Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7451Zaaknummer 12132102 \ UC EXPL 26-2079

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
12132102 \ UC EXPL 26-2079
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Terugbetaling van borgsom huurwoning en doorgevoerde huurverhoging.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.600,00 aan waarborgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 oktober 2025, tot aan de dag van volledige betaling;

4.2

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 792,55 aan buitengerechtelijke incassokosten;

4.3

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.914,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

in reconventie

4.4

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te betalen een bedrag van € 600,00 aan servicekosten voor de maand juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2025, tot aan de dag van volledige betaling;

4.5

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] begroot op nihil;

in conventie en reconventie

4.6

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LHJ/63796

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12132102 \ UC EXPL 26-2079

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres],

wonende in [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. D.A. Boor,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende in [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2],

wonende in [plaats 3],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2],

gemachtigde: mr. A.H. Videler.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties.

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 11 september 2026. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar partner [A] en bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde sub 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde sub 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3

Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiseres] heeft een woning aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: de woning) van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehuurd. In conventie wil [eiseres] met deze procedure bereiken dat zij het restant aan borgsom terugkrijgt na het eindigen van de huur van de woning. Ook vordert zij de terugbetaling van een volgens haar ten onrechte betaalde huurverhoging, rente en kosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het hier niet mee eens. Volgens hen heeft [eiseres] schade aangericht aan (de spullen in) de woning en mocht die schade worden ingehouden op de borgsom. Verder heeft de huurverhoging volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] rechtsgeldig plaatsgevonden, waardoor zij die niet hoeven terug te betalen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] menen op hun beurt juist nog geld van [eiseres] tegoed te hebben. In reconventie vorderen zij daarom een bedrag van € 12.275,81 aan onbetaalde huurpenningen en gebruikersvergoeding en € 17.582,40 aan geleden schade. De kantonrechter zal de vorderingen in conventie grotendeels toewijzen en de vorderingen in reconventie grotendeels afwijzen. Dit zal hieronder worden uitgelegd.

3 De beoordeling

in conventie

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 10.000,00 aan huurverhoging terugbetalen

3.1

Tussen partijen zijn een tweetal huurovereenkomsten gesloten met betrekking tot de woning. Het gaat om een huurovereenkomst van 9 januari 2024, aangegaan voor de periode van 1 februari 2024 tot 30 januari 2025, (hierna: huurovereenkomst 1) en om een later gesloten huurovereenkomst, waarvan toen is overeengekomen dat deze was ingegaan op eveneens 9 januari 2024 en aangegaan voor de periode 1 februari 2024 tot 31 januari 2026 (hierna: huurovereenkomst 2).

3.2

In huurovereenkomst 2 is per 1 februari 2025 een huurverhoging doorgevoerd van € 2.500,00 per maand (van € 5.750 naar € 8.250,00 aan kale huur) en is aanvullend aan [eiseres] toestemming verleend om de woning maximaal voor 100 dagen op basis van vakantieverhuur onder te verhuren. In geschil is of de huurverhoging rechtsgeldig is doorgevoerd en of [eiseres] in de maanden februari tot en met mei 2025 teveel kale huur heeft betaald. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een bedrag van € 10.000,- aan [eiseres] moeten terugbetalen. Dit wordt hieronder uitgelegd.

3.3

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat de tweede huurovereenkomst niet als een verlenging van de eerste huurovereenkomst, maar als een zelfstandige, nieuwe huurovereenkomst moet worden gezien. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is in de tweede huurovereenkomst namelijk een wezenlijk afwijkend gebruik van de woning overeengekomen doordat de bestemming en de gebruiksmodaliteit van de woning was veranderd. Hierbij hebben zij gewezen op het toestaan van onderverhuur voor vakantieverhuur. Volgens hen was de huurverhoging daarom toegestaan. Dit standpunt wordt niet door de kantonrechter gevolgd.

3.4

Uit artikel 7:271 lid 2 BW volgt dat, indien na afloop van een voor bepaalde tijd van twee jaar of korter aangegane huur (voor een woonruimte) met dezelfde huurder aansluitend opnieuw een huurovereenkomst wordt aangegaan, deze laatste overeenkomst wordt opgevat als een verlenging voor onbepaalde tijd van eerstgenoemde huurovereenkomst. Deze situatie is tussen partijen aan de orde. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn beide huurovereenkomsten gericht op de verhuur van woonruimte aan [eiseres]. Dat [eiseres] de woning op grond van huurovereenkomst 2 ook maximaal voor 100 dagen als vakantieverhuur mocht onderverhuren, doet daar niet aan af. De woning behield namelijk hoofdzakelijk een woonfunctie voor [eiseres]. Dat huurovereenkomst 2 werd gesloten voordat huurovereenkomst 1 was afgelopen, maakt dit niet anders. Artikel 7:271 lid 2 BW beoogt de zwakkere positie van de huurder tijdens een tijdelijke huurovereenkomst namelijk te beschermen en die bescherming moet ook worden geboden als de eerste huurovereenkomst nog loopt. Artikel 7:271 lid 2 BW heeft tot gevolg dat in huurovereenkomst 2 dezelfde voorwaarden zijn blijven gelden zoals opgenomen in huurovereenkomst 1, waaronder begrepen de huurprijs. Afspraken die partijen hebben gemaakt over een hogere huurprijs wijken af van het bepaalde in artikel 7:272 lid 2 BW en zijn om die reden nietig. Van een rechtsgeldige huurverhoging was dus geen sprake. Nu niet in geschil is dat [eiseres] de verhoogde huur in de maanden februari tot en met mei 2025 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft betaald, heeft zij in totaal € 10.000,- (€ 2.500,00 per maand) teveel aan huur betaald. De door [eiseres] gevorderde terugbetaling van € 10.000,- aan huur zal daarom door de kantonrechter worden toewijzen.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 5.600,00 aan waarborgsom aan [eiseres] terugbetalen

3.5

Uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst(en) voor de woning volgt dat [eiseres] voor de ingangsdatum van de huur een waarborgsom van € 11.500,00 moest betalen, welk bedrag door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij het einde van de huurovereenkomst zal worden terugbetaald minus eventueel te verrekenen schade.[_7f9977a8-0d73-4459-bf78-aa9c9c330c89]

3.6

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 11.500,- aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft voldaan, dat de huurrelatie per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden is geëindigd en partijen zijn overeengekomen dat de onbetaalde (kale) huur van juni 2025 mocht worden ingehouden op de waarborgsom. Nu eerder is uitgemaakt dat de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] doorgevoerde huurverhoging niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, en dus vanaf 1 februari 2025 onveranderd sprake was van een maandelijkse huur van € 5.750,00, moet dat bedrag als huur voor juni 2025 in mindering worden gebracht op de totale waarborgsom. Dat betekent dat een waarborgsom van € 5.750,00 (€ 11.500,00 - € 5.750,00) in deze procedure resteert om een oordeel over te geven. Met betrekking tot dit restant aan waarborgsom is in geschil of [eiseres] schade heeft aangericht die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarmee mochten verrekenen. De kantonrechter is van oordeel dat zij dit slechts mochten doen voor een bedrag van € 150,00. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een restant aan waarborgsom van € 5.600,00 (€ 5.750,00 - € 150,00) aan [eiseres] moeten terugbetalen. Hierover wordt het volgende overwogen.

3.7

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gesteld dat zij schade hebben geleden door toedoen van [eiseres]. Het zou gaan om schade in de vorm van gaten in muren, verfvlekken, ontbrekende lampen, krassen op de vloer, het wegmaken van meubilair en het slopen van een open haard uit de woning. Ook zou [eiseres] haar spullen nog tot ver na het einde van de huurovereenkomst in de woning hebben laten staan en is ook daardoor schade ontstaan die vergoed moet worden door betaling van een gebruiksvergoeding. [eiseres] heeft dit alles gemotiveerd betwist.

3.8

Vaststaat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning gemeubileerd aan [eiseres] hebben verhuurd en dat partijen bij de aanvang van de huur geen beschrijving van de staat van de woning en de meubels hebben opgemaakt. Dat leidt er op grond van de wet toe dat wordt verondersteld dat [eiseres], behoudens tegenbewijs, de woning in de staat heeft ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst.[_24eb62a4-2fc8-4598-b444-b25fa74653c7] Met andere woorden: aanwezige schades in of aan de woning of het meubilair worden verondersteld er al bij aanvang van de huur te hebben gezeten, tenzij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door middel van het leveren van tegenbewijs kunnen aantonen dat dit niet het geval was. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarin grotendeels niet geslaagd.

Schade aan muren, vloeren en lampen is niet komen vast te staan

3.9

Niet is komen vast te staan dat gaten in de muren, de verfvlekken, de ontbrekende lampen en de krassen op de vloer in de woning door [eiseres] zijn veroorzaakt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben volstaan met het overleggen van ongedateerde foto’s, waaruit niet valt af te leiden dat er sinds de aanvang van de huur schades in of aan de woning of het meubilair zijn aangericht. Daarbij komt ook dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben erkend dat [eiseres] al voortijdig, namelijk vanaf 14 juni 2025, uit de woning was vertrokken en zij slechts nog af en toe in de woning aanwezig was om (de laatste) spullen te verhuizen. Dit terwijl [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vanaf 14 juni 2025 met toestemming van [eiseres] werklieden rondom, en later ook in, de woning aan het werk hebben gesteld. Het is daarbij mogelijk, zoals door [eiseres] gesteld, dat de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde schades aan de muren en de vloer, voor zover aanwezig, juist door de betreffende werklieden zijn aangericht. Dat geldt ook voor de lampen, waarvan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet hebben weersproken dat de schilders alle lampen eraf zouden hebben gehaald zodat zij alles goed konden schilderen. De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [eiseres] de schade heeft veroorzaakt aan de muren, vloeren en lampen.

Geen schade ontstaan door het weggooien van het op maat gemaakt eikenhouten bed

3.10

Het verwijt dat meubilair door [eiseres] is weggemaakt, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op de zitting toegespitsts op het ontbreken van een op maat gemaakt eikenhouten bed in de woning. Met betrekking tot dit op maat gemaakte eikenhouten bed heeft [eiseres] uitgelegd dat dit bed in de woning stond bij aanvang van de huur en dat zij dit bed heeft willen opslaan omdat zij dit bed niet wenste te gebruiken. Bij het demonteren viel het bed volgens haar echter uit elkaar. Ook zou zij daarbij geconstateerd hebben dat het bed zwarte schimmel bevatte. Het eikenhouten bed heeft zij om die reden weggegooid. Bij de oplevering van de woning heeft [eiseres] ervoor gekozen om ter vervanging van het eikenhouten bed een nieuw Ikea-bed te plaatsen. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is dat nieuwe bed van goedkope kwaliteit en doet dat onder voor het door hen verschafte eikenhouten bed, dat volgens hen nog in prima staat verkeerde. Ondanks de vervanging van het bed, lijden zij dus alsnog schade. De kantonrechter volgt dat betoog niet. Zoals eerder overwogen, hebben partijen bij de aanvang van de huur geen beschrijving van de staat van de meubels opgemaakt. Dat betekent dat niet bekend is in welke staat het eikenhouten bed zich bevond bij aanvang van de huur. Uit een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] overgelegde e-mail van [B] van [onderneming 1] volgt slechts dat het eikenhouten bed in 2015 door hem is gemaakt voor destijds € 2.000,- en dat die kosten momenteel € 3.600,- zouden bedragen. De inhoud van deze e-mail zegt echter niets over de staat van het eikenhouten bed op het moment van aanvang van de huur, zo’n 9 jaar na het maken van het bed. De kantonrechter is daarom van oordeel dat, voor zover al van enige schade is gebleken, deze schade voldoende door [eiseres] is gecompenseerd met de aanschaf van het nieuwe Ikea-bed.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mochten de schade aan de open haard (€ 150,00) vanuit de waarborgsom vergoeden

3.11

Wat betreft de open haard heeft [eiseres] toegelicht dat zij deze niet in zijn totaliteit uit de woning heeft gesloopt, maar dat dit slechts geldt voor de metalen kachel die zich in de open haard bevond. Dit hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet betwist. Volgens [eiseres] heeft zij de metalen kachel laten losschroeven door het bedrijf [onderneming 2] voor een bedrag van € 150,00, wat volgt uit een door haar overgelegde factuur.[_d73b0bfe-da2c-4918-b108-f94359d061a7] De metalen kachel heeft zij vervolgens opgeslagen in de schuur van de woning, waar deze tot op heden nog zou moeten liggen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dat niet weersproken. Met deze stand van zaken staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [eiseres] schade aan de woning heeft aangericht voor een bedrag van € 150,00. Die schade mochten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met de waarborgsom verrekenen. Dat [eiseres] niet door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gebreke is gesteld om de metalen kachel zelfstandig terug te plaatsen, maakt deze conclusie niet anders. De verplichting om het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst in goede staat terug te geven kan naar haar aard namelijk slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting op dat moment niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist.[_197f7371-4507-4ee8-ad15-a926714864fe] Vaststaat dat de metalen kachel bij het einde van de huurovereenkomst zich in de schuur van de woning bevond en dus niet was gemonteerd in de open haard. Daarmee is sprake van verzuim. Voor zover [eiseres] heeft willen stellen dat geen sprake is van verzuim doordat zij vlak vóór het eindigen van de huurovereenkomst de metalen kachel niet kon terugplaatsen door toedoen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], wordt geoordeeld dat daarvan niet is gebleken. Dat er kort voor het eindigen van de huurovereenkomst door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] werklieden in en rondom de woning aan het werk waren gesteld, is daarvoor onvoldoende. [eiseres] heeft daar immers ook zelf toestemming aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor gegeven en had nog toegang tot de woning.

3.12

Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] na het eindigen van de huurovereenkomst de schade aan de open haard hebben geconstateerd en [eiseres] vervolgens niet nog de gelegenheid hebben gegeven om de benodigde herstelwerkzaamheden aan de open haard zelf te verrichten, kunnen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] slechts de kosten in rekening worden gebracht die [eiseres] zou hebben gemaakt als zij de herstelwerkzaamheden zelf zou hebben verricht.[_411c0db1-7968-4e90-a4c1-a291b8cf5fb3] De kantonrechter gaat er hierbij vanuit dat de kosten van het verwijderen van de metalen kachel gelijk zijn aan de kosten van het opnieuw plaatsen daarvan, omdat op de zitting door [eiseres] onweersproken is aangegeven dat het in feite slechts om het losschroeven van de metalen kachel ging. De schade bedraagt in dat geval dan € 150,00. Dit bedrag komt daardoor in mindering op het door [eiseres] gevorderde restant aan waarborgsom.

Van schade door het onrechtmatig onder zich houden van de woning is niet gebleken

3.13

Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft [eiseres] de woning na het eindigen van de huurovereenkomst per 1 juli 2025 onrechtmatig onder zich gehouden tot 12 juli 2025. [eiseres] heeft haar spullen namelijk pas op 12 juli 2025 volledig uit de woning verwijderd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daardoor schade te hebben geleden. Op grond van artikel 7:225 BW menen zij recht te hebben op een gebruikersvergoeding van € 3.425,80, die zij met de waarborgsom mochten verrekenen. De kantonrechter volgt ook dit standpunt niet.

3.14

Op grond van artikel 7:225 BW is de huurder slechts een gebruikersvergoeding aan de verhuurder verschuldigd indien hij na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, waardoor de verhuurder de beschikking over het gehuurde een tijd mist. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Vaststaat dat de huur per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden is geëindigd, maar dat [eiseres] feitelijk al vanaf 14 juni 2025 uit de woning was vertrokken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben vanaf die datum met toestemming van [eiseres] werklieden rondom, en later ook in, de woning aan het werk gesteld. Hieruit volgt dat zij vanaf 14 juni 2025 al over de woning beschikten en dat van gemis daarvan geen sprake was. Dat [eiseres] tot 12 juli 2025 nog een aantal spullen in woning zou hebben staan en nog niet alle gehuurde meubels had teruggeplaatst, maakt dit niet anders. Dat geldt ook voor de verplichting tot afgifte van alle sleutels. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is namelijk onweersproken dat zij vanwege de schilderwerkzaamheden in de woning hebben verzocht dat [eiseres] pas in de week van 7 juli 2025 haar verplichtingen die hoorden bij het opleveren van de woning zou nakomen, waaronder de kantonrechter begrijpt het terugplaatsen van de meubels, het ophalen van het restant aan spullen en het inleveren van alle sleutels.[_9cc187d7-362b-4cca-a75a-beb61a7b91ee]

3.15

Het voorgaande leidt ertoe dat van schade slechts deels is gebleken en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op grond van de huurovereenkomst gehouden zijn het restant aan waarborgsom van € 5.600,00 aan [eiseres] terug te betalen. Tot dit bedrag zal de vordering daarom worden toegewezen.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de wettelijke rente betalen

3.16

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten ook de gevorderde wettelijke rente over het verschuldigde bedrag betalen. [eiseres] heeft namelijk meerdere keren aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzocht om het verschuldigde bedrag aan haar (terug) te betalen en dat hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet gedaan. De rente zal daarom worden toegewezen zoals gevorderd, namelijk vanaf 16 oktober 2025, tot aan de dag van volledige betaling.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.17

[eiseres] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen tot het wettelijke tarief € 792,55. Dat door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is betwist dat zij hebben gehandeld uit hoofde van een beroep of bedrijf, wordt bij de toetsing van de buitengerechtelijke incassokosten niet gevolgd. [gedaagde sub 1] heeft op de zitting toegelicht dat zij de zorg heeft over een zieke dochter en dat daardoor haar baan is weggevallen. Zij hield zich vervolgens slechts nog bezig met de verhuur van de woning en die inkomsten waren haar enige inkomstenbron. Hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat sprake is van een professioneel karakter en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet kunnen worden aangemerkt als consument.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten in conventie betalen

3.18

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom in conventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€153,77
- griffierecht€753,00
- salaris gemachtigde€864,00(2 punten × € 432,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.914,77

in reconventie

3.19

In reconventie hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 29.858,21 aan schade gevorderd, bestaande uit € 12.275,81 aan onbetaalde huurpenningen voor juni 2025 en een gebruikersvergoeding voor juli 2025 en € 17.582,40 aan kosten voor het herstel van de schade aan de woning en het meubilair. Deze kosten zullen in reconventie grotendeels door de kantonrechter worden afgewezen.

De reeds in conventie besproken schadeposten worden in reconventie afgewezen

3.20

De in reconventie gevorderde kosten zien grotendeels op door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde schades die al in conventie zijn besproken. Die schades zijn in conventie slechts komen vast te staan met betrekking tot de schade aan de openhaard. Omdat die schade, ter hoogte van € 150,00, in conventie al met de waarborgsom is verrekend, kan deze niet alsnog in reconventie worden toegewezen. Die zal dus in reconventie worden afgewezen. De overige schadeposten waar in reconventie nog wel op moet worden beslist, zien op kosten voor schoonmaak en herstel en de nog door [eiseres] te betalen servicekosten voor de maand juni 2025. Die zullen hierna worden besproken.

De kosten voor schoonmaak en herstel worden afgewezen

3.21

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben € 5.590,00 aan schoonmaak- en herstelkosten gevorderd. Die kosten zouden volgens een overgelegde factuur van [onderneming 3] B.V. van 1 juli 2025 zien op de reparatie van muren en vloeren, het hangen van lampen en het onderhouden van de tuin. Zoals in conventie is overwogen, is niet komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft veroorzaakt aan de muren, vloeren of lampen. Daarbij komt dat de schade aan de tuin, waarvoor herstel nodig was, in reconventie verder niet is onderbouwd, anders dan met het overleggen van ongedateerde foto’s. Zoals in conventie reeds overwogen, is dat onvoldoende. De schoonmaak- en herstelkosten zullen daarom in zijn geheel worden afgewezen.

[eiseres] moet de servicekosten voor de maand juni 2025 (€ 600,00) nog betalen

3.22

In reconventie vorderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de volledige huur voor de maand juni 2025, bestaande uit € 8.250,00 aan kale huur en € 600,00 aan servicekosten. Zoals in conventie overwogen, is de kale huur tot een bedrag van € 5.750,00 al met de waarborgsom verrekend en is het meerdere op grond van de huurverhoging niet rechtsgeldig overeengekomen. Dat maakt dat [eiseres] geen kale huur meer over juni 2025 verschuldigd is. [eiseres] heeft echter niet weersproken dat zij de servicekosten voor juni 2025 niet heeft betaald. Die is zij op grond van de huurovereenkomst wel verschuldigd. Die vordering zal in reconventie daarom worden toegewezen.

[eiseres] moet de wettelijke rente betalen

3.23

[eiseres] moet ook de gevorderde wettelijke rente over de servicekosten van juni 2025 betalen. Zij had vóór of op de eerste dag van de maand de volledige huur, inclusief servicekosten, moeten betalen en dat heeft zij niet gedaan. De rente zal daarom worden toegewezen vanaf 2 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling.

in reconventie

[eiseres] moet de proceskosten in reconventie betalen

3.24

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn deels in het gelijk gesteld en daarom moet [eiseres] de proceskosten in reconventie betalen. In reconventie worden de proceskosten vanwege de verwevenheid met de vorderingen in conventie begroot op nihil.

in conventie en reconventie

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen hoofdelijk worden veroordeeld

3.25

De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard

3.26

De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.600,00 aan waarborgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 oktober 2025, tot aan de dag van volledige betaling;

4.2

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 792,55 aan buitengerechtelijke incassokosten;

4.3

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.914,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

in reconventie

4.4

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te betalen een bedrag van € 600,00 aan servicekosten voor de maand juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2025, tot aan de dag van volledige betaling;

4.5

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] begroot op nihil;

in conventie en reconventie

4.6

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LHJ/63796

Voetnoten

  1. Verwezen wordt naar artikel 4.7 en 10.1 van de huurovereenkomst.
  2. Zie artikel 7:224 lid 2 BW.
  3. Zie productie 13 bij de conclusie van antwoord in reconventie.
  4. Zie ECLI:NL:HR:1998:ZC2790.
  5. Zie ECLI:NL:HR:1998:ZC2790.
  6. Verwezen wordt naar een Whatsapp-bericht van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 25 juni 2025, 14:09:34, en van 30 juni 2025, 10:39:31.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.