Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7051Zaaknummer 12018908 \ MC EXPL 25-6900 AW/1583
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12018908 \ MC EXPL 25-6900 AW/1583
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almere
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Uitbetaling vakantie uren
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Kiekeboe om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.592,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Kiekeboe om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 579,37 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Kiekeboe in de proceskosten van € 1.276,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kiekeboe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Kiekeboe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12018908 \ MC EXPL 25-6900 AW/1583
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. B.M. Jurgens, werkzaam bij FNV,
tegen
KINDEROPVANG KIEKEBOE B.V.,
gevestigd te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kiekeboe,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte van [eiseres] - de akte van Kiekeboe.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[eiseres] is op 10 april 2018 in dienst getreden bij Kiekeboe. Vanaf 20 mei 2022 is [eiseres] onafgebroken ziek. Met ingang van 25 maart 2025 is de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst geëindigd. In de vaststellingsovereenkomst is een voorbehoud gemaakt op het finaal kwijtingsbeding voor wat betreft de afrekening van de niet genoten vakantiedagen. [eiseres] maakt aanspraak op 228,40 niet uitbetaalde vakantieuren ter waarde van € 4.543,70. Kiekeboe is het hier niet mee eens. Volgens Kiekeboe heeft zij bij einde van het dienstverband te veel aan vakantieuren uitbetaald. De kantonrechter geeft [eiseres] deels gelijk.
3. De beoordeling
Vordering met betrekking tot vakantieuren
Het gaat tussen partijen om de vraag of en zo ja hoeveel vakantieuren [eiseres] nog te goed heeft.
Volgens [eiseres] bouwt zij 102 uur wettelijke verlof en 46,75 uur bovenwettelijk verlof op per jaar, dat is 148,75 in totaal. In 2024 heeft zij naar rato 29,75 wettelijke verlofuren opgebouwd en 13,63 uur bovenwettelijke. In totaal heeft zij over de periode 2019 – 2024 recht op 539,75 wettelijke verlofuren en 247,38 bovenwettelijke uren, totaal 787,13. Zij heeft in die periode 330,50 uur opgenomen zodat resteert 456,63. [eiseres] gaat vervolgens uit van 434,38 uur. Kiekeboe heeft aan uren uitbetaald 93,39 + 112,59 = 205,98 uur. Volgens [eiseres] heeft zij nog recht op 434,38 - 205,98= 228,40 uur. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden volstaan met een enkel verwijzing naar een systeem waarin [eiseres] zelf kan nagaan welke vakantieaanspraken er zijn en wanneer deze aanspraken vervallen, aldus [eiseres]. Een werkgever dient aan te tonen dat zij ervoor gezorgd heeft dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om de vakantiedagen tijdig op te nemen en tijdig de werknemer over het verval van de vakantiedagen heeft geïnformeerd. [eiseres] is vanaf begin 2022 onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Er was geen sprake van reintegratieverplichtingen en [eiseres] is niet tijdig gewezen op het vervallen van de wettelijke vakantiedagen.
Kiekeboe is het hier niet mee eens. Volgens Kiekeboe had [eiseres] bij einde dienstverband recht op 210,7 dan wel 270,20 uur. Kiekeboe heeft echter in totaal al 298,10 uur uitbetaald. Daarmee heeft Kiekeboe meer voldaan dan waartoe zij gehouden was.
Kiekeboe heeft een digitaal systeem waar een werknemer toegang toe heeft. Het overzicht in het digitale systeem is het uitgangspunt en dient als een correcte weergave van het verlofsaldo te worden aangemerkt. In het systeem staat aangegeven voor welke datum verlof uiterlijk moet worden opgenomen, bij gebreke waarvan het komt te vervallen. [eiseres] heeft haar verlofaanspraken verwerkt doordat zij niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking van de verlofaanvragen en het saldo zoals dat zichtbaar was in het digitale account.
Is er sprake van een resterend verloftegoed?
Omdat er in de vaststellingsovereenkomst een voorbehoud is gemaakt op het finaal kwijtingsbeding voor het resterende verloftegoed en [eiseres] daar ook niet op een andere manier afstand van heeft gedaan, moet worden beoordeeld of er nog sprake is van niet-genoten vakantiedagen die nog door Kiekeboe aan [eiseres] moeten worden uitbetaald.
Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en bewijslast van het tegoed aan vakantiedagen (als bedoeld in artikel 7:641 lid 1 BW) op de werknemer rusten, maar dat de werkgever bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed, zijn betwisting in beginsel zal moeten motiveren aan de hand van de uit de administratie blijkende gegevens die door de werkgever in het geding moeten worden gebracht (Hoge Raad 12 september 2003, JAR 2003/243 ( [achternaam] / [onderneming] BV).
[eiseres] heeft in de dagvaarding voldoende gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat niet het volledige verloftegoed is uitbetaald. Daarbij heeft zij de voorafgaand aan deze procedure door partijen gevoerde correspondentie in het geding gebracht. Kiekeboe is pas in deze procedure bij dupliek inhoudelijk ingegaan op de stellingen van [eiseres]. De gegevens van [eiseres] en Kiekeboe zullen als uitgangpunt worden genomen bij de vraag of er sprake is van een resterend verloftegoed en, zo ja, hoe hoog dat tegoed is.
- [eiseres] heeft per jaar recht op 102 wettelijke vakantieuren en 46,75 bovenwettelijke uren
Partijen twisten allereerst over het aantal vakantieuren waar [eiseres] jaarlijks recht op heeft. Volgens [eiseres] heeft zij bij een fulltime dienstverband recht op 144 uur wettelijke vakantieuren en 66 bovenwettelijke vakantieuren. Zij heeft een parttime dienstverband van 25,5 uur. Dat maakt dat zij recht heeft op 102 wettelijke en 46,75 bovenwettelijke vakantieuren, derhalve 148,75 in totaal. Volgens Kiekeboe heeft [eiseres] recht op 102 wettelijke en 46,45 bovenwettelijke vakantieuren. Kiekeboe heeft niet betwist dat er bij een fulltime dienstverband sprake is van 66 bovenwettelijke vakantieuren. Dit blijkt ook uit het door haar eerdere gemachtigde opgestelde verlofoverzicht (productie 7 bij dagvaarding). Over 2020 gaat Kiekeboe ook uit van 148,75 vakantieuren. Vanaf 2021 gaat zij uit van 148,45 vakantieuren. Kiekeboe heeft niet uiteengezet waar dat verschil uit bestaat, zodat de kantonrechter uit gaat van 148,75 vakantieuren (102 wettelijke en 46,75 bovenwettelijk).
- geen verplichte vakantie tijdens bedrijfssluiting rond de kersperiode
Kiekeboe heeft meerdere jaren uren afgeschreven tijdens haar bedrijfssluiting rond de kerstdagen. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij meerdere keren heeft aangegeven dat zij hiermee niet akkoord ging (zie productie 11 akte uitlating producties). Zonder haar toestemming zijn uren van haar bovenwettelijke verlofuren afgehaald. Kiekeboe gaat hier in zijn geheel niet op in. Zij stelt geen feiten of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat zij met [eiseres] overleg heeft gepleegd over het opnemen van vakantie, dat is afgesproken dat dit als een verplichte vakantie gold, noch dat zij hiertoe kon overgaan op grond van de arbeidsovereenkomst, een geldende CAO of anderszins. Een bedrijfssluiting betekent niet zonder meer dat [eiseres] voor die vrije dagen verlof moet opnemen. Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat niet met instemming van [eiseres] verlof is afgeschreven in de kerstperiode. Dit is ten onrechte gebeurd.
Aan de hand van het vorenstaande zal per jaar afzonderlijk verder op het verlofsaldo worden ingegaan.
- het verlofsaldo over 2019
Bij conclusie van antwoord stelt Kiekeboe dat er sprake is van een wisselende aantal uren in de eerste jaren van het arbeidscontract. Uit de stukken van Kiekeboe lijkt Kiekeboe aan te geven dat [eiseres] over 2019 minder contracturen heeft gewerkt. Kiekeboe vermeldt per 1 maart 2019 24 uur en per 1 juni 2020 25,5 uur en komt uit op een totaal van 119,57 uur over het jaar 2019. Kiekeboe heeft echter nagelaten dit te onderbouwen. Het is verder ook niet aan de kantonrechter om dit maar uit de stukken van Kiekeboe te concluderen, zodat de kantonrechter ook voor het jaar 2019 uitgaat van een totaal aantal vakantieuren van 148,75.
[eiseres] stelt bij dagvaarding dat zij in 2019 76,5 uren heeft opgenomen, zodat resteert 72,25 uur. Uit de nadere akte blijkt dat [eiseres] 102 uren heeft opgenomen, te weten van 4-3 tot 8-3 17 uur, op 15-3 8,5 uur, van 27-9 tot 14-10 59,5 uur en op 10 en 13-12 17 uur.
Volgens Kiekeboe heeft [eiseres] in 2019 102,75 verlofuren genoten, te weten op 1-4 6 uur, op
4-6 2,25 uur, op 17-6 1 uur, van 26-9 tot 14-10 76,5 uur en tijdens de kerstsluiting 17 uur.
Wat hier verder ook van zij, partijen verschillen van mening over 0,75 uur. Kiekeboe heeft over de kerstsluiting in ieder geval ten onrechte vakantieuren in mindering gebracht. Hiermee rekening houdend zou [eiseres] minder uren opgenomen hebben dan [eiseres] zelf stelt. Kiekeboe is daarnaast niet meer inhoudelijk ingegaan op de nadere akte van [eiseres] zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het aantal verlofuren zoals aangegeven door [eiseres], derhalve dat in 2019 102 uren zijn opgenomen. Dat betekent dat [eiseres] over 2019 nog een tegoed had van 148,75 – 102 = 46,75 uur.
- het verlofsaldo over 2020
Kiekeboe gaat er vanuit dat [eiseres] in 2020 230 uur heeft opgenomen. Te weten: op 28-1 0,5 uur, van 15-3 tot 23-3 34 uur, van 7-8 tot 24-8 68 uur, van 5-10 tot 12-10 25,5 uur, van 12-10 tot 19-10 25,5 uur, van 19-10 tot 23-10 25,5 uur van 11-12 tot 18-12 34 uur en tijdens de kerstsluiting 17 uur.
Volgens [eiseres] heeft zij alleen op 16, 17 en 20 maart verlofuren opgenomen voor 25,5 uur. Verder heeft zij in de periode 7-8 tot 24-8 51 uur opgenomen. Zij had vakantie tot en met
24-8 maar op 24-8 was zij toch ingeroosterd. De drie periodes in oktober kloppen. Volgens [eiseres] heeft zij 153 uur opgenomen.
[eiseres] erkent dat zij op 28 januari 2020 een half uur later is begonnen. Dat dit op een andere wijze is verrekend is niet gebleken. Kiekeboe heeft niet meer betwist dat [eiseres] in maart 25,5 uur heeft opgenomen in plaats van 34 uur en dat zij in augustus 51 uur heeft opgenomen in plaats van 68 uur. Kiekeboe heeft gepersisteerd bij haar eerdere standpunt, maar dat is onvoldoende. De kantonrechter constateert verder dat de verlofaanvraag van 12-12 tot 18-12 wel in het eerdere overzicht van [eiseres] staat vermeld. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van dat verlof. Met betrekking tot de kerstsluiting is hiervoor al geoordeeld. Vorenstaande betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat Kiekeboe in 2020 aan verlof heeft opgenomen 153 + 0,5 + 34 = 187,50 uur. [eiseres] had recht op 148,75, zodat zij over 2020 38,75 uur te veel heeft opgenomen.
- het verlofsaldo over 2021
Kiekeboe gaat er vanuit dat [eiseres] in 2021 145,85 uur heeft opgenomen. Te weten: op 15-3 en 16-3 17 uur, van 16-8 tot 30-8 59,50 uur, van 18-10 tot 25-10 34 uur, van 13-12 tot 17-12 25,5 uur en tijdens de kerstsluiting 17 uur. Daarnaast heeft [eiseres] 7,15 uur tegoed voor een vergadering.
Volgens [eiseres] heeft zij op 15 maart 8,5 uur opgenomen, van 16-8 tot 30-8 59,5 uur, van 18-10 tot 25-10 25,5 uur en van 13-12 tot 17-12 25,5 uur.
Het verschil is erin gelegen dat [eiseres] stelt in maart en oktober 1 dag minder te hebben opgenomen dan waar Kiekeboe vanuit gaat. Met betrekking tot de dag in maart heeft Kiekeboe niet meer inhoudelijk gereageerd zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van hetgeen [eiseres] heeft gesteld. Met betrekking tot de dag in oktober blijkt uit het overzicht bij dagvaarding van [eiseres] dat zij er daar zelf ook vanuit gaat dat ze in de periode 18-10 tot en met 25-10 34 uur heeft opgenomen. Dit komt overeen met de stelling van Kiekeboe. [eiseres] komt bij dagvaarding ook uit op 126,5 aan opgenomen uren en niet de 119 waar zij bij haar latere akte op uitkomt. [eiseres] heeft het verschil niet uiteengezet. Dit had wel van [eiseres] verwacht mogen worden, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat zij in die periode 34 uur heeft opgenomen. Met betrekking tot de kerstsluiting is hiervoor al geoordeeld.
Uit de mail van 20 september 2024 moet worden opgemaakt dat [eiseres] heeft besloten om de vergaderuren niet door te zetten (productie 4 bij dagvaarding). Zij houdt hier in haar vordering ook geen rekening mee, zodat de kantonrechter dit ook niet mee zal nemen.
Vorenstaande betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat [eiseres] in 2020 aan verlof heeft opgenomen 8,5 + 59,5 + 34 + 25,5 = 127,50. [eiseres] had recht op 148,75, zodat zij over 2021 nog 21,25 tegoed heeft.
- het verlofsaldo over 2022
In 2022 is [eiseres] ziek geworden. Volgens [eiseres] heeft zij toen geen verlof opgenomen.
Volgens Kiekeboe heeft [eiseres] vakantie aangevraagd. Zij wil bewijs zien dat [eiseres] niet met vakantie is geweest. Zonder door [eiseres] geleverd bewijs erkent Kiekeboe 89 uren en met bewijs 148,5 uren.
De hoofdregel is dat dagen waarop de werknemer tijdens de vastgestelde vakantie ziek is, niet als vakantie gelden, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt (artikel 7:638 lid 8 BW). Dit geldt ook als de vakantie al is aangevraagd voordat [eiseres] ziek werd. [eiseres] moest dus uitdrukkelijk en gericht instemmen met het afboeken van de vakantiedagen (zie het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1603). Van instemming van [eiseres] is niet gebleken. Kiekeboe mag daarom niet 59,50 ten laste van het verlofsaldo van [eiseres] brengen. Aan de door Kiekeboe gewenste bewijslevering wordt niet toegekomen. Dit betekent dat [eiseres] voor 2022 nog recht had op 148,75 uur.
Voor zover Kiekeboe meent dat de vakantieuren zijn komen te vervallen geldt het volgende. [eiseres] is vanaf 20 mei 2022 volledig uitgevallen waardoor zij redelijkerwijs niet in staat was vakantiedagen op te nemen. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat er geen reintegratieverplichting was. Van verval van de wettelijke vakantie-uren zes maanden na het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan is dan geen sprake. Of [eiseres] al dan niet of in onvoldoende mate is gewezen op de consequenties van het niet opnemen van deze vakantiedagen, doet in dit geval niet ter zake.
- het verlofsaldo over 2023
In 2023 is geen verlof opgenomen, zodat resteert 148,75 uur.
- het verlofsaldo over 2024
Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] over 2024 recht heeft op 43,38 uur en dat hier niks van is opgenomen. Voor 2024 had [eiseres] dan ook nog recht op 43,38 uur.
- tussenconclusie
In totaal heeft [eiseres] niet opgenomen: 46,75 (2019) - 38,75 (2020) + 21,25 (2021) + 148,75 (2022) + 148,75 (2023) + 43,38 (2024) = 370,13 uur.
- reeds uitbetaalde uren
Volgens [eiseres] is hiervan al uitbetaald 93,39 uur en 112,59 uur, derhalve 205,98 uur.
Kiekeboe gaat uit van 298,10 uitbetaalde uren. Kiekeboe legt daarvan echter geen bewijs over, zodat uitgegaan moet worden van 205,98 uitbetaalde uren.
- eindconclusie
[eiseres] had aan vakantieuren tegoed 370,13 uur. Uitbetaald is 205,98 uur, zodat resteert 164,15 uur. Het uurtarief van [eiseres] is € 18,42. Ook is Kiekeboe, anders dan zij zelf meent, vakantiegeld over de niet genoten vakantieuren verschuldigd. De uitbetaling van vakantiedagen heeft immers als loon te gelden. Dit maakt dat een bedrag van € 3.265,53 toewijsbaar is, te weten 164,15 (vakantieuren) x 18,42 (uurloon) x 1,08 (8% vakantiebijslag).
De wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
De gevorderde wettelijke verhoging op grond van artikel 7:624 BW zal ook worden toegewezen, omdat Kiekeboe de uitkering van vakantieuren in geld te laat betaalt. De kantonrechter ziet echter aanleiding deze te matigen tot 10%. Een bedrag van € 326,55 is daarom toewijsbaar.
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiseres] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiseres] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Volgens het wettelijke tarief kan het gevorderde bedrag van € 579,37 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen. Omdat [eiseres] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Kiekeboe moet de proceskosten betalen
Kiekeboe is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 147,47 | |
| - griffierecht | € | 265,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 720,00 | (2 punten × € 360,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.276,47 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Kiekeboe om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.592,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Kiekeboe om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 579,37 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Kiekeboe in de proceskosten van € 1.276,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kiekeboe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Kiekeboe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.