aan dat van gezamenlijke gezagsuitoefening, of contact op ouderniveau, al lange tijd geen sprake is en het niet valt te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd verandering in komt. Er is geen constructief contact met de vader en in de praktijk lukt het de moeder of betrokken hulpverlening niet (of niet snel genoeg) om contact met hem te krijgen. De moeder kan hierdoor niet de benodigde beslissingen nemen voor de kinderen. In het verleden hebben zich praktische problemen voorgedaan toen de vader ondanks diverse rappels zijn toestemming niet heeft verleend voor aanmelding van de kinderen voor therapie. De rechtbank heeft de moeder vervolgens vervangende toestemming verleend. Toestemmingsformulieren voor school zijn met veel moeite geregeld via de hulpverlening. Het volgende praktische probleem dient zich aan nu de paspoorten van de kinderen binnenkort verlopen. De moeder vreest ook dat het in de toekomst vaker zal voorkomen dat zij zal moeten procederen om de benodigde vervangende toestemming te verkrijgen. In mei 2024 heeft de vader aan de hulpverlening van de moeder kenbaar gemaakt dat hij zijn leven wil voortzetten in Marokko en zo nu en dan in Nederland wil verblijven, wat een gezamenlijke gezagsuitoefening verder zal belemmeren.Tijdens het huwelijk was er veelvoudig sprake van huiselijk geweld (fysiek en emotioneel) richting de moeder. De hulpverlening is betrokken geraakt en de moeder is met de kinderen in een beschermde woongroep geplaatst, waar zij tot op heden wonen. In verband met veiligheidsrisico’s wordt deze locatie voor de vader afgeschermd. De huidige hulpverlening hoort sporadisch van de vader, maar wanneer er een afspraak wordt ingepland om de mogelijkheden van contact(herstel) te bespreken, geeft de vader hier geen opvolging aan. Inmiddels hebben de kinderen al bijna drie jaargeen contact met de vader. Door het gebrek aan contact is de vader niet (voldoende) op de hoogte van wat er in het leven van de kinderen speelt, waardoor de moeder van mening is dat de vader niet op de juiste wijze kan meebeslissen over de kinderen. De moeder heeft het lange tijd geprobeerd, maar van haar kan niet worden verwacht dat zij in overleg moet treden met de vader over belangrijke beslissingen over de kinderen. Voor de moeder is het ook niet wenselijk, gezien de veiligheidsdreigingen vanuit de vader en het wonen op een afgeschermd adres, om nauw contact te onderhouden. De vader onderneemt ook geen pogingen om meer betrokken te zijn. De kinderen dreigen klem en verloren te raken nu er op dit moment te veel belemmeringen (feitelijk en emotioneel) zijn om gezamenlijk het gezag uit te kunnen oefenen.
4 Standpunt van de vader
De vader geeft aan dat hij wel toestemming heeft gegeven voor therapie en vakantie. Hij zal nooit afstand nemen van zijn kinderen. De moeder kan ‘normaal met hem functioneren’. Hij is twee jaar ziek geweest door de moeder en is naar Marokko gegaan. De moeder heeft met hem gespeeld en dat pikt hij niet. Hij doet de moeder niets aan, omdat zijn kinderen dan daarvan de dupe worden. De vader geeft aan dat hij het prima vindt als de moeder het eenhoofdig gezag krijgt, maar dat hij dan wel zijn kinderen wil zien. Hij heeft zijn kinderen tweeëneenhalf jaar niet gezien. Hij wilde de kinderen wel zien. De hulpverlening heeft de vader in de maling genomen. Ze nemen geen contact met hem op. De vader reist veel en wil alleen als hij in Nederland is zijn kinderen kunnen zien. De vader wil zijn kinderen beschermen, kleren voor hen kopen en als hij in Nederland is er voor zijn kinderen zijn. Als hij weg is, dan is hij er niet voor zijn kinderen. De kinderen kunnen hem wel bellen. De vader vertrouwt de hulpverleners niet en ziet geen heil in een begeleide, opbouw van de omgangsregeling na bijna drie jaar geen contact. De vader geeft aan dat hij makkelijk met de kinderen een dagje weg kan en dat hij ze dan weer terug kan brengen. Hij wacht anders wel totdat de kinderen groot zijn. De moeder mag het gezag hebben. De vader geeft verder bij het verlaten van de zittingszaal aan dat hij wel weer kinderen bij een andere vrouw zal maken.
5 De mening van de minderjarigen
[de minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij het leuk vindt om onderdeel van een tweeling te zijn. Het boeit haar niet zo dat ze geen contact heeft met haar vader. Ze heeft haar vader al lang niet gezien. Haar moeder doet alles al voor haar en haar moeder mag beslissingen voor haar nemen. Ze vindt niet dat haar vader nog beslissingen over haar mag nemen.
[de minderjarige 2] heeft aangegeven dat ze het leuk heeft met haar zusjes en broertje en het naar haar zin heeft bij haar moeder. Ze heeft haar vader al lang niet gezien. Ze vindt het jammer dat ze haar vader niet meer ziet en ze zou hem liever vaker willen zien. Ze mist haar vader een beetje. Ze wil ook graag dat haar vader dit weet. Dit kan ze met haar moeder bespreken.
[de minderjarige 3] heeft aangegeven dat hij zijn vader lange tijd niet gezien heeft en dat hij het naar zijn zin heeft bij zijn moeder en zijn zussen. Soms hebben de kinderen onderling ruzie en soms zijn ze lief voor elkaar.
6 Beoordeling
Uit de stukken en wat er op de zitting is besproken, kan worden afgeleid dat de moeder de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit, de minderjarigen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vader de Marokkaanse nationaliteit bezitten.
Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de eerste overweging.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
Op grond van artikel 31, tweede lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Allereerst zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW. Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW. De ouders zijn sinds 2018 gescheiden. Daarna is de verstandhouding tussen de ouders verslechterd. De vader heeft de kinderen nauwelijks tot niet meer gezien en richting de moeder aangegeven dat hij zijn leven in Marokko wil voortzetten. De vader heeft niet meegewerkt aan de betrokken hulpverlening van de moeder. Inmiddels is er tussen de vader en de kinderen bijna drie jaar geen contact.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarigen niet klem of verloren raken tussen de ouders.
De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader belast blijft met het gezag over hen en overweegt hiertoe als volgt.
Er is besloten dat de moeder niet langer veilig was in haar woning, maar met de kinderen in een beschermde woongroep moest verblijven. De moeder is hier terechtgekomen na diverse onveilige situaties door toedoen van de vader, waarna politie en hulpverlening betrokken zijn geraakt. De rechtbank heeft de moeder vervangende toestemming verleend voor het inschakelen van specialistische jeugdhulp/traumatherapie voor de minderjarigen op 12 januari 2024. De vader is niet bij die zitting aanwezig geweest. Op 7 mei 2025 is er een gesprek geweest tussen de vader en hulpverlening van de moeder, waarbij de man kenbaar heeft gemaakt zijn leven in Marokko voort te willen zetten en zo nu en dan in Nederland te verblijven en dan het liefst wel contact met de kinderen te hebben. Op dit moment verblijven de moeder en de kinderen nog steeds op een voor de vader geheim adres.
De rechtbank stelt vast dat er al bijna drie jaar geen contact meer is tussen de vader en de kinderen. De vader is niet betrokken in het leven van de kinderen en is al geruime tijd niet bereikbaar voor de moeder. Hij is niet op de hoogte van wat er speelt in hun leven en wat de behoeften zijn van de kinderen. De vader heeft door zijn uitlatingen op de zitting ook geen blijk gegeven van inzicht in wat er speelt in de belevingswereld van zijn kinderen. De vader geeft geen invulling aan het gezag en neemt de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van zijn kinderen niet. De vader heeft niet getekend wanneer het voor de kinderen nodig was om passende hulpverlening in te schakelen. De vader geeft zelf aan dat het eens is met het verzoek van de moeder. Er is tussen de ouders geen sprake van de vereiste onderlinge oudercommunicatie die nodig is voor een gezamenlijke invulling van het gezag. Door de veiligheidsdreigingen richting de moeder, het gegeven dat de vader geen enkele vorm van hulpverlening vertrouwt en doordat het er niet op lijkt dat daar binnen afzienbare tijd verandering in komt, kan het niet van de moeder worden verwacht dat zij in nauw overleg moet treden met de vader om gezamenlijk belangrijke beslissingen over de kinderen te nemen, mocht de vader wel invulling aan het gezag willen geven. Zodoende ontbreekt de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van de ouders.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het, mede gelet op artikel 3 van het IVRK en artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, in het belang van kinderen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast. Daarbij overweegt de rechtbank op dat het beslissen over de gezagsituatie van de kinderen valt onder de term ‘voogdij’ van artikel 31 van het Verdrag van Istanbul.
7 Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen [de minderjarigen]:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],
wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarigen toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. R.V. Loeve, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Dijkstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. |
| Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.