Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 29 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7231Zaaknummer 16-151104-25
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 16-151104-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door de aangever te schoppen in het gezicht, waardoor de aangever een gebroken kaak heeft opgelopen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangever. Geen 38v-maatregel. De rechtbank neemt ook een beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte;
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- als bijzondere voorwaarde geldt dat de verdachte gedurende de proeftijd;
- op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met aangever [aangever], geboren op 9 januari 1991. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]
- wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.598,25, bestaande uit € 598,25 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op te behoeve van [aangever] aan de Staat €5.598,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 tot de dag van volledige betalen, bij niet betaling aan te vullen met 52 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en
mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Nieuwegein aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [aangever] te schoppen tegen het gezicht, althans het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Nieuwegein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] te schoppen tegen het gezicht, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [_1a9351f7-0d72-4293-8eac-0ea64760e8cc]
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: ter hoogte van [adres 2] in [plaats]
Pleegdatum: 16 mei 2025
Ik heb vanmiddag mijn lege blikjes ingeleverd bij de [winkel]. Daar ben ik [verdachte] tegengekomen. Ik werd door hem aangesproken. Eigenlijk ben ik die hele film kwijt nu. Er is mij verteld dat mijn kaak nu op twee plaatsen is gebroken en dat ik mishandeld ben. Mijn eerste herinnering is dat ik hier lag in het ziekenhuis.[_4b15c6c5-1c3a-49c9-a418-9db2fb8b5bb6]
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 liep ik in de [winkel] Muntplein te Nieuwegein. Ik zag dat er twee mannen binnen kwamen lopen in de [winkel]. Ik zag dat de twee mannen uiteindelijk de winkel uitliepen. Ik zag dat man 2 (de rechtbank: telkens aangever [aangever]) wegrende en dat man 1 (de rechtbank: telkens de verdachte) achter hem aanrende. Ik zag dat man 1 vervolgens man 2 bij zijn rugtas pakte en ik zag dat man 2 hierdoor op de grond viel. Ik zag dat man 1 met zijn met zijn voet tegen het gezicht van man 2 aantrapte. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervoet. Ik zag dat man 1 eenmalig trapte. Ik zag dat hij dit met behoorlijke kracht deed. Ik hoorde een krakend geluid van man 2 komen op het moment dat de voet het gezicht van hem raakte. Ik zag dat er behoorlijk wat bloed uit de mond van man 2 kwam. Ik zag dat man 2 niet meer reageerde en buitenbewustzijn was.
- het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 gingen wij, verbalisanten, naar de [winkel] Muntplein te Nieuwegein. Wij zagen dat de ambulance ter plaatse kwam. Wij hoorden dat de ambulancebroeders zeiden dat de kaak van [aangever] waarschijnlijk gebroken was en dat zij hem mee zouden nemen naar het ziekenhuis Antonius Leidsche Rijn.
- een geschrift, te weten de medische informatie over de aangever, opgesteld door de spoedeisendehulparts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uitwendig waargenomen letsel:
- Bloed in mond, kleine wond op tandenrij- Zwelling kaak links- Kleine wond wangzak links
Overige van belang zijnde informatie:- Vergeetachtigheid, was voorbij binnen 24 uur- Botbreuk kaak links[_a88a2f8c-8dc0-405a-98e5-19e0a37bcd81]
- een geschrift, te weten de brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 20 mei 2025
Conclusie: meervoudige mandibula (de rechtbank: onderkaak) fractuur.
Beleid: heden werden er in lokaal anesthesie IMF-schroeven geplaatst waarvoor maxillomandibulaire (de rechtbank: bovenkaak en onderkaak) fixatie (MMF) met strakke elastieken. 4 schroeven rechts en 2 schroeven links. MMF voor 4-6 weken, gedurende deze periode zacht dieet.[_da68f881-f319-46c4-b781-beb2518d5296]
- een geschrift, te weten een brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:[_864ac7c7-6676-472d-a370-30f931945c75]
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 11 juli 2025
Reden van komst: verwijdering IMF-schroeven.
Anamnese: last van schroeven. Hoort dat zijn spraak anders is.
Beleid: heden werden de IMF-schroeven verwijderd.
Advies: consult tandarts voor alle problematiek. Met name tand 33 lijkt mij een slechte prognose hebben.[_4606a702-f4ca-4caf-80b5-da15aec0c13c]
- een geschrift, te weten een brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:[_aa7709b7-6d84-45f2-bc24-c825e46218eb]
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 19 augustus 2025
Reden van komst: nabezwaren.
Conclusie: parodontaal vervallen tand 33 door fractuur mandibula d.d. 16 mei 2025.
Beleid: heden werd tand 33 verwijderd.[_d6e810f7-bed6-41ed-ae76-9aeff95b22d2]
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 zag ik [aangever] bij de [winkel] in Nieuwegein. Ik ervaar al lange tijd veel overlast van [aangever]. Hij heeft onder andere mijn schuurdeur vernield. Ik vroeg aan hem of hij wilde praten. Hij wilde dat niet en toen werd ik boos. Hij probeerde weg te rennen. Toen heb ik zijn rugtas vastgepakt, waarna hij op zijn kont viel. Ik heb hem een schop gegeven. In mijn beleving was die schop op zijn schouder, maar het letsel laat zien dat ik hem op zijn kaak heb geschopt. Daar ben ik het mee eens.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/151104-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] in [plaats],
hierna: de verdachte.
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie: mr. S. Zuithoff;
- de advocaat van de verdachte: mr. S. Makhloufi (hierna: de advocaat);
- de advocaat van de benadeelde partij: mr. F. Luinstra.
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair: op 16 mei 2025 in Nieuwegein opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht aan [aangever] door hem in het gezicht dan wel tegen het lichaam te schoppen;
subsidiair: op 16 mei 2025 in Nieuwegein heeft geprobeerd [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door de hiervoor genoemde handelingen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit (zware mishandeling van [aangever]) heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte integraal vrij te spreken. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (zware mishandeling) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 16 mei 2025 in de [winkel] aan het Muntplein in [geboorteplaats] aangever [aangever] heeft aangesproken. Zij liepen vervolgens de winkel uit. De verdachte liep achter de aangever aan en trok de aangever vervolgens aan een koordje van zijn rugtas naar achter. De aangever kwam hierdoor ten val. Daarna schopte de verdachte de aangever met zijn rechtervoet tegen het gezicht. Direct daarop kwam er bloed uit de mond van de aangever en raakte hij buiten bewustzijn. De aangever werd afgevoerd met een ambulance en de verdachte werd aangehouden door de politie. De aangever bleek meerdere breuken in zijn onderkaak te hebben.
Opzet
De advocaat stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van opzet op zwaar lichamelijk letsel bij de verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte werd al langere tijd lastig gevallen door de aangever. De verdachte heeft verklaard dat hij op 16 mei 2025 alleen tegen de aangever wilde zeggen dat hij moest stoppen met zijn gedrag. Het was volgens de verdachte niet zijn bedoeling om de aangever een schop te geven. De verdachte handelde op dat moment in een split second en schopte de aangever, in de beleving van de verdachte, op zijn schouder. Voor zover sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, heeft de verdachte die kans niet bewust aanvaard. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Wel oordeelt de rechtbank dat de verdachte voorwaardelijk opzet had. De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat letsel heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
De verdachte heeft een trap gegeven tegen het hoofd van de aangever, net nadat de aangever op de grond was gevallen. Uit de getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat de verdachte met kracht tegen het gezicht van de aangever schopte. De getuige hoorde daarbij een krakend geluid op het moment dat de aangever geschopt werd. De aangever raakte door de schop enige tijd buiten bewustzijn en er kwam bloed uit zijn mond. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er door deze handelwijze een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat de verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest en dat hij die kans heeft aanvaard. Het hoofd is een uitermate kwetsbaar onderdeel van het lichaam. De kans dat iemand die tegen het hoofd wordt geschopt zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De handeling van de verdachte moet naar zijn aard en uiterlijke verschijningsvorm ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien de verdachte met kracht, in het gezicht van de aangever heeft geschopt, terwijl de aangever op de grond lag. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Zwaar lichamelijk letsel
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De advocaat voert aan dat het letsel lijkt mee te vallen. Hiertoe verwijst de advocaat naar de brieven van de kaakchirurg, waaruit niet blijkt dat er sprake was van een zware botbreuk, dat de zwellingen twee maanden na het incident weg waren en dat het herstel er goed uit zag.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling. In dat kader heeft de rechtbank, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit de medische gegevens komt naar voren dat de aangever meerdere breuken in zijn onderkaak had en dat hij met spoed naar het ziekenhuis moest worden gebracht. De aangever heeft een spoedoperatie ondergaan, waarbij hij schroeven in zijn gebit geplaatst heeft gekregen die met elastieken werden vastgezet. De aangever moest enkele dagen in het ziekenhuis blijven en heeft enige tijd enkel vloeibaar of zacht voedsel kunnen eten. Op een later moment moest ook nog een tand verwijderd worden. De aangever hoort dat zijn spraak anders is geworden, blijkt uit de brief van de kaakchirurg op 11 juli 2025. Daar komt bij dat de aangever in de toelichting op de vordering benadeelde partij heeft aangegeven dat hij nog steeds niet volledig hersteld is. Mogelijk moeten er nog meer tanden verwijderd worden, hij geeft aan dat het gebied tussen de breuken gevoelloos is geworden en hij heeft moeite met kauwen. Gelet op het voorgaande staat vast dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van de mishandeling.
Conclusie
Concluderend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit, zware mishandeling van aangever [aangever].
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
primair
op 16 mei 2025 te Nieuwegein aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [aangever] te schoppen tegen het gezicht.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De officier van justitie eist dat daarnaast aan de verdachte wordt opgelegd een contact- en/of locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaar, te vervangen door 7 dagen hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, moet worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest. Daartoe wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; hij heeft een jong gezin en zijn vrouw komt uit het buitenland, waardoor het van belang is dat hij er voor zijn gezin kan zijn. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook niet passend, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte veel spijt heeft en verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ook verzoekt de advocaat daarbij het leed dat de verdachte al heeft ondervonden door het incident en het jarenlange conflict met de aangever mee te wegen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsincident, waarbij hij de aangever met kracht tegen het gezicht heeft geschopt. De aanleiding voor het incident lag volgens de verdachte in een langslepend burenconflict.
De verdachte heeft de aangever aan zijn rugtas omver getrokken. Vervolgens heeft de verdachte de aangever met kracht tegen zijn gezicht geschopt, terwijl de aangever op de grond lag. Van dit geweldsincident zijn meerdere mensen getuige geweest omdat het plaatsvond in een winkelcentrum. Eén van de omstanders hoorde zelfs een krakend geluid op het moment dat de verdachte de aangever tegen zijn gezicht schopte. Bij de omstanders moet dit gevoelens van angst en onveiligheid teweeg hebben gebracht. De aangever heeft als gevolg van het geweld zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij had een meervoudige kaakfractuur waaraan hij geopereerd moest worden. Daarbij moesten schroeven geplaatst en een tand verwijderd worden. Of de aangever volledig zal herstellen, is tot op heden nog onduidelijk. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een geweldsfeit, te weten mishandeling en een feit met een geweldscomponent, te weten diefstal met geweld, is veroordeeld. Vanwege de ouderdom van de pleegdatum van deze feiten, weegt de rechtbank dit niet in strafverzwarende zin mee.
Op de zitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat zijn partner tegenwoordig in Nederland woont en dat zij samen een dochtertje hebben. Door zijn medische situatie kan de verdachte niet meer werken, waardoor rondkomen moeilijk is. Hij krijgt hulp vanuit de gemeente.
Strafkader
Vanwege de ernst van het feit oordeelt de rechtbank dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van één of meer trappen tegen het hoofd is een gevangenisstraf van 6 maanden.
Hoewel het incident lijkt te zijn voortgekomen uit een langslepend burenconflict, waarbij de verdachte ook leed is toegedaan, is dat geen enkele rechtvaardiging voor het handelen van de verdachte op 16 mei 2025 richting de aangever. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat het incident heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in het bijzijn van meerdere omstanders. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is sinds dit incident niet meer in aanraking geweest met politie en justitie en heeft een jong gezin waar hij zorg voor draagt.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangever. De rechtbank vindt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van belang als stok achter de deur voor de verdachte om geen nieuwe strafbare feiten te plegen.
Door oplegging van het contactverbod met de aangever (in de vorm van een bijzondere voorwaarde) acht de rechtbank het gevaar dat de verdachte andermaal een feit zal plegen in relatie tot de aangever voldoende ondervangen. De rechtbank zal aan de verdachte daarom geen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht opleggen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De ten laste gelegde feiten zijn bijna anderhalf jaar geleden gepleegd en de verdachte is sindsdien niet voor soortgelijke feiten in aanraking met politie en justitie is gekomen. Het conflict met aangever is weliswaar niet opgelost, maar ook niet verder geëscaleerd. Er bestaat daarom naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een soortgelijk misdrijf pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaald persoon.
De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de door de verdediging voorgestelde straf geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank wijkt gezien het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ook af van de strafeis van de officier van justitie.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte niet opheffen. Hoewel de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en de verdachte bij dit vonnis wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, onderkent de rechtbank het belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te kunnen wachten. Het geschorste bevel blijft van kracht.
6 Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [aangever]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 8.466,96, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 966,96 voor vergoeding van materiële schade en € 7.500,00 voor vergoeding van immateriële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
- Eigen risico: € 385,00;
- Aanschaf medicatie: € 49,22;
- Aanschaf hulpmiddelen voor vloeibare voeding: € 12,03;
- Kosten gebitsreiniging: € 368,71;
- Verblijf ziekenhuis (revalidatiedaggeldvergoeding): € 152,00.
In de schriftelijke vordering tot schadevergoeding werd € 38,00 gevraagd voor post iii., maar de advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering op dit onderdeel op de zitting verminderd naar € 12,03. De rechtbank is om die reden uitgegaan van het bedrag van € 12,03.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever] geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de materiële schade alleen de post eigen risico (post i.) kan worden toegewezen. De advocaat heeft alle overige materiële posten inhoudelijk betwist en bepleit dat deze moeten worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in deze posten.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Het causaal verband is onduidelijk en er is sprake van eigen schuld aan de zijde van de aangever. De verdachte is bereid een bedrag van € 1.500,00 te vergoeden.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de posten eigen risico (post i.), aanschaf medicatie (post ii.), aanschaf hulpmiddelen vloeibare voeding (post iii.) en verblijf ziekenhuis (post v.) is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De post eigen risico is namens de verdachte niet betwist.
De aanschaf medicatie, aanschaf hulpmiddelen en verblijf in het ziekenhuis zijn namens de verdachte betwist. Kort gezegd stelt de advocaat zich op het standpunt dat ten aanzien van de medicatie de ibuprofen dubbel is opgenomen en dat er geen causaal verband bestaat tussen de caregel en het letsel. Ten aanzien van de hulpmiddelen voor een zacht dieet ontbreekt volgens de advocaat de noodzaak tot aanschaf van een staafmixer, omdat voeding ook geprakt kan worden om deze zacht te maken. Tot slot stelt de advocaat zich op het standpunt dat ten aanzien van de revalidatiedaggeldvergoeding niet is onderbouwd dat de aangever die kosten heeft gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de medicatie (pijnstilling en tandpasta) en de aanschaf van de hulpmiddelen voor een zacht dieet rechtstreeks in verband staan met het handelen van de verdachte waardoor het letsel is ontstaan. De benadeelde partij heeft ten gevolge van de gebroken kaak en de operatie pijnstilling moeten slikken, speciale tandpasta moeten gebruiken en een zacht dieet moeten volgen. Hetzelfde geldt voor de kosten van het verblijf in het ziekenhuis. Daar heeft de benadeelde partij recht op, omdat hij als gevolg van het letsel dat is toegebracht door de verdachte en de daaropvolgende noodzakelijke operatie vier dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven. Voor de gevorderde daggeldvergoeding heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding, waarin voor opname in een ziekhuis wordt uitgegaan van een vergoeding van € 38,00 per dag. Ook deze posten zijn daarmee voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst deze posten van de vordering dan ook toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de post kosten gebitsreiniging (post iv.) niet-ontvankelijk, omdat de rechtbank het rechtstreekse verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit niet kan vaststellen op basis van het dossier en het onderzoek op de zitting. Uit de brief van de kaakchirurg van 20 mei 2025 blijkt dat bij de benadeelde partij sprake was van suboptimale mondhygiëne en diverse preëxistente dentogene problemen (de rechtbank begrijpt: al bestaande gebitsproblemen). Hoewel de kaakchirurg de benadeelde partij heeft verwezen naar de mondhygiënist, kan de rechtbank op basis van de vordering van de benadeelde partij en de toelichting daarop niet vaststellen of dat was naar aanleiding van het letsel of vanwege de bestaande gebitsproblemen. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Anders dan de advocaat van de benadeelde partij vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het letsel en dan in het bijzonder het uitzicht op herstel de genoemde categorie van de Rotterdamse schaal overstijgt. Hoewel uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij tot op heden nog gevolgen ondervindt, is het uitzicht op herstel niet onderbouwd met een (recente) brief van een arts of andere medische stukken. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 16 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 5.598,25 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
7 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte;
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- als bijzondere voorwaarde geldt dat de verdachte gedurende de proeftijd;
- op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met aangever [aangever], geboren op 9 januari 1991. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]
- wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.598,25, bestaande uit € 598,25 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op te behoeve van [aangever] aan de Staat €5.598,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 tot de dag van volledige betalen, bij niet betaling aan te vullen met 52 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en
mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Nieuwegein aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [aangever] te schoppen tegen het gezicht, althans het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Nieuwegein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] te schoppen tegen het gezicht, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [_1a9351f7-0d72-4293-8eac-0ea64760e8cc]
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: ter hoogte van [adres 2] in [plaats]
Pleegdatum: 16 mei 2025
Ik heb vanmiddag mijn lege blikjes ingeleverd bij de [winkel]. Daar ben ik [verdachte] tegengekomen. Ik werd door hem aangesproken. Eigenlijk ben ik die hele film kwijt nu. Er is mij verteld dat mijn kaak nu op twee plaatsen is gebroken en dat ik mishandeld ben. Mijn eerste herinnering is dat ik hier lag in het ziekenhuis.[_4b15c6c5-1c3a-49c9-a418-9db2fb8b5bb6]
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 liep ik in de [winkel] Muntplein te Nieuwegein. Ik zag dat er twee mannen binnen kwamen lopen in de [winkel]. Ik zag dat de twee mannen uiteindelijk de winkel uitliepen. Ik zag dat man 2 (de rechtbank: telkens aangever [aangever]) wegrende en dat man 1 (de rechtbank: telkens de verdachte) achter hem aanrende. Ik zag dat man 1 vervolgens man 2 bij zijn rugtas pakte en ik zag dat man 2 hierdoor op de grond viel. Ik zag dat man 1 met zijn met zijn voet tegen het gezicht van man 2 aantrapte. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervoet. Ik zag dat man 1 eenmalig trapte. Ik zag dat hij dit met behoorlijke kracht deed. Ik hoorde een krakend geluid van man 2 komen op het moment dat de voet het gezicht van hem raakte. Ik zag dat er behoorlijk wat bloed uit de mond van man 2 kwam. Ik zag dat man 2 niet meer reageerde en buitenbewustzijn was.
- het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 gingen wij, verbalisanten, naar de [winkel] Muntplein te Nieuwegein. Wij zagen dat de ambulance ter plaatse kwam. Wij hoorden dat de ambulancebroeders zeiden dat de kaak van [aangever] waarschijnlijk gebroken was en dat zij hem mee zouden nemen naar het ziekenhuis Antonius Leidsche Rijn.
- een geschrift, te weten de medische informatie over de aangever, opgesteld door de spoedeisendehulparts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uitwendig waargenomen letsel:
- Bloed in mond, kleine wond op tandenrij- Zwelling kaak links- Kleine wond wangzak links
Overige van belang zijnde informatie:- Vergeetachtigheid, was voorbij binnen 24 uur- Botbreuk kaak links[_a88a2f8c-8dc0-405a-98e5-19e0a37bcd81]
- een geschrift, te weten de brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 20 mei 2025
Conclusie: meervoudige mandibula (de rechtbank: onderkaak) fractuur.
Beleid: heden werden er in lokaal anesthesie IMF-schroeven geplaatst waarvoor maxillomandibulaire (de rechtbank: bovenkaak en onderkaak) fixatie (MMF) met strakke elastieken. 4 schroeven rechts en 2 schroeven links. MMF voor 4-6 weken, gedurende deze periode zacht dieet.[_da68f881-f319-46c4-b781-beb2518d5296]
- een geschrift, te weten een brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:[_864ac7c7-6676-472d-a370-30f931945c75]
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 11 juli 2025
Reden van komst: verwijdering IMF-schroeven.
Anamnese: last van schroeven. Hoort dat zijn spraak anders is.
Beleid: heden werden de IMF-schroeven verwijderd.
Advies: consult tandarts voor alle problematiek. Met name tand 33 lijkt mij een slechte prognose hebben.[_4606a702-f4ca-4caf-80b5-da15aec0c13c]
- een geschrift, te weten een brief van de kaakchirurg, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:[_aa7709b7-6d84-45f2-bc24-c825e46218eb]
Betreft: de heer [aangever].
Datum: 19 augustus 2025
Reden van komst: nabezwaren.
Conclusie: parodontaal vervallen tand 33 door fractuur mandibula d.d. 16 mei 2025.
Beleid: heden werd tand 33 verwijderd.[_d6e810f7-bed6-41ed-ae76-9aeff95b22d2]
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 zag ik [aangever] bij de [winkel] in Nieuwegein. Ik ervaar al lange tijd veel overlast van [aangever]. Hij heeft onder andere mijn schuurdeur vernield. Ik vroeg aan hem of hij wilde praten. Hij wilde dat niet en toen werd ik boos. Hij probeerde weg te rennen. Toen heb ik zijn rugtas vastgepakt, waarna hij op zijn kont viel. Ik heb hem een schop gegeven. In mijn beleving was die schop op zijn schouder, maar het letsel laat zien dat ik hem op zijn kaak heb geschopt. Daar ben ik het mee eens.
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025160883, pagina’s 1 tot en met 54. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
- Pagina 6.
- Pagina 16.
- Pagina 12.
- Hier wordt verwezen naar de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever], gevoegde bijlage ‘productie 7’.
- Pagina 39.
- Hier wordt verwezen naar de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever], gevoegde bijlage ‘productie 7’.
- Pagina 40.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 38v Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 302 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 344 Sv meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.