Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7419Zaaknummer 16/394590-24; 16/305278-24 (t.t.z. gevoegd)
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 16/394590-24; 16/305278-24 (t.t.z. gevoegd)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden; poging tot zware mishandeling; mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 3 van de beschuldiging onder 16.394590.24 en het primaire en subsidiaire van de beschuldiging onder 16.305278.24 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2 van 16.394590.24 en het meer subsidiaire van 16.305278.24 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.1 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 450 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat de gevangenisstraf voor een gedeelte van 122 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte tijdens de proeftijd:
- Meldplicht bij reclassering
zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- Opname in een zorginstelling
zich laat opnemen in en behandelen door [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
zich laat behandelen door [kliniek] Forensische Zorg (ForFact) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie / stabilisatie / observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
verblijft in een begeleide- en of beschermde wooninstelling, te bepalen door de reclassering zo lang de reclassering dat nodig vindt. Het verblijf start na de opname in een zorginstelling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- Verbod verdovende middelen
geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- Alcoholverbod
geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles.
Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- Contactverbod
op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1986 In [geboorteplaats];
- Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
zich niet bevindt rondom 100 meter van de woning van [slachtoffer 1], [adres 2] [plaats];
- Dagbesteding
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- Aflossing schulden
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Toezicht
- geeft opdracht aan de reclassering (Leger des Heils Midden-Nederland) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
dadelijk uitvoerbaar
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.785,36 (twintigduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en zesendertig eurocent), bestaande uit vergoeding van € 785,36 aan materiële schade, en € 20.000,- aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
o over een bedrag van € 785,36 met ingang van 20 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen:
- ten behoeve van [slachtoffer 1] een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
- ten behoeve van [slachtoffer 2] een bedrag van € 20.785,36 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente
o over een bedrag van € 785,36 met ingang van 20 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 158 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde(n) dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van dhr. K.J.J. Oudshoorn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16.394590.24
1hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,aan [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en/of een blauw oog en/of eenwond op haar gezicht en/of de lip en/of meerdere blauwe plekken op debovenarmen en/of benen en/of een snijverwonding op het achterhoofd, heefttoegebracht door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haar hoofd en/ofhaar lichaam te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengeneen of meerdere klappen en/of stoten op haar hoofd en/of haar lichaam te geven,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland[slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haarhoofd en/of haar lichaam te geven;
2hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,opzettelijk[slachtoffer 1]wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,door- die [slachtoffer 1] in zijn woning te houden en/of- de voordeur te barricaderen met een bank en/of- het been van die [slachtoffer 1] met tie-wraps (proberen) vast te binden aan zijn been;
3
hij op of omstreeks 26 december 2024 te Utrecht,[slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haarhoofd en/of haar lichaam te geven;
16-305278-24
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrechtaan [slachtoffer 2]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten- een scheur in de tong en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op de kin en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op het achterhoofd en/of- een of meerdere gekneusde rib(ben) en/of- intracerebrale bloeding en/of- een of meerdere epileptische aanval(len),heeft toegebracht door die [slachtoffer 2] (met kracht) (met een bierglas, althans eenscherp voorwerp, in de hand) te slaan in het gezicht, althans op het hoofd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] (met zijn hoofd op de stoep) ten val is gekomen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 2]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- (met kracht) (met een bierglas, althans een scherp voorwerp, in de hand) heeftgeslagen in het gezicht, althans op het hoofd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrecht[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht)(met een bierglas, althans een scherp voorwerp, in de hand) te slaan in het gezicht,althans op het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] (met zijn hoofd op de stoep)ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten- een scheur in de tong en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op de kin en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op het achterhoofd en/of- een of meerdere gekneusde rib(ben) en/of- intracerebrale bloeding en/of- een of meerdere epileptische aanval(len),ten gevolge heeft gehad.
Bijlage II
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van [slachtoffer 1][_379b2347-44bb-4263-9bca-3f94454c3b08], 16-394590-24
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 29 september 2026, inhoudende:
In de nacht van 10 december 2024 heb ik [slachtoffer 1] verschillende keren op haar hoofd en haar lichaam geslagen en gestoten. Ik heb haar been aan mijn been vastgemaakt met tiewraps.
- Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 10 december 2024
Plaats delict: [adres 3] [plaats]
Op 10 december 2024 omstreeks 24:00 uur kwam ik [verdachte] tegen. Ik hoorde dat hij tegen me zei dat ik met hem naar zijn huis moest komen. Eigenlijk wilde ik dit niet, maar ik ben toch achterop gestapt bij hem. Dit heb ik gedaan omdat ik heel bang voor hem ben. Eenmaal bij hem thuis begon hij gelijk te tieren en was hij boos over dingen uit het verleden. Ongeveer een uur later begon hij mij te slaan. Hij bedreigde met zijn vuisten en ik dook in elkaar. Ik voelde daarna meerdere stoten op mijn hoofd komen. Ik voelde er niet veel van, maar ik heb zoveel klappen op mijn hoofd gehad dat ik daardoor verdoofd was. Ik dacht dat mijn tanden eruit waren geslagen. Daarna bleef hij maar door tieren en heeft hij mij weer gedreigd te gaan slaan. Dit is ongeveer tot 10:00 uur in de ochtend door gegaan. Daarna heeft hij geprobeerd om mij op te sluiten in de douche en heeft hij geprobeerd mijn been aan zijn been vast te binden met tie-wraps. Hij had ook de voordeur gebarricadeerd met een bank.[_def0c7be-0d3c-4fab-a8d3-d5aeb91dcabd]
- Een geschrift, houdende een letselverklaring van [arts], arts ass.
Betreft: [slachtoffer 1] Datum: 10 december 2024
Bovengenoemde patiënte zag ik op 10-12-2024 op de Spoedeisende Hulp te [ziekenhuis] Utrecht.
Conclusie:Mevrouw komt nu naar aanleiding van mishandeling waarbij:
- Fractuur ramus mandibula rechts
- Wond os pariëtale rechts, goed aanliggend
- Wond bovenlip rechts
- Multipele hematomen bovenarmen en benen.
Beleid:Morgen kaakchirurg(....)Kan op dit moment veilig naar huis mee met vader
en bijlage bij de verklaring: - snijverwonding achterhoofd parietaal rechts - hematomen verspreid over armen en benen, ,m.n. ook binnenzijde dijen- snijwond bovenlip.- fors hematoom rechter wang.[_9003e23d-3e40-4e9a-a135-73b010100a7b]
Ten aanzien van [slachtoffer 2][_ccff335d-9c81-4ab5-b0fb-a70d435881e8], 16-305278-24
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 29 september 2026, inhoudende:
Op 2 september 2026 heb ik in Utrecht [slachtoffer 2] één keer in het gezicht geslagen.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 13 september 2024
Op 2 september 2024, omstreeks 23.15 uur, was ik samen met wat andere jongens op het grasveldje voor mijn huis op de [adres 4] in [plaats]. Opeens kwam er een Marokkaanse jongen aan. Anderen vertelden mij dat hij [verdachte] heet. (De rechtbank begrijpt dat het hier om [verdachte] gaat)
[verdachte] stond voor mij en uit het niets haalde hij naar mij uit. Gelijk hierna ben ik out gegaan. Ik ben toen ook met mijn achterhoofd op een stoeprand gevallen. Ik werd pas weer wakker toen de ambulance en de Politie erbij waren.Ik heb aan dit alles flinke hechtingen overgehouden aan mijn kin en achterhoofd. Ook heb ik een hersenbloeding en een epileptische aanval gehad. Ik ben nu sinds gister, 12 september 2024, weer thuis uit het ziekenhuis. Ik moet een hele boel medicijnen slikken.[_9966c25e-8bc6-42c0-b16d-4eee12dc93c6]
- Proces-verbaal van bevindingen:
Op dinsdag 24 september 2024 omstreeks 12.15 uur zijn wij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in gesprek gegaan met [slachtoffer 2]. Wij stelden hem specifiek de vraag of hij eerder, voor het incident, bekend was met epileptische aanvallen. Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen:
"Ik had nooit eerdere een epileptische aanval gehad. Na die klap die avond, ben ik
naar het ziekenhuis gegaan. Die snee in mijn kin en op mij achterhoofd zijn toen
gehecht. Daarna ben ik naar huis gelopen. De dag daarna kreeg ik die epileptische
aanval. Ik ben toen naar het ziekenhuis gegaan en toen hebben ze mij kunstmatig is
coma gehouden. Ik heb er nu nog wel wat last van hoor. Ik voel het nog in mijn hoofd maar kan niet zo goed zeggen wat het is. Na 10 dagen ben ik uit het ziekenhuis ontslagen. Binnenkort moet ik terug naar het ziekenhuis. Als de bloeding dan weg is dan mag ik stoppen met de medicatie. Ik heb ook gekneusde ribben, ik had daar nog veel last van, dat kan nog maanden duren."[_be0d2a6b-5d7a-4771-9f03-72fffd86f73f]
- Een geschrift, houdende een verslag van het Diaconessenhuis van 12 september 2024:
Patiënt: [slachtoffer 2] ( [geboortedatum] 1982)Patiënt werd op 04-09-2024 opgenomen op de Intensive Care. Op 10-09-2024 kon patiënt worden ontslagen naar de afdeling neurologie voor verder klinisch herstel.[_e403d6ea-25f2-4462-938f-43ce1fd1f23c]
- Een geschrift, houdende een NFI-rapport over letsel van [slachtoffer 2] van 8 januari 2025, van D. Botter, forensisch arts:
Ontstaan letsel Er waren 2 letsels aan het hoofd welke het gevolg waren van tenminste 2 stompe botsende geweldsinwerkingen tegen het hoofd (‘coupletsels’): één tegen het achterhoofd aan rechterzijde en één tegen de kaak (bij de kin) aan linkerzijde.
De hersenkneuzingshaard en de bloeding onder het harde hersenvlies links frontaal, kunnen qua aard en locatie goed passen bij contrecoupletsels, waarbij het weke delenletsel aan het achterhoofd als bijbehorend coupletsel geldt. Dit letselcomplex kan zeer wel verklaard worden door een val met het achterhoofd tegen een harde ondergrond.
Het weke delenletsel bij de onderkaak is niet nader te duiden dan dat deze het gevolg zal zijn geweest van stompe botsende geweldsinwerking, zoals door slaan, schoppen, vallen of (zich) stoten, etc.
Ernst letsel De hersenkneuzingshaard en de bloeding onder het harde hersenvlies, kunnen (evenals het ontwikkelde oedeem) worden gezien als ernstige hersenletsels, waarvoor opname op de afdeling Intensive Care geïndiceerd is geweest. Van deze letsels moet het zeer wel mogelijk moet worden geacht dat hiervan blijvende restschade optreedt, al dan niet in combinatie met tijdelijke/blijvende epileptische aanvallen. Gezien de korte verstreken tijd tussen het delict en de opstelling vanvoorliggende rapportage, kan daarover thans geen nadere uitspraak worden gedaan.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/394590-24; 16/305278-24 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats], [gemeente],
verblijvende op het adres [adres 1], [postcode] in [plaats]
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de advocaat van de verdachte: mr. Y. Finani (hierna: de advocaat);
- de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in de zaak met parketnummer 16-394590-24 met haar advocaat, mr. A.R. Jaarsma;
- mr. Hanegraaf, de advocaat van de benadeelde partij, [slachtoffer 2], in de zaak met parketnummer 16-305278-24;
- de officier van justitie: mr. G.A. Hoppenbrouwers.
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/394590-24
feit 1
in de periode van 9 tot en met 10 december 2024 te Utrecht meerdere malen (met kracht) tegen haar hoofd en lichaam heeft geslagen;
dit is primair tenlastegelegd als een zware mishandeling, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een eenvoudige mishandeling;
feit 2
in de periode van 9 tot en met 10 december 2024 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer 1] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;
feit 3
op 26 december 2024 te Utrecht [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar één of meerdere klappen te geven;
16/305278-24
in de periode van 2 tot en met 3 september 2024 te Utrecht [slachtoffer 2] met een scherp voorwerp in het gezicht heeft geslagen;
dit is primair tenlastegelegd als een zware mishandeling, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
16/394590-24
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 3 tenlastegelegde. Zij vindt dat bewezen kan worden dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie in beide parketnummers worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
16/305278-24
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie in beide parketnummers worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
16/394590-24
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Zij voert geen verweer over het bewijs van het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde en refereert zich in zoverre aan het oordeel van de rechtbank.
De door de advocaat gevoerde verweren in beide parketnummers worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.
16/305278-24
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij voert geen verweer over het bewijs van het meer subsidiair tenlastegelegde en refereert zich in zoverre aan het oordeel van de rechtbank.
De door de advocaat gevoerde verweren in beide parketnummers worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
16/394590-24
Feit 1 Poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] bewezen
De verdachte heeft het slachtoffer met de vuist meermaals geslagen, onder meer op het hoofd, lichaam en de rug. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer een kaakbreuk, een hoofdwond en een wond boven de lip opgelopen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte met kracht met de vuist meermaals op verschillende plekken op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het handelen van de verdachte, het meermalen met de vuist met kracht slaan tegen het hoofd naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien was die kans voorzienbaar voor de verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden, of de verdachte het slachtoffer ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen is ernstig: een breuk in de onderkaak, een hoofdwond, een wond boven de lip en diverse forse blauwe plekken. De rechtbank stelt echter vast dat er onvoldoende informatie is om te kunnen oordelen over de ernst van het letsel en de tijd die voor herstel nodig is geweest om te kunnen beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank merkt daarbij op dat het slachtoffer op de zitting heeft verklaard dat haar ondertanden zijn losgeraakt. Maar daarvan blijkt niet uit de letselrapportage. Er zijn ook geen andere stukken waaruit meer over het letsel blijkt. Zwaar lichamelijk letsel in juridische zin kan daardoor niet worden bewezen. De rechtbank komt daarom niet tot een bewezenverklaring van zware mishandeling, maar oordeelt dat het bij een poging daartoe is gebleven. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Feit 2 Wederrechtelijke vrijheidsberoving [slachtoffer 1] bewezen
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij niet wilde dat [slachtoffer 1] wegging en dat hij haar met tiewraps aan zichzelf heeft vastgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte ook de uitgang had gebarricadeerd, en oordeelt dat de verdachte, gezien de aard en de duur van zijn gedragingen, [slachtoffer 1] in de nacht van 9 op 10 december 2024 wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.
Feit 3 vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte dit feit heeft begaan. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.
16/305278-24
Mishandeling van [slachtoffer 2] met zwaar lichamelijk letsel als gevolg
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel. Voor het primair en subsidiair tenlastegelegde is nodig dat de verdachte ook het opzet had om het slachtoffer zwaar te mishandelen. De rechtbank vindt dat dit niet is bewezen. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
Het staat vast dat de verdachte het slachtoffer één klap in het gezicht heeft gegeven. Het slachtoffer is als gevolg daarvan als een plank achterover gevallen. Dat zou kunnen betekenen dat de klap erg hard is geweest, maar dat is niet zeker. De verdachte heeft verklaard dat hij sloeg om weg te komen uit de situatie. Er zijn geen beelden van de klap. Getuigen hebben niet gezegd met hoeveel kracht de verdachte heeft geslagen. Zij hebben ook niet iets anders gezegd waaruit valt af te leiden dat de klap zodanig was dat daaruit het opzet van de verdachte om het slachtoffer zwaar te mishandelen blijkt. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer onder invloed was.
De rechtbank concludeert dat er geen bewijs is dat de verdachte het opzet had om het slachtoffer zwaar te mishandelen. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken voor het primair en subsidiair tenlastegelegde.
De bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde feiten in beide parketnummers zullen als Bijlage II aan dit vonnis worden gehecht.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16/394590-24
1. subsidiair:hij op of omstreeks 10 december 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengenmeerdere klappen en stoten op haar hoofd en haar lichaam heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op of omstreeks 10 december 2024 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/ beroofd gehouden, door - die [slachtoffer 1] in zijn woning te houden en/of- de voordeur te barricaderen met een bank en/of- het been van die [slachtoffer 1] met tie-wraps vast te binden aan zijn been;
16-305278-24
meer subsidiair:op of omstreeks 2 september 2024 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te slaan in het gezicht, althans op het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] met zijn hoofd op de stoep ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten- een scheur in de tong en - een blijvend en ontsierend litteken op de kin en - een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op het achterhoofd en - een of meerdere gekneusde rib(ben) en - intracerebrale bloeding en- meerdere epileptische aanvallen,ten gevolge heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/394590-24
Feit 1
poging tot zware mishandeling;
Feit 2
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden;
16/305278-24
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 450 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 109 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte inmiddels ongeveer 11 maanden in voorlopige hechtenis zit en verzoekt om een onvoorwaardelijke straf op te leggen die niet langer is dan het voorarrest. Verder verzoekt de advocaat dat aan de verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd conform het advies van de reclassering, behoudens dat de gevangenisstraf aansluit bij de klinische behandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 450 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen naast de algemene voorwaarden, de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Hij heeft [slachtoffer 1] mishandeld door haar meermaals met kracht met de vuist tegen haar lichaam en hoofd te slaan. De mishandeling vond plaats in de woning van de verdachte en [slachtoffer 1] heeft daar ernstig letsel aan overgehouden. In juridische zin is het letsel weliswaar niet te beschouwen als zwaar lichamelijk letsel, de geweldshandelingen van de verdachte zijn dermate ernstig dat er wel sprake is van een poging tot het toebrengen daarvan. Na de mishandeling wilde [slachtoffer 1] de woning van de verdachte verlaten om medische hulp te zoeken. De verdachte heeft [slachtoffer 1] dat echter belemmerd door de voordeur te barricaderen met meubels. Ook heeft de verdachte haar aan zichzelf vastgebonden met tiewraps. De verdachte heeft zich daarmee niet alleen schuldig gemaakt aan een poging [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, maar ook aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] door hem tegen zijn hoofd te slaan. [slachtoffer 2] kwam als gevolg daarvan hard met zijn achterhoofd op een stoeprand terecht, waardoor hij ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen.
De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de vrijheid van [slachtoffer 1] en de lichamelijk integriteit van de beide slachtoffers. De impact van de geweldshandelingen op de slachtoffers blijkt onder meer uit de (schriftelijke) slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en de toelichting op de namens [slachtoffer 2] ingediende vordering tot schadevergoeding. Algemene ervaringsregels leren bovendien dat slachtoffers van vrijheidsberoving en van dit soort geweldsfeiten nog lange tijd de lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dergelijke feiten hebben niet alleen gevolgen voor de directe slachtoffers, maar leveren ook gevoelens van angst en onveiligheid op in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in het verleden regelmatig is veroordeeld voor onder meer geweldsfeiten en vermogensdelicten, maar de vijf jaren voorafgaand aan de feiten waar het in deze zaak over gaat niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de Pro Justitia dubbelrapportage in welk kader de verdachte is onderzocht door een GZ-psycholoog, I.W.J. ten Pos (datum rapport 11 juni 2026) en een psychiater, mr. drs. F.M.J. Bruggeman (datum rapport 26 mei 2026). De rechtbank maakt uit de dubbelrapportage op dat bij de verdachte een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, cocaïne en cannabis is gediagnosticeerd. Daarnaast is er een persisterende rouwstoornis vastgesteld en zijn er aanwijzingen voor psychotische verschijnselen in het kader van middelengebruik. Ook zijn er traumagerelateerde kwetsbaarheden van invloed geweest op de persoonlijkheidsontwikkeling, emotieregulatie en copingvaardigheden van de verdachte. In de Pro Justitia-rapportage staat verder dat het denken en handelen van de verdachte ernstig werd beïnvloed door het middelengebruik en de daaruit ontstane psychotische klachten.
De responsiviteit van de verdachte wordt sterk beïnvloed door zijn verslavings- en psychische problematiek en heeft er hoogstwaarschijnlijk toe bijgedragen dat hij zich niet conformeerde aan eerder opgelegde voorwaarden binnen een ambulant kader. Een intensief en langdurig kader lijkt volgens de Pro Justitia-rapporteurs noodzakelijk, waarbij de verdachte start met een klinische opname vanwege de complexiteit en intensiteit van de vastgestelde verslavings- en psychische problematiek, gevolgd door een ambulant traject om de hardnekkige problematiek duurzaam te behandelen.
De reclassering heeft op 15 september 2026 een rapport over de verdachte geschreven waarin zij naar aanleiding van de Pro Justitia dubbelrapportage en de gesprekken die de reclasseringsmedewerker met de verdachte heeft gehad ook tot de conclusie komt dat de voornaamste risicofactoren zijn gelegen in het psychisch functioneren en de verslavingsproblematiek van de verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat op hoog. Gezien de problematiek waar de verdachte mee kampt en de zorgen die daarover bestaan, adviseert de reclassering de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Aan het voorwaardelijke deel moeten volgens de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden worden gekoppeld:
• Meldplicht bij reclassering• Opneming in een zorginstelling• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang• Verbod verdovende middelen• Alcoholverbod• Contactverbod• Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)• Dagbesteding• Aflossing schulden.
De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht, omdat de kans op een misdrijf met letsel groot is volgens de reclassering.
De officier van justitie liet op de zitting weten dat er voor de verdachte per 2 oktober 2026 een plek beschikbaar was in de [kliniek]. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis daarom op 2 oktober 2026 geschorst, zodat de verdachte opgenomen kon worden in die kliniek en kon beginnen met zijn behandeling.
Straf
Vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten oordeelt de rechtbank dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank volgt de strafeis van de officier van justitie. Aangezien de verdachte geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten, hoeft hij nu niet terug naar de gevangenis. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte de behandeling waarmee hij op 2 oktober 2026 is begonnen, kan voorzetten en legt daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op. De rechtbank houdt hiermee rekening met de persoonlijke omstandigheden, de hulp die de verdachte nodig heeft en hetgeen de reclassering en de deskundigen in de Pro Justitia dubbelrapportage hebben geadviseerd. Resumerend wordt aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 450 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daaraan worden de algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals hieronder opgenomen in de beslissing.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, als hij niet de benodigde behandeling en begeleiding krijgt, weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de voorwaarden en het toezicht direct na de uitspraak ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
De voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis is per 2 oktober 2026 geschorst. De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, omdat de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt dan de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten.
6 Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.000, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte tot het betalen van een schadevergoeding van € 136.229,10, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.889,55 aan materiële schade, € 119.375 aan immateriële schade, € 13.996,50 aan wettelijke rente tot aan de datum van de zitting, en € 968,- aan buitengerechtelijke kosten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen goed zijn onderbouwd en geheel kunnen worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] De eventueel toe te wijzen bedragen moeten worden gematigd onder meer omdat het geestelijk letsel niet is onderbouwd en de benadeelde partij ook al ander geestelijk letsel had.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]
Het eventueel toe te wijzen bedrag moet zeer fors worden gematigd, en grotendeels niet ontvankelijk worden verklaard, vooral omdat het debat over de grootste schadepost niet in dit strafproces gevoerd kan worden.
De verdere onderbouwing van het standpunt van de verdediging komt aan de orde bij de beoordeling door de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij heeft dus recht op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij heeft gelet op onder meer het door haar gestelde letsel gevraagd om aan te knopen bij bedragen als genoemd in de Rotterdamse Schaal. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. Omdat enige onderbouwing voor het gestelde letsel ontbreekt en de verdediging de ernst van het gestelde letsel betwist, kan de rechtbank op dit moment niet meer toewijzen dan wat in ieder geval billijk is op basis van wat op grond van het dossier is vast te stellen: een breuk in de rechter onderkaak, een hoofdwond, een wond aan de bovenlip en diverse blauwe plekken op het lichaam, bovenarmen en bovenbenen. Daarnaast is de benadeelde partij met deze verwondingen tegen haar wil vastgehouden. Dat moet beangstigend zijn geweest en het is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij daar ook nu nog last van ervaart.
Het voorgaande biedt onvoldoende informatie om een bepaalde categorie van de Rotterdamse Schaal te kunnen rechtvaardigen. Daarom biedt de Rotterdamse Schaal in dit geval voor de rechtbank geen aanknopingspunt. Om vast te stellen wat tenminste billijk, en daarmee op dit moment wel toewijsbaar is, let de rechtbank op bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 6.000,- billijk is. Dat bedrag zal de rechtbank toewijzen. Om nog wel informatie te krijgen om aan te knopen bij de Rotterdamse Schaal is onderbouwing nodig van de aard en de omvang van het letsel van destijds, het resterende letsel en (deels ook) voor de causaliteit. Dat zou een onevenredige belasting van het strafproces betekenen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]
Om de omvang van het letsel vast te stellen en te onderbouwen heeft de benadeelde partij kosten gemaakt voor een medisch advies, en kosten voor de huisarts. Dat zijn kosten die op grond van artikel 6:96 van het burgerlijk wetboek als schade kunnen worden gevorderd. Daarnaast heeft de benadeelde partij kosten gemaakt voor epilepsiemedicatie die blijkens de nota’s niet door de ziektekostenverzekeraar worden vergoed. Ook dat is materiele schade die rechtstreeks is geleden door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 785,36,- bestaande uit:
€ 385,- epilepsiemedicatie;
€ 315,- ziekenhuis en revalidatievergoeding;
€ 13,52 reiskosten medische afspraken;
€ 71,84 huisartskosten voor het vaststellen van de schade.
De overige posten (waaronder kosten die in rekening zijn gebracht door Medithermis en Novi advocaten) voor materiële schadevergoeding zijn betwist, en de benadeelde partij heeft vooralsnog niet duidelijk kunnen maken dat het kosten zijn die in rechtstreeks causaal verband staan tot het feit en/of dat het kosten zijn ter vaststelling van de omvang van de schade. Een nadere onderbouwing van die stelling zou een onevenredige belasting betekenen voor het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren voor het meerdere dat als materiële schade is gevorderd.
Het staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij heeft dus recht op vergoeding van immateriële schade. Ter onderbouwing daarvan heeft de benadeelde partij onder meer een medisch rapport overgelegd. Daarin staat toegelicht wat de ernst en de aard is van de epilepsie die het gevolg zou zijn van de val met het achterhoofd op de stoep als gevolg van de klap door de verdachte.
De verdediging heeft de juistheid van het medisch rapport betwist en aangevoerd dat door onder meer het moment van indienen van de vordering met het rapport het niet mogelijk is om al dan niet aan met behulp van een tegenrapport een gedegen debat te voeren over de aard en de omvang van de epilepsie alsmede de mate van causaliteit. Daar is de rechtbank het mee eens. Dat betekent niet dat de vordering helemaal niet toewijsbaar is, maar wel dat de rechtbank op dit moment niet méér kan toewijzen dan wat tenminste billijk is op basis van wel vaststaat.
Vaststaat dat de benadeelde partij epilepsie heeft gekregen door het feit, (daardoor) tongletsel heeft opgelopen, en ontsierende littekens heeft op de kin en het achterhoofd.
Het zwaartepunt van de vordering betreft de epilepsie. Daarvan kan gezien de betwisting door de verdediging en de beperkingen van het strafgeding op dit moment niet méér worden vastgesteld dan dat het feit epilepsie heeft veroorzaakt. De rechtbank zal voor het op dit moment toewijsbare bedrag daarom uitgaan van de laagste categorie van de Rotterdamse schaal (een bedrag van € 7.500,-). Voor het overige genoemde letsel gaat de rechtbank uit van een deel van het bedrag dat voor die categorie letsel in de Rotterdamse schaal staat vermeld, en zoals gevorderd door de benadeelde partij (€ 10.500,-). Daar telt de rechtbank nog een opslag bij op voor de verwijtbaarheid, namelijk een misdrijf. Aldus stelt de rechtbank het op dit moment billijk en toewijsbare bedrag vast op € 20.000,-.
De benadeelde partij heeft vooral ten aanzien van de epilepsie (aanzienlijk) meer gevorderd dan in deze procedure wordt toegewezen. Een gedegen debat over de aard en omvang van dat deel van het letsel vergt nader onderzoek door deskundigen en een debat over de uitkomsten daarvan. Dat zou een te grote belasting van het strafgeding betekenen. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het deel van de vordering dat niet wordt toegewezen niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en proceskosten
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, ten aanzien van de immateriële schade telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade; en ten aanzien van de materiële schade per datum van dit vonnis, zoals hieronder in de beslissing weergegeven, omdat voor de rechtbank niet duidelijk is geworden op welke moment de materiële schadeposten zijn ingetreden. Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding deels worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt.
Op dit moment staat niet vast dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten van de benadeelde partijen daarom op nihil.
7 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen van het Wetboek van Strafrecht:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 282, 300, 302.
8 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 3 van de beschuldiging onder 16.394590.24 en het primaire en subsidiaire van de beschuldiging onder 16.305278.24 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2 van 16.394590.24 en het meer subsidiaire van 16.305278.24 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.1 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 450 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat de gevangenisstraf voor een gedeelte van 122 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte tijdens de proeftijd:
- Meldplicht bij reclassering
zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- Opname in een zorginstelling
zich laat opnemen in en behandelen door [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
zich laat behandelen door [kliniek] Forensische Zorg (ForFact) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie / stabilisatie / observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
verblijft in een begeleide- en of beschermde wooninstelling, te bepalen door de reclassering zo lang de reclassering dat nodig vindt. Het verblijf start na de opname in een zorginstelling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- Verbod verdovende middelen
geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- Alcoholverbod
geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles.
Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- Contactverbod
op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1986 In [geboorteplaats];
- Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
zich niet bevindt rondom 100 meter van de woning van [slachtoffer 1], [adres 2] [plaats];
- Dagbesteding
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- Aflossing schulden
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Toezicht
- geeft opdracht aan de reclassering (Leger des Heils Midden-Nederland) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
dadelijk uitvoerbaar
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.785,36 (twintigduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en zesendertig eurocent), bestaande uit vergoeding van € 785,36 aan materiële schade, en € 20.000,- aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
o over een bedrag van € 785,36 met ingang van 20 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen:
- ten behoeve van [slachtoffer 1] een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
- ten behoeve van [slachtoffer 2] een bedrag van € 20.785,36 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente
o over een bedrag van € 785,36 met ingang van 20 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 158 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde(n) dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van dhr. K.J.J. Oudshoorn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16.394590.24
1hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,aan [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en/of een blauw oog en/of eenwond op haar gezicht en/of de lip en/of meerdere blauwe plekken op debovenarmen en/of benen en/of een snijverwonding op het achterhoofd, heefttoegebracht door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haar hoofd en/ofhaar lichaam te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengeneen of meerdere klappen en/of stoten op haar hoofd en/of haar lichaam te geven,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland[slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haarhoofd en/of haar lichaam te geven;
2hij in of omstreeks de periode van 9 december 2024 tot en met 10 december 2024 teUtrecht, althans in Nederland,opzettelijk[slachtoffer 1]wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,door- die [slachtoffer 1] in zijn woning te houden en/of- de voordeur te barricaderen met een bank en/of- het been van die [slachtoffer 1] met tie-wraps (proberen) vast te binden aan zijn been;
3
hij op of omstreeks 26 december 2024 te Utrecht,[slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar een of meerdere klappen en/of stoten op haarhoofd en/of haar lichaam te geven;
16-305278-24
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrechtaan [slachtoffer 2]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten- een scheur in de tong en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op de kin en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op het achterhoofd en/of- een of meerdere gekneusde rib(ben) en/of- intracerebrale bloeding en/of- een of meerdere epileptische aanval(len),heeft toegebracht door die [slachtoffer 2] (met kracht) (met een bierglas, althans eenscherp voorwerp, in de hand) te slaan in het gezicht, althans op het hoofd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] (met zijn hoofd op de stoep) ten val is gekomen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 2]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- (met kracht) (met een bierglas, althans een scherp voorwerp, in de hand) heeftgeslagen in het gezicht, althans op het hoofd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 3 september 2024 teUtrecht[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht)(met een bierglas, althans een scherp voorwerp, in de hand) te slaan in het gezicht,althans op het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] (met zijn hoofd op de stoep)ten val is gekomen,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten- een scheur in de tong en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op de kin en/of- een of meerdere blijvend(e) en ontsierend(e) litteken(s) op het achterhoofd en/of- een of meerdere gekneusde rib(ben) en/of- intracerebrale bloeding en/of- een of meerdere epileptische aanval(len),ten gevolge heeft gehad.
Bijlage II
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van [slachtoffer 1][_379b2347-44bb-4263-9bca-3f94454c3b08], 16-394590-24
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 29 september 2026, inhoudende:
In de nacht van 10 december 2024 heb ik [slachtoffer 1] verschillende keren op haar hoofd en haar lichaam geslagen en gestoten. Ik heb haar been aan mijn been vastgemaakt met tiewraps.
- Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 10 december 2024
Plaats delict: [adres 3] [plaats]
Op 10 december 2024 omstreeks 24:00 uur kwam ik [verdachte] tegen. Ik hoorde dat hij tegen me zei dat ik met hem naar zijn huis moest komen. Eigenlijk wilde ik dit niet, maar ik ben toch achterop gestapt bij hem. Dit heb ik gedaan omdat ik heel bang voor hem ben. Eenmaal bij hem thuis begon hij gelijk te tieren en was hij boos over dingen uit het verleden. Ongeveer een uur later begon hij mij te slaan. Hij bedreigde met zijn vuisten en ik dook in elkaar. Ik voelde daarna meerdere stoten op mijn hoofd komen. Ik voelde er niet veel van, maar ik heb zoveel klappen op mijn hoofd gehad dat ik daardoor verdoofd was. Ik dacht dat mijn tanden eruit waren geslagen. Daarna bleef hij maar door tieren en heeft hij mij weer gedreigd te gaan slaan. Dit is ongeveer tot 10:00 uur in de ochtend door gegaan. Daarna heeft hij geprobeerd om mij op te sluiten in de douche en heeft hij geprobeerd mijn been aan zijn been vast te binden met tie-wraps. Hij had ook de voordeur gebarricadeerd met een bank.[_def0c7be-0d3c-4fab-a8d3-d5aeb91dcabd]
- Een geschrift, houdende een letselverklaring van [arts], arts ass.
Betreft: [slachtoffer 1] Datum: 10 december 2024
Bovengenoemde patiënte zag ik op 10-12-2024 op de Spoedeisende Hulp te [ziekenhuis] Utrecht.
Conclusie:Mevrouw komt nu naar aanleiding van mishandeling waarbij:
- Fractuur ramus mandibula rechts
- Wond os pariëtale rechts, goed aanliggend
- Wond bovenlip rechts
- Multipele hematomen bovenarmen en benen.
Beleid:Morgen kaakchirurg(....)Kan op dit moment veilig naar huis mee met vader
en bijlage bij de verklaring: - snijverwonding achterhoofd parietaal rechts - hematomen verspreid over armen en benen, ,m.n. ook binnenzijde dijen- snijwond bovenlip.- fors hematoom rechter wang.[_9003e23d-3e40-4e9a-a135-73b010100a7b]
Ten aanzien van [slachtoffer 2][_ccff335d-9c81-4ab5-b0fb-a70d435881e8], 16-305278-24
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 29 september 2026, inhoudende:
Op 2 september 2026 heb ik in Utrecht [slachtoffer 2] één keer in het gezicht geslagen.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 13 september 2024
Op 2 september 2024, omstreeks 23.15 uur, was ik samen met wat andere jongens op het grasveldje voor mijn huis op de [adres 4] in [plaats]. Opeens kwam er een Marokkaanse jongen aan. Anderen vertelden mij dat hij [verdachte] heet. (De rechtbank begrijpt dat het hier om [verdachte] gaat)
[verdachte] stond voor mij en uit het niets haalde hij naar mij uit. Gelijk hierna ben ik out gegaan. Ik ben toen ook met mijn achterhoofd op een stoeprand gevallen. Ik werd pas weer wakker toen de ambulance en de Politie erbij waren.Ik heb aan dit alles flinke hechtingen overgehouden aan mijn kin en achterhoofd. Ook heb ik een hersenbloeding en een epileptische aanval gehad. Ik ben nu sinds gister, 12 september 2024, weer thuis uit het ziekenhuis. Ik moet een hele boel medicijnen slikken.[_9966c25e-8bc6-42c0-b16d-4eee12dc93c6]
- Proces-verbaal van bevindingen:
Op dinsdag 24 september 2024 omstreeks 12.15 uur zijn wij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in gesprek gegaan met [slachtoffer 2]. Wij stelden hem specifiek de vraag of hij eerder, voor het incident, bekend was met epileptische aanvallen. Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen:
"Ik had nooit eerdere een epileptische aanval gehad. Na die klap die avond, ben ik
naar het ziekenhuis gegaan. Die snee in mijn kin en op mij achterhoofd zijn toen
gehecht. Daarna ben ik naar huis gelopen. De dag daarna kreeg ik die epileptische
aanval. Ik ben toen naar het ziekenhuis gegaan en toen hebben ze mij kunstmatig is
coma gehouden. Ik heb er nu nog wel wat last van hoor. Ik voel het nog in mijn hoofd maar kan niet zo goed zeggen wat het is. Na 10 dagen ben ik uit het ziekenhuis ontslagen. Binnenkort moet ik terug naar het ziekenhuis. Als de bloeding dan weg is dan mag ik stoppen met de medicatie. Ik heb ook gekneusde ribben, ik had daar nog veel last van, dat kan nog maanden duren."[_be0d2a6b-5d7a-4771-9f03-72fffd86f73f]
- Een geschrift, houdende een verslag van het Diaconessenhuis van 12 september 2024:
Patiënt: [slachtoffer 2] ( [geboortedatum] 1982)Patiënt werd op 04-09-2024 opgenomen op de Intensive Care. Op 10-09-2024 kon patiënt worden ontslagen naar de afdeling neurologie voor verder klinisch herstel.[_e403d6ea-25f2-4462-938f-43ce1fd1f23c]
- Een geschrift, houdende een NFI-rapport over letsel van [slachtoffer 2] van 8 januari 2025, van D. Botter, forensisch arts:
Ontstaan letsel Er waren 2 letsels aan het hoofd welke het gevolg waren van tenminste 2 stompe botsende geweldsinwerkingen tegen het hoofd (‘coupletsels’): één tegen het achterhoofd aan rechterzijde en één tegen de kaak (bij de kin) aan linkerzijde.
De hersenkneuzingshaard en de bloeding onder het harde hersenvlies links frontaal, kunnen qua aard en locatie goed passen bij contrecoupletsels, waarbij het weke delenletsel aan het achterhoofd als bijbehorend coupletsel geldt. Dit letselcomplex kan zeer wel verklaard worden door een val met het achterhoofd tegen een harde ondergrond.
Het weke delenletsel bij de onderkaak is niet nader te duiden dan dat deze het gevolg zal zijn geweest van stompe botsende geweldsinwerking, zoals door slaan, schoppen, vallen of (zich) stoten, etc.
Ernst letsel De hersenkneuzingshaard en de bloeding onder het harde hersenvlies, kunnen (evenals het ontwikkelde oedeem) worden gezien als ernstige hersenletsels, waarvoor opname op de afdeling Intensive Care geïndiceerd is geweest. Van deze letsels moet het zeer wel mogelijk moet worden geacht dat hiervan blijvende restschade optreedt, al dan niet in combinatie met tijdelijke/blijvende epileptische aanvallen. Gezien de korte verstreken tijd tussen het delict en de opstelling vanvoorliggende rapportage, kan daarover thans geen nadere uitspraak worden gedaan.
Hypothese Hypothese 1: De hersenbloeding is ontstaan als gevolg van de val op het achterhoofdHypothese 2: De hersenbloeding heeft een andere oorzaak.De bevindingen zijn waarschijnlijker onder hypothese 1 dan onder hypothese 2.
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024392907, digitaal doorgenummerd pagina 1 tot en met 85. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
- p. 7-8
- p. 68-70
- Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024278464, digitaal doorgenummerd pagina 1 tot en met 735. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
- p. 7
- p. 51
- p. 11
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.