Uitspraak · Arbeidsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 15 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13513Zaaknummer K/4102/12288563
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4102/12288563
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Arbeidsrecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijziging transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en op initiatief van werkgever niet is voortgezet. Aanvullend geboorteverlof. Gedeeltelijke toewijzing looncomponenten.
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
I. de transitievergoeding van € 677,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
II. een bedrag van € 2.883,00 bruto aan salaris over de maand maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf
1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
III. een bedrag van in totaal € 80,35 bruto (inclusief vakantietoeslag) voor 4 niet-genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
IV. een bedrag van € 476,18 bruto aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken waarin de toegewezen bedragen zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag voor elke dag dat [verweerder] veertien dagen na betekening van de beschikking niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 500,-,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
De griffier, De kantonrechter,
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12288563 \ AO VERZ 26-56 (HB)
Beschikking van 15 september 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. M.S.A. Vegter,
(toevoeging nr. [nummer] ),
tegen
[verweerder], handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [plaats 2] (gemeente [gemeente]) en gevestigd te [plaats 3] (gemeente [plaats 1] ),
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer veroordeling van de werkgever tot betaling van de transitievergoeding, achterstallig loon (over maart 2026), een vergoeding voor niet genoten vakantie-uren/-dagen en vakantietoeslag. Ook verzoekt hij om afgifte van een netto/brutospecificatie waarin de verzochte bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom.
De kantonrechter wijst de transitievergoeding toe, omdat de arbeidsovereenkomst (per 31 maart 2026) van rechtswege is geëindigd en deze op initiatief van de werkgever niet is voortgezet. De werknemer wordt gevolgd in zijn stelling dat hij in maart 2026 niet heeft gewerkt omdat hij toen zoals afgesproken zijn resterend aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren/-dagen heeft opgenomen. De verzochte looncomponenten worden gedeeltelijk toegewezen. Ook moet de werkgever een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie aan de werknemer verstrekken. Als hij dat niet tijdig doet moet hij een dwangsom betalen.
1 De procedure
[verzoeker] heeft op 23 juni 2026 een verzoekschrift (met producties) ingediend. Bij e-mail van 17 augustus 2026 heeft [verzoeker] een exploot overgelegd (waarbij [verweerder] op verzoek van [verzoeker] is opgeroepen om op hierna te noemen mondelinge behandeling te verschijnen) en ook een e-mailwisseling tussen partijen van 22 juni 2026 (waarin [verweerder] de ontvangst van het verzoekschrift bevestigt). [verweerder] heeft - hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld - geen verweerschrift ingediend.
Op 18 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden (in het gerechtsgebouw in Haarlem). Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. [verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoek verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht.
2 Feiten
[verzoeker], geboren op [geboortedatum 1] 2000, is op 1 september 2025 bij [verweerder] in dienst getreden voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 7 maanden (tot en met 31 maart 2026).
De functie van [verzoeker] was sous-chefkok II. De plaats van tewerkstelling was [plaats 3]. Zijn salaris bedroeg € 3.224,13 bruto per maand (€ 18,60 bruto per uur), exclusief 8% vakantietoeslag.
De CAO Horeca is op de arbeidsovereenkomst van toepassing.
Op [geboortedatum 2] 2025 is de zoon van [verzoeker] geboren. [verzoeker] heeft toen een week geboorteverlof opgenomen. In januari 2026 en februari 2026 heeft [verzoeker] wekelijks telkens 15 uur aanvullend geboorteverlof opgenomen.
Eind januari 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst na 31 maart 2026 niet zal worden verlengd. Hij heeft dit schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd bij e-mail van 30 januari 2026.
Eind maart/begin april 2026 heeft [verzoeker] geconstateerd dat zijn salaris over maart 2026 niet is voldaan. Bij e-mail van 3 april 2026 heeft hij aanspraak gemaakt op betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ook heeft hij om de bijhorende loonspecificatie verzocht.
[verweerder] heeft bij e-mail van 4 april 2026 aan [verzoeker] meegedeeld dat [verzoeker] zelf niet meer is gekomen zonder iets te laten weten en dat [verweerder] ‘het wel hoort als hij wat moet’.
Bij e-mail van 4 april 2026 heeft [verzoeker] aan [verweerder] bericht dat hij nog recht heeft op uitbetaling van - samen - een maandsalaris aan vaderschapsverlof (aanvullend geboorteverlof) en vakantie-uren/-dagen. Ook heeft er [verzoeker] bij die e-mail op gewezen dat [verweerder] zijn loonstroken heeft gewijzigd zonder rechtsgeldige grondslag en heeft hij gevraagd wat daarvan de reden is.
Bij e-mail van 20 april 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] meegedeeld dat het hem handig lijkt om de kwestie via een rechter op te lossen. In die e-mail staat ook dat [verzoeker] zelf zomaar niet is komen opdagen en dat [verzoeker] voor elk uur dat hij heeft gewerkt is uitbetaald, ook tijdens zijn vaderschapsverlof.
Bij brief van zijn gemachtigde van 11 juni 2026 heeft [verzoeker] [verweerder] gesommeerd tot betaling van het loon over maart 2026, 96 vakantie-uren en het vakantiegeld daarover en de transitievergoeding. Ook heeft hij aanspraak gemaakt op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente voor het geval niet tijdig wordt betaald. Verder heeft [verzoeker] bij die brief verzocht om een correcte loonstrook voor de maand maart 2026 en een correcte eindafrekening.
In reactie daarop heeft [verweerder] bij e-mail van 11 juni 2026 meegedeeld dat [verzoeker] niets van zich heeft laten horen en niet is komen opdagen en dat dit schade heeft aangericht. In die e-mail staat ook dat [verweerder] graag van een rechter hoort hoe hij had moeten handelen en dat hij niet verder ingaat op financiële dreigementen.
[verweerder] heeft de door [verzoeker] verzochte bedragen niet betaald.
3 Het verzoek
In het verzoekschrift heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen:
I. tot betaling van de transitievergoeding van € 677,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026,
II. tot betaling van het salaris over de maand maart 2026 van € 3.224,13 bruto,
III. tot betaling van een vergoeding voor 96 niet genoten vakantie-uren van € 1.949,28 bruto (inclusief 8% vakantietoeslag),
IV. tot betaling van een bedrag van € 503,47 bruto aan vakantietoeslag,
V. tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% vanaf 15 april 2026 en de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 over de onder II tot en met IV genoemde posten,
VI. tot verstrekking van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie waarin de verzochte bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag met een maximum van € 500,- voor elke dag dat [verweerder] veertien dagen na betekening van de beschikking hieraan niet voldoet.
Ook vordert [verzoeker] dat [verweerder] in de proceskosten (waaronder nakosten) wordt veroordeeld en dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.[_56f03019-4edb-4f49-99eb-91e7ea1ddba9]
Ter zitting heeft [verzoeker] zijn verzoek tot uitbetaling van niet genoten vakantie-uren verminderd met 90 uren.
[verzoeker] heeft aan zijn (verminderde) vordering ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat [verweerder] hem de transitievergoeding verschuldigd is, omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 31 maart 2026 van rechtswege is geëindigd en op initiatief van [verweerder] niet is voortgezet.
Bovendien moet [verweerder] hem het salaris over de maand maart 2026 nog betalen. [verzoeker] heeft namelijk eind januari 2026 met [verweerder] afgesproken dat hij in maart 2026 zijn resterend aanvullend geboorteverlof zou opnemen en aansluitend tot het eind van de maand (een deel van) zijn openstaande vakantie-uren.
Na opname van die vakantie-uren in maart 2026 had [verzoeker] nog (na vermindering van het verzoek: 96 minus 90 = ) 6 vakantie-uren over. Deze moeten worden uitbetaald (tegen een uurloon van € 18,60 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag).
Bovendien heeft [verzoeker] over de periode van 1 september 2026 tot en met 31 maart 2026 € 503,47 bruto te weinig aan vakantietoeslag ontvangen blijkens de (aangepaste) loonstroken.
Omdat [verweerder] het verschuldigde niet (tijdig) heeft voldaan, is hij daarover de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verschuldigd.
Ook moet [verweerder] een deugdelijke bruto/netto specificatie van dit alles verstrekken op straffe van een dwangsom.
Op het standpunt van [verzoeker] zal – zo nodig – onder de beoordeling verder worden ingegaan.
4 Het verweer
[verweerder] is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan – kort samengevat ‑ dat het niet waar is dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] in maart 2026 geboorteverlof en vakantie-uren/-dagen zou opnemen. [verzoeker] is sinds 26 februari 2026 gewoon niet meer komen opdagen. Daarom is het loon over maart 2026 terecht niet betaald.
Als [verweerder] een transitievergoeding moet betalen vindt hij dat onbegrijpelijk en niet eerlijk, omdat hij schade heeft geleden doordat [verzoeker] niet meer is komen werken.
Het geboorteverlof en de vakantie-uren zijn verrekend met min-uren die zijn ontstaan doordat [verzoeker] niet of te laat op het werk is verschenen. [verzoeker] heeft dus niets meer van [verweerder] tegoed. Overigens heeft [verzoeker] geen vakantie-uren aangevraagd in het daarvoor bestemde Horeko-systeem.
De loonstroken zijn aangepast door de boekhouder, omdat de medewerker die was aangenomen om de arbeidsovereenkomst op te stellen fouten had gemaakt. [verweerder] denkt dat [verzoeker] niet te weinig heeft ontvangen, maar mocht dat zo zijn dan wil [verweerder] dat vergoeden.
Op het standpunt van [verweerder] zal – zo nodig – onder de beoordeling verder worden ingegaan.
5 De beoordeling
Waarom heeft [verzoeker] in maart 2026 niet gewerkt?
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag om welke reden [verzoeker] in de maand maart 2026 niet heeft gewerkt. [verzoeker] stelt dat de arbeidsovereenkomst tot en met 31 maart 2026 (de overeengekomen einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) heeft voortgeduurd, maar dat hij - overeenkomstig een eind januari 2026 tussen partijen gemaakte afspraak - in maart 2026 niet heeft gewerkt omdat hij toen zijn resterende geboorteverlof en zoveel mogelijk zijn vakantie-uren/dagen heeft opgenomen. [verweerder] heeft dat betwist.
De kantonrechter houdt het ervoor dat [verzoeker] in maart 2026 inderdaad, zoals hij stelt, conform afspraak aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren/-dagen heeft opgenomen. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Als niet betwist staat vast dat de boekhouder van [verweerder] in oktober 2025 190 uur aanvullend geboorteverlof voor [verzoeker] heeft aangevraagd, waartoe [verzoeker] een (niet in het geding gebracht) aanvraagformulier had ingevuld dat hij van [verweerder] had gekregen. Daarbij is toen (naar [verzoeker] ter zitting heeft verklaard) 15 uur geboorteverlof per week aangevraagd, op te nemen in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026. [verweerder] heeft dat op zichzelf niet (of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd) betwist.
[verweerder] betwist de door [verzoeker] gestelde afspraak van eind januari 2026 en voert aan dat [verzoeker] vanaf 26 februari 2026 gewoon niet meer is komen opdagen, terwijl hij wel (tot eind maart 2026) stond ingeroosterd. Volgens [verweerder] heeft de boekhouder [verzoeker] daarom op 27 februari 2026 een waarschuwingsbrief gestuurd en is de arbeidsovereenkomst vervolgens - wegens het uitblijven van een reactie op die brief - op 3 maart 2026 beëindigd. Bovendien had [verzoeker] volgens [verweerder] geen uren aan aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren meer openstaan, omdat deze met min-uren waren verrekend. Dit alles is echter door [verzoeker] uitdrukkelijk betwist, terwijl [verweerder] geen stukken heeft overgelegd die zijn verweer ondersteunen. De genoemde brieven, roosters en (verlof)uren-administratie zijn niet overgelegd. Dat had van [verweerder] als werkgever wel mogen worden verwacht. Voor zover [verweerder] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangeboden de betreffende stukken alsnog in het geding te brengen, zal de kantonrechter hem daartoe niet in de gelegenheid stellen, omdat [verweerder] die stukken eerder had moeten overleggen. [verweerder] is immers (bij brief van de griffier van 3 juli 2026) in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen en om tot uiterlijk 5 dagen voor de mondelinge behandeling nadere stukken in het geding te brengen. [verweerder] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, naar hij ter zitting heeft verklaard omdat het hem was ontschoten vanwege de drukke tijden in de horeca. Dat komt voor zijn rekening.
Gelet op het bovenstaande wordt het verweer van [verweerder] verworpen en dient het ervoor te worden gehouden dat de arbeidsovereenkomst tot en met de maand maart 2026 is doorgelopen en dat [verzoeker] in die maand niet heeft gewerkt omdat hij toen conform afspraak zijn resterend aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren/-dagen heeft opgenomen. In ieder geval heeft [verweerder] niet aangetoond dat het in redelijkheid voor rekening van [verzoeker] hoort te komen dat [verzoeker] in maart 2026 de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, zodat [verzoeker] recht heeft op loon over die maand.[_5072a547-7279-478a-8faa-01ac9481395f]
Transitievergoeding
Omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 31 maart 2026 van rechtswege is geëindigd en op initiatief van [verweerder] niet aansluitend is voortgezet, is [verweerder] aan [verzoeker] de transitievergoeding verschuldigd.[_7bced4e0-a6b4-49f7-a0ee-fa0e572f0db5] Deze transitievergoeding bedraagt € 677,00 zoals door [verzoeker] verzocht. [verweerder] zal tot betaling van daarvan worden veroordeeld. De door [verweerder] gestelde schade maakt dat niet anders. In dit geding is die schade niet aangetoond en evenmin is om vergoeding daarvan verzocht.
De wettelijke rente over de transitievergoeding is toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd[_d02886d6-9986-49e4-88ee-a3182cfa9a77], dus vanaf 1 mei 2026 zoals verzocht.
Het salaris (aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren) over de maand maart 2026
[verzoeker] vordert betaling van het salaris over de maand maart 2026, bestaande uit aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren.
[verzoeker] heeft (nader) gesteld dat hij recht had op in totaal 200 uur aanvullend geboorteverlof, waarvan hij in januari 2026 en februari 2026 (8 x 15 uur per week = ) 120 uur heeft opgenomen, zodat hij in maart 2026 nog 80 uur aan aanvullend geboorteverlof kon opnemen. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat [verzoeker] slechts aanspraak kon maken op in totaal 190 uur aanvullend geboorteverlof, omdat (zoals hiervoor is overwogen) vaststaat dat slechts voor 190 uur aanvullend geboorteverlof is aangevraagd. Dat betekent dat [verzoeker] in maart 2026 slechts (190-120 =) 70 uren aan aanvullend geboorteverlof kon opnemen en dat hij dus voor de overige werkuren in die maand vakantie moest opnemen.
De maand maart 2026 omvat (bij het 40-urige dienstverband van [verzoeker]) in totaal
22 werkdagen van 8 uur per dag. Dat betekent dat [verzoeker] in maart 2026 (22 x 8 = ) 176 uur moest werken, waarvan (zoals hiervoor overwogen) 70 uren aan aanvullend geboorteverlof zijn opgenomen. Dat betekent dat [verzoeker] in maart 2026 tot het einde van die maand (176 – 70 =) 106 uren vakantie heeft moeten opnemen. Vaststaat dat [verzoeker] op grond van de arbeidsovereenkomst in totaal recht had op 110 vakantie-uren. [verweerder] heeft op zichzelf niet betwist dat [verzoeker] tot en met eind februari 2026 nog geen vakantie-uren had opgenomen, zij het dat deze volgens [verweerder] zijn verrekend met min-uren. Dat verweer is hiervoor (onder 5.4. en 5.5.) echter al verworpen. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [verzoeker] in maart 2026 ook daadwerkelijk 106 van de in totaal 110 vakantie uren waarop hij recht had heeft kunnen opnemen en heeft opgenomen. Of die uren/dagen al dan niet in het Horeko systeem stonden laat de kantonrechter in het midden. Een uitdraai uit dat systeem is immers niet overgelegd.
Vaststaat dat het uurloon van [verzoeker] € 18,60 bruto (exclusief 8% vakantietoeslag) bedraagt. Dat betekent dat [verzoeker] recht heeft op uitbetaling van een bedrag van (106 uren x € 18,60 =) € 1.971,60 bruto (exclusief vakantietoeslag) aan vakantie-uren over maart 2026.
[verzoeker] heeft ook over de in maart 2026 opgenomen uren aan aanvullend geboorteverlof het volledige salaris gevorderd. Op grond van de wet[_1f7df2a4-3073-4251-965c-563862324796] bedraagt de hoogte van de uitkering tijdens het aanvullend geboorteverlof echter slechts 70% van het dagloon van de werknemer (en ten hoogste 70% van het maximum dagloon[_47407f9a-094a-4ae2-ad2d-94055db7f451]). Daarom zal de kantonrechter over de in maart opgenomen uren aan aanvullend geboorteverlof slechts 70% van het salaris van [verzoeker] toewijzen. De omstandigheid dat - naar [verzoeker] heeft gesteld – over het aanvullend geboorteverlof in januari en februari 2026 wel 100% van het loon is doorbetaald maakt dat niet anders, omdat dit – naar (de vriendin van) [verweerder] ter zitting heeft toegelicht – door onbekendheid met de wettelijke regeling is gebeurd. Dat betekent dat [verzoeker] over de 70 uren die hij in maart 2026 aan aanvullend geboorteverlof heeft opgenomen recht heeft op uitbetaling van (70 x € 18,60 bruto x 70%=) € 911,40 bruto (exclusief vakantietoeslag) aan loon.
In totaal is [verweerder] [verzoeker] dus aan loon over de maand maart 2026 verschuldigd (€ 1.971,60 bruto + € 911,40 bruto = ) € 2.883,- bruto (exclusief vakantietoeslag). Dat bedrag is toewijsbaar. De vakantietoeslag over dat bedrag zal hierna als afzonderlijke post worden toegewezen (zie onder 5.17, 5.18 en 6.1. IV.).
De na maart 2026 nog resterende vakantie-uren
Na opname van de 106 vakantie-uren in maart 2026, resteren er nog (110 – 106 =) 4 niet genoten vakantie-uren die door [verweerder] aan [verzoeker] moeten worden uitbetaald. Daarom zal een bedrag van (4 x € 18,60 bruto =) € 74,40 bruto aan resterende vakantie-uren worden toegewezen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag (zijnde € 80,35 bruto inclusief vakantietoeslag).
De vakantietoeslag
Vaststaat dat de vakantietoeslag – hoewel niet zo overeengekomen in de arbeidsovereenkomst – gewoonlijk door [verweerder] maandelijks met de betaling van het loon werd uitbetaald. Ook staat vast dat [verzoeker] over de maanden september 2025 tot en met december 2025 maandelijks steeds € 257,93 bruto aan vakantiegeld heeft ontvangen (8% van het maandloon van € 3.224,13 bruto). Over januari 2026 en februari 2026 is (overeenkomstig de gewijzigde loonstroken) onweersproken slechts € 109,12 bruto respectievelijk € 161,20 bruto aan vakantietoeslag betaald. Daarmee bedraagt het in de periode van september 2025 tot en met februari 2026 uitbetaalde bedrag aan vakantietoeslag in totaal € 1.302,04 bruto.
[verweerder] heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat in januari 2026 en februari 2026 lagere bedragen dan € 257,93 (8% van het brutoloon van € 3.224,13) aan vakantietoeslag zijn betaald. Hij heeft niet kunnen uitleggen waarom de loonstroken zijn gewijzigd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat over die maanden ook 8% van het volledige loon van € 3.224,13 bruto aan vakantietoeslag verschuldigd is. Dat geldt ook voor de in januari en februari 2026 opgenomen uren aan aanvullend ouderschapsverlof, omdat in die maanden het loon over die uren volledig is betaald. Dat betekent dat [verweerder] aan [verzoeker] over de periode van september 2026 tot en met februari 2026 (6 x € 3.224,13 bruto x 8% = ) € 1.547,58 bruto aan vakantietoeslag verschuldigd is. Daarvan is € 1.302,04 betaald, zodat [verzoeker] € 245,54 bruto tegoed heeft over die periode. Laatstgenoemd bedrag is dus toewijsbaar.
Vaststaat dat [verzoeker] over de maand maart 2026 geen vakantiegeld heeft ontvangen doordat het loon over die maand (ten onrechte) niet is uitbetaald. Zoals hiervoor is overwogen, bedraagt het nog verschuldigde loon over de maand maart 2026 € 2.883,- bruto (bestaande uit € 911,40 bruto aan aanvullend geboorteverlof en € 1.971,60 bruto aan opgenomen vakantie-uren). Over dat bedrag van € 2.883,- bruto zal 8% vakantietoeslag worden toegewezen, dus € 230,64 bruto. Weliswaar wordt bij de berekening van de uitkering voor het aanvullend geboorteverlof door het UWV het vakantiegeld in het dagloon begrepen, maar omdat over die berekening door [verweerder] geen informatie in het geding is gebracht berekent de kantonrechter het vakantiegeld zoals hierboven weergegeven.
De conclusie is aan [verzoeker] over de periode van september 2025 tot en met maart 2026 een bedrag van in totaal (€ 245,54 bruto + € 230,64 bruto = ) € 476,18 bruto aan vakantietoeslag zal worden toegewezen.
De wettelijke rente en de wettelijke verhoging
De wettelijke rente over de verzochte looncomponenten (zoals weergegeven onder 3.1. II tot en met IV) is toewijsbaar vanaf 1 april 2026 zoals verzocht.
De verzochte wettelijke verhoging zal vanwege de omstandigheden in deze zaak echter worden gematigd tot 10%. Daarbij is van belang dat het gebrek aan communicatie in deze procedure, het niet indienen van een verweerschrift en het niet indienen van relevante stukken juridisch terecht voor rekening van [verweerder] als werkgever komen, maar anderzijds uit het debat tussen partijen ter zitting is gebleken dat het gebrek aan duidelijke communicatie tussen partijen niet alleen is te wijten aan [verweerder], maar dat ook [verzoeker] daarin ernstig tekort is geschoten.
Netto/bruto specificatie en dwangsom
[verweerder] zal eveneens worden veroordeeld tot het verstrekken van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie waarin de toegewezen bedragen zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag voor elke dag dat hij veertien dagen na betekening van deze beschikking niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 500,-.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
I. de transitievergoeding van € 677,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
II. een bedrag van € 2.883,00 bruto aan salaris over de maand maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf
1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
III. een bedrag van in totaal € 80,35 bruto (inclusief vakantietoeslag) voor 4 niet-genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
IV. een bedrag van € 476,18 bruto aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% vanaf 15 april 2026 en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken waarin de toegewezen bedragen zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag voor elke dag dat [verweerder] veertien dagen na betekening van de beschikking niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 500,-,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
De griffier, De kantonrechter,
Voetnoten
- Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
- Zie artikel 7:628 lid 1 BW.
- Op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a onderdeel 3 BW.
- Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW.
- Artikel 4:2b lid 3 Wet arbeid en Zorg.
- Zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.