Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4136Zaaknummer C/16/576311 / HL ZA 24-150
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Publicatiedatum
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- C/16/576311 / HL ZA 24-150
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiser heeft de rechtbank verzocht om verbetering van het op 18 maart 2026 in deze zaak gewezen vonnis. Omdat van een kennelijke fout in het vonnis van 18 maart 2026 geen sprake is, wordt dat verzoek afgewezen
De rechtbank
wijst het verzoek om verbetering van het op 18 maart 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
5932
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/576311 / HL ZA 24-150
Verbetervonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1], 2. [eiseres sub 2],
beide wonend in [woonplaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. R.A. van Rooijen,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: VvE [gedaagde],
advocaat: mr. J.I. Jansen.
1 Het verzoek tot verbetering
Op 3 juni 2026 heeft mr. R.A. van Rooijen namens [eiser sub 1] c.s. de rechtbank verzocht om verbetering van het op 18 maart 2026 in deze zaak gewezen vonnis. Zij verzoekt in het vonnis een termijn op te nemen waarbinnen zij het door VvE [gedaagde] gedane aanbod van € 10.000,00 voor de schadeloosstelling kan aanvaarden, zodat het vonnis bij aanvaarding van dat aanbod op dit punt kan worden geëxecuteerd.
Op 10 juni 2026 heeft mr. J.I. Jansen namens VvE [gedaagde] aan de rechtbank laten weten tegen toewijzing van dat verzoek het volgende bezwaar te hebben. Volgens VvE [gedaagde] is geen sprake van een kennelijke schrijffout, rekenfout of evidente omissie die zich leent voor herstel op de verzochte wijze.
2 De beoordeling
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
In het vonnis van 18 maart 2026 is geen sprake is van een kennelijke fout. De bij dagvaarding ingestelde vordering [eiser sub 1] c.s. betreft de vernietiging van het besluit van VvE [gedaagde] tot wijziging van de splitsingsakte van 27 februari 2024 op grond van artikel 5:140b lid 1 BW. De rechtbank heeft in het vonnis van 18 maart 2026 beslist dat de vordering van [eiser sub 1] c.s. wordt afgewezen omdat VvE [gedaagde], aan [eiser sub 1] c.s. een redelijke schadeloosstelling heeft aangeboden als bedoeld in artikel 5:140b lid 3 BW van € 10.000.
De rechtbank hecht eraan te benoemen dat zij VvE [gedaagde] in deze procedure in de gelegenheid heeft gesteld een redelijk aanbod als bedoeld in artikel 5:140b lid 3 BW te doen nadat de rechtbank het bedrag daarvan had vastgesteld op € 10.000. De rechtbank kon de vordering van [eiser sub 1] c.s. niet eerder afwijzen dan nadat VvE [gedaagde] in rechte bevestigd had bereid te zijn dat aanbod te doen. Die bevestiging heeft VvE [gedaagde] in haar akte van 23 januari 2026 gegeven.
Het spreekt voor zich dat de rechtbank er bij de beslissing van 18 maart 2026 vanuit is gegaan dat VvE [gedaagde] daarna daadwerkelijk het bedrag van € 10.000 aan [eiser sub 1] c.s. zou betalen. De rechtbank heeft vertrouwd en moet ook kunnen vertrouwen op de bereidheid die VvE [gedaagde] in rechte heeft bevestigd.
De stelling van VvE [gedaagde] dat zij niet meer aan die bereidheid gebonden is omdat [eiser sub 1] c.s. er in zijn akte van 11 februari 2026 van zou hebben blijk gegeven dat aanbod niet te hebben aanvaard, is niet alleen onjuist, maar daarmee getuigt zij er ook van dat zij niet (meer) bereid was de redelijke schadeloosstelling aan [eiser sub 1] c.s. te voldoen. Indien de rechtbank zou hebben geweten dat VvE [gedaagde] zich buiten rechte op het (onjuiste) standpunt zou gaan stellen dat haar akte van 23 januari 2026 als een aanbod aan [eiser sub 1] c.s. geldt en dat dat aanbod is vervallen omdat [eiser sub 1] c.s. met zijn akte dat aanbod niet zou hebben aanvaard, dan zou de rechtbank geoordeeld hebben dat van een daadwerkelijke bereidheid van de VvE [gedaagde] geen sprake is, en de vernietiging van het bestreden besluit zijn uitgesproken.
Het is om deze reden dat de rechtbank geen enkel begrip kan opbrengen voor de houding van VvE [gedaagde]. Mede met het oog op de moeite die de rechtbank zich heeft getroost om een voor alle partijen redelijk resultaat te bereiken ter finale beslechting van hun geschil, betreurt zij de wending die de afwikkeling van de zaak heeft genomen.
Omdat van een kennelijke fout in het vonnis van 18 maart 2026 geen sprake is, dient het verzoek tot aanvulling / verbetering afgewezen te worden. Maar dit laat onverlet dat VvE [gedaagde] op eerste verzoek van [eiser sub 1] c.s. de redelijke schadeloosstelling aan [eiser sub 1] c.s. moet voldoen.
3 De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek om verbetering van het op 18 maart 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
5932
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4007 http://psi.rechtspraak.nl/Inachtneminghersteluitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4007 Rechtbank Midden-Nederland, 18 maart 2026 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.