Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 27 november 1998
ECLI:NL:HR:1998:ZC2790Zaaknummer 16729 (C97/208)
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 november 1998
- Publicatiedatum
- 26 september 2019
- Zaaknummer
- 16729 (C97/208)
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Oplevering in erbarmelijke staat van woonruimte waar bij aanvang van de huur geen beschrijving van is opgemaakt en die voor ontruiming niet door verhuurder is geïnspecteerd. Voor schadevergoedingsvordering art. 7A:1600 BW (oud) noodzaak verzuim door ingebrekestelling en inspectie voor einde huurovereenkomst? De huurder die ingevolge art. 7A:1600 BW aansprakelijk is voor schade aan de gehuurde zaak, tenzij hij bewijst dat deze niet is ontstaan door een hem toerekenbare tekortkoming, is verplicht de zaak bij het einde van de huurovereenkomst in goede staat terug te geven. Deze verplichting, die niet kan worden gesplitst in een verplichting tot teruggave en de eventuele verplichting die zaak in goede staat te brengen, kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist. Het achterwege laten van een inspectie voor de ontruiming, brengt niet mee dat verhuurder geen aanspraak kan maken op schadevergoeding.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de woningbouwvereniging begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de president Martens als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 27 november 1998.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
27 november 1998
Eerste Kamer
Nr. 16.729 (C97/208HR)
EB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te Amsterdam,
EISER tot cassatie,advocaat: mr K.T.B. Salomons,
t e g e n
de vereniging WONINGBOUWVERENIGING BETER WONEN ,gevestigd te Zierikzee,
VERWEERSTER in cassatie,niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de woningbouwvereniging - heeft bij exploit van 27 september 1995 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Zierikzee en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 21.517,--, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
[eiser] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 22 februari 1996 de woningbouwvereniging in de gelegenheid gesteld de in dit vonnis gevraagde inlichtingen te verstrekken en bij eindvonnis van 9 mei 1996 haar vordering toegewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg.
Bij vonnis van 11 juni 1997 heeft de Rechtbank - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten in voege als in het vonnis vermeld.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de woningbouwvereniging is verstek verleend.
[eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(i) [eiser] heeft van de woningbouwvereniging de woning [a-straat 1] te [a-straat 1] in huur gehad, welke huur is geëindigd op 30 juni 1992. Op deze datum is de woning ontruimd.
(ii) Bij de aanvang van de huur is geen beschrijving opgemaakt van de staat waarin de woning verkeerde toen deze door [eiser] in huur is aanvaard. De woning is vóór de ontruiming niet door de woningbouwvereniging geïnspecteerd.
3.2 De woningbouwvereniging heeft in het onderhavige geding betaling van ƒ 21.517,-- gevorderd als vergoeding van de schade die [eiser] heeft veroorzaakt doordat [eiser], naar de in cassatie niet bestreden vaststellingen van de Rechtbank, de woning, die bij de aanvang van de huur in goede staat verkeerde, bij het einde van de huur in erbarmelijke staat heeft achtergelaten. Tegen deze vordering heeft [eiser] als verweer aangevoerd, voor zover in cassatie nog van belang, dat de woningbouwvereniging de woning vóór de ontruiming had moeten inspecteren, dat hem de gelegenheid had moeten worden geboden zelf de woning in de oorspronkelijke staat te brengen en dat de woningbouwvereniging pas na ingebrekestelling en een daarop intredend verzuim had mogen gaan herstellen.
De Rechtbank heeft in rov. 3.5 van haar vonnis dit verweer in zoverre gehonoreerd dat de woningbouwvereniging, nu zij niet vooraf heeft geïnspecteerd en [eiser] derhalve niet in de gelegenheid is gesteld de gebreken zelf (en derhalve vermoedelijk goedkoper) te herstellen, geen aanspraak kan maken op volledige vergoeding van de gemaakte herstelkosten. Anderzijds, aldus de Rechtbank, had het ook aan [eiser] duidelijk moeten zijn dat hij de woning niet in erbarmelijke staat had mogen opleveren. De kosten die hij zelf had moeten maken om de woning in goede staat te brengen, kunnen door de woningbouwvereniging als schadevergoeding worden gevorderd, waaraan het ontbreken van een voorafgaande inspectie of van een ingebrekestelling niet afdoet.
3.3 Het middel bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] tot betaling van schadevergoeding is gehouden, met het betoog dat het hier gaat om een ondeugdelijke nakoming die niet zonder meer wanprestatie oplevert, omdat van wanprestatie van de huurder-schuldenaar eerst sprake is indien hij in verzuim is, waartoe is vereist dat hij in gebreke is gesteld.
Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De huurder - die ingevolge art. 7A:1600 BW aansprakelijk is voor schade aan de gehuurde zaak, tenzij hij bewijst dat deze niet is ontstaan door een hem toerekenbare tekortkoming - is verplicht de zaak bij het einde van de huurovereenkomst in goede staat terug te geven. Deze verplichting, die niet kan worden gesplitst in een verplichting tot teruggave van de gehuurde zaak en een eventuele verplichting die zaak in goede staat te brengen, kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting dan niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim: daarvoor is niet een ingebrekestelling vereist, nu deze ertoe strekt de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is (HR 20 september 1996, nr. 16004, NJ 1996, 748).
Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank haar oordeel hierop heeft gegrond dat sprake is van een fatale termijn, mist het feitelijke grondslag. De Rechtbank heeft blijkens het verband waarin zij het begrip "fatale termijn" heeft gebezigd, slechts tot uitdrukking gebracht dat het hier gaat om een verplichting die naar haar aard op een bepaald tijdstip, te weten bij het einde van de huurovereenkomst, moet worden nagekomen.
Voor zover het middel aldus moet worden begrepen dat het ook de klacht inhoudt dat het achterwege laten van een inspectie vóór de ontruiming meebrengt dat de verhuurder in het geheel geen aanspraak op schadevergoeding kan maken, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank heeft geoordeeld dat, de functie van een voorafgaande inspectie in aanmerking genomen, in dit geval niet alle door de woningbouwvereniging gemaakte herstelkosten als schadevergoeding van [eiser] kunnen worden gevorderd, maar slechts die kosten die [eiser] zelf had moeten maken om de woning in goede staat op te leveren. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de woningbouwvereniging begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de president Martens als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 27 november 1998.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7a:1600 BW
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:1998:8 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7451 Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8508 Rechtbank Amsterdam, 11 augustus 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2072 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 maart 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8024 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 november 2024 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6517 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 september 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2115 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 maart 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:610 Rechtbank Rotterdam, 20 januari 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:8503 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 december 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5015 Rechtbank Midden-Nederland, 30 november 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3762 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 november 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:4887 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:1722 Rechtbank Overijssel, 13 juni 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3547 Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:2675 Rechtbank Rotterdam, 1 april 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:4760 Rechtbank Overijssel, 7 december 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:9936 Rechtbank Rotterdam, 8 oktober 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:323 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 31 augustus 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:3009 Rechtbank Rotterdam, 19 maart 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:189 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 januari 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9821 Rechtbank Limburg, 9 december 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:7717 Rechtbank Rotterdam, 28 augustus 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:6532 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1375 Gerechtshof Den Haag, 26 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1376 Gerechtshof Den Haag, 26 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:66 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:8842 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2018:5162 Rechtbank Oost-Brabant, 4 oktober 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2041 Gerechtshof Den Haag, 24 januari 2017 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4484 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:4456 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juli 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:601 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 februari 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 februari 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:146 Gerechtshof Den Haag, 27 januari 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:1998:8 Parket bij de Hoge Raad, 25 september 1998 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.