Uitspraak · Bestuursstrafrecht

Rechtbank Noord-Holland, 10 maart 2023

ECLI:NL:RBNHO:2023:3237Zaaknummer 10279497 \ WM VERZ 23-53

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
10279497 \ WM VERZ 23-53
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zaanstad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WAHV - proceskostenveroordeling. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het besluit tot vernietiging van de beschikking aan betrokkene was bekendgemaakt voordat hij beroep had ingesteld tegen de opgelegde boete. Nu vast staat dat het besluit tot vernietiging van de beschikking aan betrokkene kenbaar is gemaakt na het instellen van beroep, had de officier van justitie een proceskostenvergoeding moeten toewijzen.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 9 februari 2022 in deze zaak gegrond en vernietigt die beslissing voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 507,75 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

‒ bepaalt dat voornoemd bedrag aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
  2. Overwegingen
  3. De uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknummer: 10279497 \ WM VERZ 23-53

CJIB-nummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 10 maart 2023

Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

[betrokkene]

gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V. te Amsterdam.

Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 28 februari 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is niet verschenen.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.

De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de opsporingsinstantie de beschikking heeft ingetrokken en het verzoek op proceskosten afgewezen. Het beroepschrift van gemachtigde van betrokkene richt zich alleen tot de toekenning van proceskostenvergoeding. Het beroepschrift aan de kantonrechter dient dus behandeld te worden als een verzoek op de voet van artikel 13a WAHV.

De gemachtigde stelt dat betrokkene administratief beroep heeft ingesteld, waarna de officier van justitie betrokkene te kennen heeft gegeven dat de beschikking is ingetrokken en dat het administratief beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Gemachtigde is van mening dat, nu de inleidende beschikking is ingetrokken, het verzoek om proceskostenvergoeding dient te worden toegekend.

De kantonrechter overweegt dat op basis van artikel 3:40 Awb een besluit niet in werking treedt voordat deze is bekendgemaakt. Aansluitend luidt artikel 3:41, lid 1 Awb: “de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager”. Uit de gegevens in het dossier blijkt niet of en wanneer het besluit tot vernietiging van de beschikking aan betrokkene is bekendgemaakt. De vertegenwoordiger van de officier van justitie kan hierover ook geen uitsluitsel geven. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het besluit op het moment van het instellen van beroep door betrokkene op 2 februari 2022 nog niet aan hem bekend was gemaakt en betrokkene dus niet op de hoogte was van het feit dat de beschikking inmiddels was vernietigd.

De officier van justitie heeft op 9 februari 2022 beslist op het beroepschrift, deze niet-ontvankelijk verklaard omdat de beschikking inmiddels was vernietigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het besluit tot vernietiging van de beschikking aan betrokkene was bekendgemaakt voordat hij beroep had ingesteld tegen de opgelegde boete. Nu vast staat dat het besluit tot vernietiging van de beschikking aan betrokkene kenbaar is gemaakt na het instellen van beroep, had de officier van justitie een proceskostenvergoeding moeten toewijzen. De kantonrechter zal de beslissing van de officier van justitie van 9 februari 2022 met betrekking tot de afgewezen proceskostenvergoeding daarom vernietigen en bepalen dat aan de betrokkene voor wat betreft de fase van het administratief beroep alsnog een proceskostenvergoeding wordt toegekend.

De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft in de fase van het administratief beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift, zodat 1 punt dient te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 597,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. De officier van justitie had in onderhavige zaak dus een proceskostenvergoeding ad € 298,50 (1 x € 597,00 x 0,5), moeten vaststellen.

Voorts is namens de betrokkene verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, gemaakt in de fase van het beroep bij de kantonrechter. Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de kantonrechter aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij de kantonrechter de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift. Gelet op de aard van de zaak (het geschil betreft de toekenning van proceskostenvergoeding) past de kantonrechter wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. De kantonrechter komt derhalve tot de slotsom dat de proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld op een bedrag van € 209,25 (1 x € 837,00 x 0,25).

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 9 februari 2022 in deze zaak gegrond en vernietigt die beslissing voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 507,75 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

‒ bepaalt dat voornoemd bedrag aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.