Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 8 juli 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:12050Zaaknummer C/15/370580

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/370580
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze zaak vordert een dochter dat haar ouders de verkoopopbrengst verdelen van een appartement waarvan zij mede-eigenaar is geweest. De ouders moeten een deel van de verkoopopbrengst aan hun dochter betalen, omdat sprake was van een gemeenschap en de verdelingsvordering niet is verjaard. De vordering van de dochter tot betaling van rente over papieren schenkingen wordt ook gedeeltelijk toegewezen. De ouders vorderen dat hun dochter de rente over het schuldig gebleven deel van de koopprijs van het appartement aan hen betaalt. De dochter hoeft die rente niet te betalen, omdat ook die rentevordering deels is verjaard. De resterende rente is verrekend met de verkoopopbrengst. Ook de vorderingen van de ouders tot terugbetaling van een lening met rente worden afgewezen, want de ouders hebben de lening omgezet in een schenking.

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk en gezamenlijk, in verband met de verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement en de rente over de papieren schenkingen in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009, tot betaling aan [eiseres] van € 36.362,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot de dag van algehele betaling;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het anders of meer gevorderde;

5.4.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

1538

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/370580 / HA ZA 25-671

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. L. Bosch,

tegen

1 [gedaagde sub 1], 2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie, eisers in reconventie.,

hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. M. Hosepyan.

De zaak in het kort

In deze zaak vordert een dochter dat haar ouders de verkoopopbrengst verdelen van een appartement waarvan zij mede-eigenaar is geweest. De ouders moeten een deel van de verkoopopbrengst aan hun dochter betalen, omdat sprake was van een gemeenschap en de verdelingsvordering niet is verjaard. De vordering van de dochter tot betaling van rente over papieren schenkingen wordt ook gedeeltelijk toegewezen.

De ouders vorderen dat hun dochter de rente over het schuldig gebleven deel van de koopprijs van het appartement aan hen betaalt. De dochter hoeft die rente niet te betalen, omdat ook die rentevordering deels is verjaard. De resterende rente is verrekend met de verkoopopbrengst. Ook de vorderingen van de ouders tot terugbetaling van een lening met rente worden afgewezen, want de ouders hebben de lening omgezet in een schenking.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;
  • de akte houdende overlegging nadere productie met productie 10 van [gedaagden];
  • de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] zijn de ouders van [eiseres]. [gedaagden] zijn in algemene gemeenschap van goederen getrouwd. [eiseres] heeft twee zussen, [zus 1] en [zus 2].

2.2.

Op 28 februari 1997 is een appartement gekocht aan de [adres] in Amsterdam (hierna: het appartement), voor een koopprijs van f 102.500,- (omgerekend € 46.512,-). In een notariële akte van 1 april 1997 is vermeld dat het appartement is gekocht voor [gedaagde sub 1] en [eiseres], ieder voor de onverdeelde helft, en dat [gedaagde sub 1] de volledige koopprijs heeft betaald, zodat [eiseres] een bedrag van f 51.250,- (omgerekend € 23.256,23) verschuldigd is aan [gedaagden]. Van dat bedrag hebben [gedaagden] f 39.667,- (omgerekend € 18.000,-) aan [eiseres] kwijtgescholden ten titel van schenking. Het resterende bedrag van f 11.583,- (omgerekend € 5.256,13) is [eiseres] schuldig gebleven aan [gedaagden]. In de akte is bepaald dat het schuldig gebleven bedrag opeisbaar is op 1 januari 2002 en dat daarover 4% rente per jaar is verschuldigd, opeisbaar op 1 december van elk jaar.

2.3.

[eiseres] heeft in het appartement gewoond tijdens haar studententijd, tot 1999. Daarna heeft haar zus [zus 2] in het appartement gewoond.

2.4.

Op 17 december 2004 is het appartement verkocht aan een derde voor een koopprijs van € 116.000,-. De verkoopopbrengst is uitgekeerd aan [gedaagden].

2.5.

[gedaagden] hebben op 1 juli 2005 per notariële akte een schenking gedaan aan [eiseres] van € 4.000,-, waarbij is bepaald dat de hoofdsom eerst opeisbaar zal zijn na het overlijden van de langstlevende van [gedaagden] (hierna: de papieren schenking). In de akte is vermeld dat [gedaagden] 3% rente per jaar zijn verschuldigd “over het schuldig erkende bedrag of het restant daarvan”, te betalen op 31 december van ieder jaar.

2.6.

In het dossier bevindt zich een ondertekende brief van [gedaagden] aan hun financieel adviseer van 26 november 2009, waarin is vermeld dat zij hun drie dochters (waaronder [eiseres]) in de jaren 2005 tot en met 2009 een bedrag hebben geschonken van € 4.000,-, onder gelijke voorwaarden als de schenking in het jaar 2005.

2.7.

In twee notariële akten, beide gedateerd 11 december 2015, is vermeld dat [gedaagden] aan [eiseres]:

  • een bedrag van € 5.277,- hebben geschonken;
  • een bedrag van € 94.723,- hebben uitgeleend en dat [eiseres] over die lening 6% rente per jaar is verschuldigd. Verder is bepaald dat de lening opeisbaar is op 31 december 2030 en onmiddellijk bij niet-nakoming van de verplichtingen door [eiseres].
2.8.

In het dossier bevindt zich een overeenkomst van 15 december 2016, ondertekend door [eiseres], [gedaagden], waarin is vermeld dat [gedaagden] op 25 november 2015 een bedrag van € 94.723,- aan [eiseres] hebben geschonken.

2.9.

Per brief van 20 augustus 2025 heeft [eiseres] [gedaagden] verzocht om haar aandeel in de verkoopopbrengst van het appartement en de rente over de papieren schenkingen aan haar te betalen. [gedaagden] hebben aan dat verzoek niet voldaan.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk en gezamenlijk veroordeelt tot betaling van:

  • € 34.744,-, in verband met de verkoopopbrengst van het appartement, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2004;
  • € 85.822,40, in verband met de rente over de (papieren) schenkingen uit 1997, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009 en 2015, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
  • € 685,67 ter zake de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;
  • de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.

Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat haar vorderingen ten aanzien van de rente over de schenkingen uit 1997 en 2015 komen te vervallen en dat voor de schenking uit 2005 moet worden aangesloten bij de renteberekening zoals overgelegd in haar productie 8.

3.3.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat het appartement gemeenschappelijk eigendom van partijen was en dat de verkoopopbrengst tussen hen moet worden verdeeld. [gedaagden] hebben dat ook aan [eiseres] toegezegd en zij handelen onrechtmatig door de verkoopopbrengst niet met [eiseres] te delen. Verder moeten [gedaagden] de overeengekomen rente over de schenkingen aan [eiseres] betalen.

3.4.

[gedaagden] voeren verweer. Zij betogen dat het nooit de bedoeling was dat [eiseres] zou meedelen in de verkoopopbrengst van het appartement. Ook voeren zij aan dat de eventuele vordering van [eiseres] is verjaard. Ten aanzien van de rente over de papieren schenking van 2005 betogen [gedaagden] dat sprake is van enkelvoudige rente, dat de rentevordering deels is verjaard en de rente voor het overige is betaald. Dat zij ook 2006 tot en met 2009 papieren schenkingen hebben gedaan, betwisten [gedaagden].

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie

3.6.

[gedaagden] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt tot betaling van:

  • € 6.027,16 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de rente;
  • € 94.723,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
  • € 51.150,42 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de rente;
  • de kosten van de procedure, waaronder de nakosten en de wettelijke rente.
3.7.

[gedaagden] leggen hieraan ten grondslag dat [eiseres] de overeengekomen rente moet betalen over het bedrag van € 5.256,13 dat zij in 1997 schuldig is gebleven aan [gedaagden] bij de aankoop van het appartement. Ook stellen [gedaagden] dat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting om de jaarlijkse rente te betalen over de geldlening die [eiseres] in 2015 heeft ontvangen van [gedaagden]. Zij vorderen daarom terugbetaling van die lening en betaling van de verschenen rente.

3.8.

[eiseres] voert verweer. Zij betoogt dat het in 1997 schuldig gebleven bedrag met rente is verrekend met haar vordering(en) op [gedaagden] en dat sprake is van verjaring. Verder voert zij aan dat de geldlening uit 2015 het resultaat is van een (achteraf) onjuist gebleken advies van de financieel adviseur van [gedaagden]. [gedaagden] hebben volgens [eiseres] daarom in 2016 de geldlening omgezet in een schenking.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

De verkoopopbrengst van het appartement

[eiseres] heeft als mede-eigenaar recht op de helft van de waarde van het appartement

4.1.

Vast staat dat [eiseres] als gevolg van de akte van 1 april 1997 voor de (onverdeelde) helft eigenaar is geworden van het appartement. Van de andere (onverdeelde) helft van het appartement waren [gedaagden] eigenaar. Hiermee is tussen hen een eenvoudige gemeenschap ontstaan als bedoeld in artikel 3:166 Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het tweede lid van die bepaling vloeit voort dat de aandelen van beide deelgenoten gelijk zijn, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. De partij die zich op deze “tenzij” bepaling beroept zal daarvoor (volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) voldoende moeten aandragen (stellen) en, als de wederpartij deze stellingen weerspreekt, daarvoor het bewijs moeten leveren. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] dat onvoldoende hebben gedaan en licht dat als volgt toe.

4.2.

Het betoog van [gedaagden] dat [eiseres] alleen mede-eigenaar van het appartement is geworden om een woonvergunning te krijgen, hebben zij niet onderbouwd. Dat had wel op hun weg gelegen, omdat [eiseres] dit heeft betwist. Bovendien is dit betoog van [gedaagden] niet te rijmen met het gegeven dat [eiseres] heeft meebetaald aan het appartement. Dat [gedaagden] een deel van de koopprijs hebben geschonken, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat niet de volledige koopprijs aan [eiseres] is geschonken: een deel van de koopprijs is zij verschuldigd aan [gedaagden].

4.3.

In de overgelegde schriftelijke verklaringen van de zussen van [eiseres] staat dat het binnen het gezin duidelijk was dat de verkoopopbrengst niet zou worden gedeeld met [eiseres] en dat dat ook onlogisch zou zijn. Die verklaringen gaan er echter aan voorbij dat [eiseres] (juridisch gezien) mede-eigenaar was van het appartement en daaraan ook heeft meebetaald. Hun verklaring dat [gedaagden] meermaals duidelijk zouden hebben gemaakt dat [eiseres] geen recht had op de verkoopopbrengst van het appartement, is bovendien onvoldoende concreet. Die verklaring is ook niet in lijn met de toelichting die [gedaagden] tijdens de zitting hebben gegeven, namelijk dat zij niet met [eiseres] hebben gesproken over de verkoopopbrengst van het appartement.

4.4.

[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat zij de kosten van het appartement hebben betaald, zoals de kosten van gas, water, licht en elektra en de kosten van koop, inrichting en renovatie. [eiseres] heeft echter betwist dat [gedaagden] dergelijke kosten hebben gedragen. Omdat [gedaagden] hun betoog over de gestelde kosten van het appartement niet hebben geconcretiseerd of onderbouwd gaat de rechtbank hieraan voorbij.

4.5.

De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] onvoldoende hebben gesteld dat zij met [eiseres] de afspraak hebben gemaakt dat [eiseres] weliswaar mede-eigenaar zou worden van het appartement, maar dat zij in hun onderlinge verhouding niet als eigenaar zou gelden. Aan bewijslevering komt de rechtbank dus niet toe. [eiseres] heeft daarom in beginsel recht op de helft van de netto verkoopopbrengst van het appartement.

De vordering is niet verjaard

4.6.

[gedaagden] stellen dat de vordering van [eiseres] tot betaling van een deel van de verkoopopbrengst is verjaard. De rechtbank is van oordeel dat dat verweer niet slaagt, gelet op het volgende.

4.7.

[eiseres] heeft aangevoerd dat haar vordering is gebaseerd op verdeling (van een eenvoudige gemeenschap) en dat een dergelijke vordering niet aan verjaring onderhevig is (artikel 3:178 lid 1 BW). Volgens [gedaagden] kan de vordering van [eiseres] niet aangemerkt worden als een verdelingsvordering, omdat al in 2004 de gemeenschappelijke eigendom is geëindigd.

4.8.

De rechtbank geeft [gedaagden] op dit punt geen gelijk. Bij de verkoop van het appartement, is de verkoopopbrengst in de plaats gekomen van het appartement (in de zin van artikel 3:167 BW). Sinds dat moment bestaat tussen partijen dus een eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de verkoopopbrengst. De verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement heeft nog niet plaatsgevonden. Voor verdeling is namelijk nodig een rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken (artikel 3:182 BW). Bij de beantwoording van de vraag of al in 2004 sprake is geweest van een dergelijke rechtshandeling tussen [eiseres] en [gedaagden], komt het aan op wat partijen op basis van hun verklaringen en gedragingen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.9.

[gedaagden] hebben onvoldoende gemotiveerd gesteld dat een verdeling al in 2004 heeft plaatsgehad. Weliswaar hebben zij aangevoerd dat [eiseres] op de hoogte was van de verkoop van het appartement in 2004, omdat de levering van het appartement aan de koper met de schriftelijke volmacht van [eiseres] heeft plaatsgevonden (wat [eiseres] overigens betwist), maar [gedaagden] hebben niet gesteld dat zij destijds (in 2004) met [eiseres] de afspraak hebben gemaakt dat de gehele verkoopopbrengst uitsluitend aan [gedaagden] zou toekomen. Ter zitting is gebleken dat de partijen daarover (ook in 2004) niet concreet met elkaar hebben gesproken.

4.10.

De enkele omstandigheid dat de verkoopopbrengst destijds aan [gedaagden] is uitgekeerd en dat [eiseres] daarop toen niet direct aanspraak heeft gemaakt, acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat daarmee in 2004 al een verdeling tot stand is gekomen. [eiseres] heeft namelijk voldoende toegelicht dat zij tot op heden geen zicht heeft op wat er met de verkoopopbrengst van het appartement is gebeurd en geen afschrift heeft gekregen van de nota van afrekening van de notaris. [gedaagden] hebben er daarom niet op mogen vertrouwen dat [eiseres] met deze verdeling, die feitelijk inhield dat [eiseres] afstand deed van haar helft van (de waarde van) het appartement, instemde.

4.11.

Omdat de verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement tot op heden niet heeft plaatsgevonden, is sprake is van een onverdeeldheid. Dan brengt artikel 3:178 lid 1 BW mee dat verjaring niet aan de orde is.

Slotsom ten aanzien van het appartement

4.12.

De door [eiseres] ingestelde vordering uit hoofde van de verkoopopbrengst van het appartement bedraagt € 34.744,-. Tegen de hoogte van dit bedrag hebben [gedaagden] geen verweer gevoerd. In beginsel dienen [gedaagden] dit bedrag dus te vergoeden aan [eiseres]. De omstandigheid dat sprake is van een verdelingsvordering, brengt mee dat de wettelijke rente pas verschuldigd is nadat de verdeling definitief is vastgesteld en sprake is van verzuim.[_4cbd0085-7370-4e9e-b5f4-51ea3b00a099] De gevorderde wettelijke rente vanaf 2004 zal dus worden afgewezen. In plaats daarvan is de wettelijke rente vanaf de dagvaarding verschuldigd.

De rente over papieren schenking van 2005

De rentevordering over de jaren 2005 tot en met 2019 is verjaard

4.13.

Partijen zijn het er over eens dat [gedaagden] rente verschuldigd zijn van 3% per jaar over de papieren schenking uit 2005 van € 4.000,-. [gedaagden] hebben echter aangevoerd dat de rentevordering over de jaren 2005 tot en met 2019 is verjaard.

4.14.

Op grond van artikel 3:308 BW verjaren vorderingen tot betaling van renten door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Partijen zijn overeengekomen dat de rente steeds ieder jaar opeisbaar is op 31 december. De dagvaarding is uitgebracht op 30 september 2025. Dit zou betekenen dat de vordering tot betaling van de rente is verjaard, met uitzondering van de rente die in de jaren 2020 tot en met 2025 is verschenen.

4.15.

[eiseres] heeft zich in reactie daarop beroepen op een besluit van de staatssecretaris van Financiën van 6 januari 2011 over de toepassing van artikel 10 van de Successiewet (hierna: het besluit). Volgens [eiseres] blijkt daaruit dat tot aan overlijden rentebetalingen gedaan kunnen worden en dat verjaring dus niet aan de orde is. Daarin krijgt zij geen gelijk. Daargelaten dat de geldigheid van het besluit is geëindigd, heeft dit besluit betrekking op de fiscale consequenties van de rente en is het besluit niet bepalend voor de (civielrechtelijke) rechtsverhoudingen tussen partijen. Zelfs als dat anders zou zijn, kan uit het gegeven dat rente betaald kán worden tot overlijden, niet worden afgeleid dat een beroep op verjaring niet kan slagen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van [gedaagden] op verjaring op grond van artikel 3:308 BW slaagt, voor zover het de rente over de jaren 2005 tot en met 2019 betreft en dat alleen de rente over de jaren 2020 tot en met 2025 verschuldigd is.

De rente over de jaren 2020 tot en met 2025 moet enkelvoudig worden berekend

4.16.

Partijen zijn het niet eens over de wijze waarop de rente over de jaren 2020 tot en met 2025 moet worden berekend. [eiseres] betoogt dat een samengestelde rente is verschuldigd (wat betekent dat het bedrag waarover de rente wordt berekend, telkens wordt verhoogd met de al verschenen maar nog niet betaalde rente over de voorgaande periode). [gedaagden] gaan uit van een enkelvoudige rente (wat betekent dat de rente alleen wordt berekend over de hoofdsom).

4.17.

Uitgangspunt is dat samengestelde rente verschuldigd is (artikel 6:119 lid 2 BW), tenzij partijen andere afspraken hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de akte van 1 juli 2005 erop wijst dat partijen enkelvoudige rente hebben afgesproken. Daarin is immers vermeld dat de rente verschuldigd is “over het schuldig erkende bedrag”.

4.18.

[eiseres] heeft aangevoerd dat de papieren schenking is gedaan om het fiscale voordeel maximaal te benutten en dat om die reden moet worden aangenomen dat een samengestelde rente is bedoeld. De rechtbank volgt dat betoog niet. Doorslaggevend is wat partijen over de rente hebben afgesproken. Ter zitting is gebleken dat partijen in 2005 mondeling daarover geen afspraken hebben gemaakt. De tekst van de akte is dus bepalend. Overigens is het betoog van [eiseres] dat met een samengestelde rente het fiscaal voordeel maximaal zou worden benut, niet zonder meer te rijmen met het feit dat de rente na ieder jaar direct betaald moest worden. De rechtbank zal dus uitgaan van de enkelvoudige rente.

4.19.

[gedaagden] hebben voldoende concreet en onweersproken toegelicht dat de enkelvoudige rente over de jaren 2020 tot en met 2025 € 120,- per jaar en dus in totaal € 720,- bedraagt en dat dit bedrag recent is betaald aan [eiseres]. Daarmee hebben zij aan hun betalingsverplichting voldaan. De vordering van [eiseres] zal daarom niet worden toegewezen.

De rente over de jaarlijkse papieren schenkingen in 2006 tot en met 2009

4.20.

[eiseres] stelt dat [gedaagden] ook in de periode 2006 tot en met 2009 jaarlijks papieren schenkingen van € 4.000,- hebben gedaan en dat zij 6% rente per jaar zijn verschuldigd over die schenkingen. [gedaagden] betwisten dat.

4.21.

In een door [gedaagden] ondertekende brief van 26 november 2009 aan hun financieel adviseur hebben [gedaagden] verklaard dat zij in de periode 2006 tot en met 2009 ieder jaar schenkingen hebben gedaan aan [eiseres] van € 4.000,-, onder gelijke voorwaarden als de schenking in het jaar 2005. Ook hebben zij daarin verklaard dat zij de rente over die schenkingen tot en met het jaar 2009 hebben betaald aan [eiseres]. [gedaagden] hebben hun handtekening onder deze brief niet betwist. De rechtbank moet daarom in principe uitgaan van de waarheid van die verklaring (artikel 157 lid 2 Rv). [gedaagden] hebben die verklaring onvoldoende concreet betwist. Het argument van [gedaagden] dat de schenkingen niet zijn vastgelegd in een notariële akte, is daarvoor onvoldoende. Artikel 7:177 BW bepaalt namelijk slechts dat een papieren schenking, die niet is vastgelegd in een notariële akte, vervalt met het overlijden van de schenker. Dat doet geen afbreuk aan de geldigheid van de papieren schenkingen tijdens het leven van [gedaagden]. Uit de verklaring van [gedaagden] in de brief van 26 november 2009 dat zij in de jaren 2006 tot en met 2009 daadwerkelijk rente hebben betaald aan [eiseres], leidt de rechtbank bovendien af dat partijen er ook op hebben vertrouwd dat de schenkingen al tot stand waren gekomen, ondanks het ontbreken van een notariële vastlegging. Dat betekent dat [eiseres] (zo lang [gedaagden] nog in leven zijn) nakoming kan vorderen van de afspraak om rente te betalen over de schenkingen in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009.

4.22.

Voor de berekening van de rente verwijst de rechtbank naar hetgeen in het voorgaande is overwogen over de rente over de schenking van 1 juli 2005. Anders dan [eiseres] stelt, is niet gebleken dat partijen voor de schenkingen uit 2006 tot en met 2009 een rente van 6% zijn overeengekomen. In de brief van 26 november 2009 staat namelijk dat de schenkingen zijn gedaan onder dezelfde voorwaarde als de schenking van 2005, dus met een enkelvoudige rente van 3% per jaar. Ook voor deze schenkingen uit 2006 tot en met 2009 geldt dat de rente daarover is verjaard, met uitzondering van de rente over de afgelopen vijf jaren. Er resteert daarom om een bedrag van € 720,- per schenking, dus in totaal € 2.880,-. Dit bedrag hebben [gedaagden] nog niet betaald, zodat zij dit in beginsel verschuldigd zijn aan [eiseres].

Tussenconclusie in conventie

4.23.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie in conventie dat [gedaagden] aan [eiseres] verschuldigd zijn:

  • € 34.744,- uit hoofde van de verkoopopbrengst van het appartement, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding,
  • € 2.880,- aan rente over de papieren schenkingen uit 2006, 2007, 2008 en 2009,

dus in totaal € 37.624,-.

De overige hoofdvorderingen van [eiseres] zijn niet toewijsbaar. [eiseres] heeft een beroep gedaan op verrekening van haar vordering met de in reconventie ingestelde vorderingen. De rechtbank zal deze vorderingen nu eerst bespreken.

In reconventie

(Rente over) schuldig gebleven bedrag

4.24.

[gedaagden] vorderen dat [eiseres] wordt veroordeeld om de rente te betalen over het in 1997 schuldig gebleven bedrag van € 5.256,13. [eiseres] heeft aangevoerd dat het schuldig gebleven bedrag (en de daarover verschenen rente) zijn verjaard. Ook beroept zij zich op verrekening. [gedaagden] hebben aangevoerd dat het verjaringsverweer niet opgaat voor de rente die in de laatste vijf jaar is verschenen. Bovendien geldt dat de verjaring aan een eenmaal verkregen verrekeningsbevoegdheid geen einde maakt, zodat zij de volledige verschuldigde rente kunnen verrekenen met wat zij in conventie aan [eiseres] verschuldigd blijken te zijn, aldus [gedaagden].

4.25.

Uit deze laatstgenoemde stelling van [gedaagden] leidt dat rechtbank af dat [gedaagden] betogen dat de verrekeningsbevoegdheid ten tijde van de verkoop van het appartement in 2004 is ontstaan en dat ook zij een beroep doen op verrekening. Ook [eiseres] neemt tot uitgangspunt dat bij de verkoop van het appartement in 2004 de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan[_e4abafda-1643-4c03-937a-a12a2309009e], zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

4.26.

Op dat moment - in 2004 - was de vordering tot betaling van het schuldig gebleven bedrag van € 5.256,13 nog niet verjaard, omdat die vordering volgens de akte van 1997 opeisbaar was geworden op 1 januari 2002 en sinds 2002 nog geen vijf jaren waren verstreken (artikel 3:307 BW). De vordering met betrekking tot de daarover verschuldigde rente was wel verjaard, met uitzondering van de rente over die in de vijf voorafgaande jaren was verschenen (artikel 3:308 BW). Volgens de onweersproken stelling van [gedaagden] bedraagt de rente € 210,25 per jaar, dus over die vijf voorafgaande jaren in totaal € 1.261,50. De rechtbank begrijpt uit het betoog van [eiseres] dat zij zowel het schuldig gebleven bedrag van € 5.256,13, als de rente daarover van € 1.261,50, verrekent. Voor zover het schuldig gebleven bedrag en de daarover in 2004 opeisbare rente op dit moment inmiddels wel zijn verjaard, doet dat geen afbreuk aan de reeds in 2004 verkregen verrekeningsbevoegdheid (artikel 6:131 BW). Omdat de verrekening terugwerkende kracht heeft, is [eiseres] na 2004 geen nieuwe rente verschuldigd geraakt (artikel 6:129 BW).

4.27.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagden] tot betaling van de rente is verjaard, met uitzondering van het bedrag van € 1.261,50. Dat deel van de vordering is echter teniet gegaan door verrekening met de schuld van [gedaagden] aan [eiseres]. De vordering is daarom niet toewijsbaar.

Geldlening 2015

4.28.

Vast staat dat [gedaagden] aan [eiseres] in 2015 een geldlening hebben verstrekt van € 94.723,- tegen een jaarlijkse rente van 6%. [gedaagden] stellen dat [eiseres] nooit de rente heeft betaald over de geldlening en dat daarom zowel de geldlening als de rente opeisbaar zijn.

4.29.

[eiseres] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagden] in 2015 een ‘jubelton’ wilden schenken aan [eiseres], maar dat [eiseres] vanwege haar leeftijd geen gebruik kon maken van de fiscale vrijstelling. Op advies van hun financieel adviseur hebben [gedaagden] toen gekozen voor een schenking ter hoogte van het wél fiscaal vrijgestelde bedrag (van € 5.277,-), en een geldlening voor het resterende bedrag (van € 94.723,-). In 2016 is volgens [eiseres] gebleken dat sprake was van een onjuist fiscaal advies, omdat [eiseres] hierdoor (onbedoeld) hoge rente moest gaan betalen aan [gedaagden], waarna de geldlening in 2016 alsnog is omgezet in een schenking.

4.30.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken voldoende duidelijk blijkt dat [gedaagden] de geldlening hebben omgezet in een schenking. In een overeenkomst van 15 december 2016, ondertekend door [eiseres], [gedaagden], is de schenking van € 94.723,- aan [eiseres] vastgelegd. Hun voornemen om die schenking vervolgens ook notarieel te laten vastleggen hebben zij bovendien vastgelegd in een door hen ondertekende brief van 20 december 2016.

4.31.

[gedaagden] hebben hiertegen aangevoerd dat zij deze documenten weliswaar zullen hebben ondertekend, maar dat zij de documenten niet herkennen. Volgens [gedaagden] heeft [eiseres] wellicht gewild dat dit bedrag geschonken zou worden, maar dat maakt niet dat dat daadwerkelijk is gebeurd. Dit betoog van [gedaagden] slaagt niet. Omdat [gedaagden] erkennen dat zij de documenten zullen hebben ondertekend (en dus geen sprake is van een stellige betwisting van de handtekening in de zin van artikel 159 lid 2 Rv), moet de rechtbank er in beginsel van uitgaan dat [gedaagden] het bedrag van € 94.723,- hebben geschonken aan [eiseres] (artikel 157 lid 2 Rv). Voor de geldigheid van deze schenking speelt artikel 7:177 BW (de notariële akte) geen rol, omdat de schenking niet pas opeisbaar is na het overlijden van [gedaagden], maar al was uitgevoerd.

4.32.

[gedaagden] hebben er op gewezen dat de overeenkomst van 15 december 2016 niet verwijst naar de geldlening van 11 december 2015, maar naar een schenking van 25 november 2015. [eiseres] heeft hierover echter voldoende concreet toegelicht dat de genoemde datum verwijst naar de bankbetaling van het bedrag van € 94.723,-, die op 25 november 2015 had plaatsgevonden. [gedaagden] hebben ook verklaard dat de overeenkomst van 15 december 2016 geen betrekking heeft op een nieuwe (tweede) schenking van € 94.723,-. Het kan dus niet anders zijn dan dat met de overeenkomst van 15 december 2016 de lening van 11 december 2015 is omgezet naar een schenking.

4.33.

Het voorgaande betekent dat [eiseres] het bedrag van € 94.723,- niet hoeft terug te betalen aan [gedaagden]. Ook is zij over dat bedrag geen rente verschuldigd aan [gedaagden]. Omdat kennelijk is bedoeld om de geldlening met terugwerkende kracht tot 25 november 2015 om te zetten naar een schenking, is [eiseres] ook over het jaar 2015 geen rente verschuldigd. Ook deze vorderingen van [gedaagden] worden dus afgewezen.

Slotsom in reconventie

4.34.

De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In conventie (vervolg)

4.35.

Gelet op het beroep op verrekening, is de vordering van [eiseres] op [gedaagden] van € 37.624,-, teniet gegaan tot een bedrag van € 1.261,50 (rente over het schuldig gebleven bedrag). Het ook verrekende bedrag van € 5.256,13 (het schuldig gebleven bedrag) heeft [eiseres] in haar berekening van haar vordering van € 34.744,- al in aftrek gebracht[_258c0456-f852-47a7-a0de-5a9ae3f7b735], zodat dit niet nogmaals in mindering strekt op haar vordering. Er resteert daarom een vordering van (€ 37.624,- minus € 1.261,50 is) € 36.362,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Dit bedrag zal worden toegewezen.

4.36.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Er is namelijk niet gesteld dat aan [gedaagden] een veertiendagenbrief is gestuurd in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW.

4.37.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk en gezamenlijk, in verband met de verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement en de rente over de papieren schenkingen in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009, tot betaling aan [eiseres] van € 36.362,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot de dag van algehele betaling;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het anders of meer gevorderde;

5.4.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

1538

Voetnoten

  1. Vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC0387.
  2. Vgl. randnummer 23 van de conclusie van antwoord in reconventie.
  3. Zie de berekening in productie 8 van [eiseres].

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.