Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 9 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6330Zaaknummer UTR 25/7215
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Publicatiedatum
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/7215
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
LEMG - betrouwbaarheid PV - geen tegenbewijs geleverd - beroep ongegrond
uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7215
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid (CBR)
(gemachtigde: mr. I. Metaal).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een lichte educatieve maatregel gedrag (LEMG) die het CBR heeft opgelegd aan eiser wegens een eenmalige snelheidsovertreding van 53 km/u. Eiser is het niet eens met de LEMG. Hij voert daartoe aan dat het om meerdere redenen twijfelachtig is of de snelheidsmeting accuraat is en of wel de juiste auto staande is gehouden. Daarnaast voert eiser aan dat het CBR nader onderzoek had moeten doen naar de bezwaargronden van eiser, en dit had moeten toelichten in het bestreden besluit. Tot slot voert eiser aan dat het CBR ten onrechte geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht een LEMG heeft opgelegd aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 18 september 2025 heeft het CBR een LEMG opgelegd aan eiser. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de oplegging van de LEMG gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser is op 1 september 2025 bij de snelweg A1 staande gehouden door de politie wegens overtreding van de toegestane snelheid met 53 km/u. Volgens de verbalisant reed eiser na correctie namelijk 153 km/u waar 100 km/u is toegestaan. De snelheid is gemeten met behulp van een lasersnelheidsmeter. De politie heeft op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 aan het CBR schriftelijk mededeling gedaan van de snelheidsovertreding. Het CBR heeft op grond van het proces-verbaal van de politie een LEMG opgelegd aan eiser.
Toetsingskader
4. Het CBR is wettelijk verplicht om een LEMG op te leggen wanneer uit een schriftelijke mededeling van de politie blijkt dat een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 tot en met 59 kilometer per uur.[_9ce7e1f7-a15c-40e5-a85a-449eb6d59037] Dat betekent dat het CBR geen beslisruimte heeft om in een individueel geval wel of niet een LEMG op te leggen. De rechtbank moet daarom beoordelen of het CBR terecht een LEMG heeft opgelegd aan eiser.
Mocht het CBR aannemen dat eiser meer dan 50 km/u te hard heeft gereden?
5. Eiser voert een grote hoeveelheid redenen aan waarom de snelheidsmeting met de lasersnelheidsmeter mogelijk niet klopt, en waarom mogelijk de verkeerde auto staande zou zijn gehouden. Zo voert eiser onder meer aan dat de nauwkeurigheid van de snelheidsmeting wordt beïnvloed door de hoek van de meting, de meetafstand, trillingen en de rijstrook waarover eiser reed. Zonder inzage in die gegevens valt niet vast te stellen of de meting accuraat is. Verder voert eiser aan dat de luchtvochtigheid, luchtdruk en temperatuur mogelijk invloed kunnen hebben gehad op de snelheidsmeting. Eiser voert tot slot aan dat hij in een Tesla rijdt, en dat Tesla’s zeer uniform zijn in uiterlijk. Doordat deze auto’s zo op elkaar lijken is het volgens eiser erg moeilijk om exact het juiste voertuig te onderscheiden. Om die reden kan zonder onomstotelijk bewijs niet met zekerheid worden vastgesteld dat de auto van eiser te hard reed.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het proces-verbaal van de politie staat dat de snelheidsmeting met een geijkte lasersnelheidsmeter op de correcte wijze is uitgevoerd. De gemeten auto betrof de auto van eiser, onder vermelding van het type auto en het kenteken. Op grond van vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.[_94343ff3-80e8-4530-80b2-50ece4408238] Dat betekent dat het aan eiser is om tegenbewijs te leveren waaruit gerede twijfel kan ontstaan over de juistheid van het proces-verbaal. Eiser heeft dit niet gedaan. Eiser heeft wel allerlei verschillende mogelijke scenario’s beschreven waarin er mogelijk fouten zouden zijn gemaakt bij de meting of bij de identificatie van het juiste voertuig, maar deze scenario’s heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser zelf heeft verklaard dat hij inderdaad te hard heeft gereden. Dit staat namelijk in het klaagschrift van eiser over de invordering van zijn rijbewijs. De rechtbank is dus van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal, en dat het CBR dus mocht concluderen dat eiser meer dan 50 km/u te hard heeft gereden.
Heeft het CBR bij de totstandkoming van het bestreden besluit in strijd gehandeld met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel?
6. Eiser voert aan dat het CBR ten onrechte niet is ingegaan op meerdere concrete bezwaargronden en ingebrachte stukken. Daarnaast heeft het CBR de inbreng van eiser in de hoorzitting volledig buiten beschouwing gelaten. Eiser heeft in bezwaar bijvoorbeeld gewezen op administratieve tegenstrijdigheden in het proces-verbaal, technische en feitelijke factoren van invloed aangevoerd en aanvullende stukken zoals meldkamernotities opgevraagd. Door hier geen nader onderzoek naar te doen heeft het CBR volgens eiser in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot voert eiser aan dat er ten onrechte geen belangenafweging is opgenomen in het bestreden besluit.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 7:11, eerste lid, en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet in bezwaar een deugdelijk gemotiveerde, volledige heroverweging plaatsvinden van het primaire besluit. De heroverweging vindt plaats aan de hand van de bezwaargronden van eiser. Op grond van vaste rechtspraak is voor een voldoende motivering niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.[_a16e5821-be6d-4347-9f42-74ccd35c3f7c]
De rechtbank is van oordeel dat het CBR de oplegging van de LEMG aan eiser aan de hand van de bezwaargronden van eiser gemotiveerd heeft heroverwogen. Zo heeft het CBR uitgebreid gemotiveerd waarom zij geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de snelheidsmeting en de identificatie van het voertuig. Daarbij heeft het CBR de bezwaren van eiser samengevat en gemotiveerd weerlegd. Het feit dat het CBR niet expliciet alle door eiser ingebrachte stukken en bezwaren heeft benoemd in het bestreden besluit maakt niet dat daarmee sprake is van een motiveringsgebrek. Verder blijkt uit het hoorverslag dat eiser tijdens de hoorzitting vooral heeft benadrukt dat er tegenstrijdigheden in het proces-verbaal staan. Het CBR is in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd ingegaan op dit punt. De rechtbank is dus van oordeel dat het bestreden besluit op deze punten voldoende is gemotiveerd.
De rechtbank is verder van oordeel dat uit de heroverwegingsplicht niet volgt dat het CBR alle door eiser opgevraagde stukken moest achterhalen en onderzoeken. Voldoende is dat het CBR opnieuw onderzoekt of zij op grond van de informatie in het proces-verbaal van de politie een LEMG moest opleggen. Het CBR zou alleen nader onderzoek moeten doen als eiser concreet tegenbewijs had geleverd die de juistheid van het proces-verbaal in twijfel trekt. Dit heeft eiser niet gedaan. De rechtbank is dus van oordeel dat op dit punt geen sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek.
De rechtbank overweegt tot slot dat dat het bestuursorgaan op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb alleen over moet gaan tot een belangenafweging als er sprake is van beleidsruimte.[_e1fa9319-72c5-4add-a93e-5528fa88f20e] Zoals de rechtbank heeft overwogen in overweging 4 doet die situatie zich in dit geval niet voor. De rechtbank is dus van oordeel dat ook op dit punt geen sprake is van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de LEMG moet volgen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.