Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Limburg, 19 oktober 2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:11431Zaaknummer ROE 25/1154

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ROE 25/1154
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Roermond
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen de afwijzing om urgentie toe te kennen voor een sociale huurwoning. De rechtbank stelt vast dat er in Maastricht (waar eiser urgentie wenst) geen bestuursrechtelijke urgentieregeling geldt. De brieven (van de privaatrechtelijke organisatie die daar urgentie regelt) zijn ook niet aan te merken als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

De rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
  2. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  3. Samenvatting
  4. Inleiding
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 25/1154

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.R.A.R. Lotfy),

en

de coöperatieve vereniging Thuis in Limburg

(gemachtigde: mr. N.A. Rijsterborgh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de afwijzing om aan hem urgentie toe te kennen voor een sociale huurwoning. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft bij de Urgentiecommissie Maastricht een aanvraag ingediend om urgentie voor een sociale huurwoning. De Urgentiecommissie Maastricht heeft die aanvraag afgewezen.

2.1.

Tegen die afwijzing heeft eiser bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 1 mei 2025 heeft de bezwaarcommissie van Woonurgentie Limburg dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.

Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld tegen de ‘beslissing op bezwaar'. Thuis in Limburg heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat voor eiser ter discussie staat wie in deze procedure als verweerder moet worden aangemerkt. In het beroepschrift heeft eiser aangegeven in beroep te komen tegen de beslissing op bezwaar van de bezwaarcommissie van Woonurgentie Limburg. Het formulier dat is gebruikt voor het indienen van het beroep noemt ‘Urgentiecommissie’ als verweerder. De rechtbank heeft vervolgens, in navolging van de gemachtigde van de (oud-)gemachtigde van verweerder, Thuis in Limburg als verweerder aangemerkt. Bij bericht van 9 september 2026 heeft eiser echter – twee weken voor de geplande zitting – aangegeven dat hij via de gemeente Maastricht op de hoogte is geraakt van de urgentieregeling en is doorverwezen naar de website van Woonurgentie Limburg. Hij stelt zich nu op het standpunt dat hij bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht urgentie heeft aangevraagd en is zodoende van mening dat zij als verwerende partij moet worden aangemerkt. De rechtbank geeft later in deze uitspraak aan waarom zij niet het college als verweerder heeft aangemerkt. Ten aanzien van Thuis in Limburg, de Urgentiecommissie of de bezwaarcommissie van Woonurgentie Limburg maakt het daadwerkelijk kiezen van één van deze organisatieonderdelen geen verschil voor de uitkomst van deze uitspraak. De rechtbank heeft daarom in navolging van het verweerschrift Thuis in Limburg aangemerkt als verweerder.

4. De rechtbank benadrukt dat zij de situatie van eiser schrijnend acht omdat het eiser tot op heden niet lukt om een vaste woon- en verblijfplaats te regelen. Dat betekent echter niet zonder meer dat de rechtbank een inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of eiser al dan niet urgentie moet worden toegekend. De bestuursrechter moet ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om het geschil inhoudelijk te beoordelen. Daarvoor is in dit geval van belang of Thuis in Limburg een bestuursorgaan is op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Alleen een bestuursorgaan kan een besluit nemen als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep open staat.

5. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan: (a) een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of (b) een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

6. De rechtbank wijst erop dat in artikel 12 van de Huisvestingswet 2014, zoals die gold ten tijde van de brief van 1 mei 2025, is bepaald dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kan[_69451ed9-f30e-4e54-8894-35aa2b0f486d]bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. De rechtbank stelt vast dat in de Huisvestigingsverordening Maastricht 2022 niets is bepaald over urgentie. Ook is er geen mandaatbesluit en is de brief van 1 mei 2025 niet ondertekend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht.

7. De algemene ledenvergadering van (de privaatrechtelijke rechtspersoon) Thuis in Limburg heeft op 4 juni 2024 zelf de Urgentieregeling Maastricht vastgesteld. Deze regeling bevat voorwaarden voor wie de mogelijkheid krijgt om een sociale urgentie aan te vragen om met voorrang in aanmerking te komen voor een huurwoning in de gemeente Maastricht van de aan deze regeling deelnemende woningcorporaties.[_38973afe-d809-4f78-ab6e-8582c6a2f902] Hiervoor moet een aanvraag worden ingediend bij de Urgentiecommissie die daarop een gemotiveerde beslissing neemt. Tegen die beslissing staat bezwaar open bij de bezwaarcommissie.[_b11f8b7c-f5fd-4acf-8442-9ec36c28ed9a] Anders dan eiser lijkt te stellen, wordt die aanvraag dus niet ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht. De omstandigheden dat de gemeente op haar website verwijst naar de website van Woonurgentie Limburg en dat de voorzitter van de urgentiecommissie (ook) werkzaam is bij de gemeente Maastricht, maken niet dat de aanvraag is ingediend bij het college, noch dat het college bevoegd zou zijn om daarop een besluit te nemen of dat het besluit voor rekening van het college moet komen. Het feit blijft namelijk dat er door de gemeenteraad is gekozen om in de Huisvestingsverordening Maastricht 2022 niets te bepalen over urgentie. Het college heeft dan ook geen bevoegdheden om daarover besluiten te nemen. Dat de website van de gemeente ook spreekt van ‘bezwaar en beroep’, en dat er een bezwaarcommissie is, is weliswaar ongelukkig geformuleerd omdat dit verwarring kan opleveren, maar maakt – anders dan eiser stelt – niet dat sprake is van een bestuursrechtelijke regeling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het college aan te merken als verweerder. Omdat Woonurgentie Limburg en de Urgentiecommissie, welke eiser eerder zelf als verweerder heeft aangemerkt, onder Thuis in Limburg vallen, heeft de rechtbank in dit geval Thuis in Limburg als verweerder aangemerkt.

8. De rechtbank is van oordeel dat Thuis in Limburg, of een van de daaronder vallende instanties, geen bestuursorgaan is. Thuis in Limburg is geen orgaan van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Er is geen wettelijk voorschrift dat aan Thuis in Limburg openbaar gezag toekent. Ook verstrekt Thuis in Limburg geen uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden. Het verlenen van urgentie betekent dat iemand met voorrang in aanmerking kan komen voor een sociale huurwoning en dat is niet op geld waardeerbaar. Dat betekent dat Thuis in Limburg in beginsel niet als b-orgaan kan worden aangemerkt.

9. Als de gemeente een beslissende mate van zeggenschap heeft in de woonruimteverdeling, kan dat alsnog aanleiding zijn om Thuis in Limburg als b-orgaan aan te merken. Een zekere mate van monitoring en sturing alleen is daarvoor echter onvoldoende.[_788bde52-ce82-4b5d-beb9-eae3a07655a7] De rechtbank is niet gebleken van een beslissende mate van zeggenschap in de woonruimteverdeling. Zoals ook blijkt uit de raadsinformatiebrief van 22 februari 2024 die eiser heeft overgelegd, is door de woningcorporaties zelf initiatief genomen om urgentieregels op te stellen. Daarin staat weliswaar dat het college hier positief tegenover staat, maar hierin zijn geen aanwijzingen te vinden dat de gemeente betrokken is bij de besluitvorming van die urgentieregeling. Dat geldt ook voor de brief van 28 maart 2024 die eiser heeft overgelegd, waarin schriftelijke vragen van de SP-fractie worden beantwoordt.

10. Omdat Thuis in Limburg geen bestuursorgaan is, kan de brief van 1 mei 2025 ook niet worden aangemerkt als een besluit (in de zin van de Awb). Dat heeft tot gevolg dat daar geen beroep tegen open staat. Dit maakt dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Indien eiser toch een oordeel van de rechter wenst over het handelen van Thuis in Limburg of een van de daaronder vallende instanties, dient hij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

De rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. De rechtbank wijst er daarbij op dat vanaf 1 juni 2026 uit de Huisvestingswet 2014 volgt dat de gemeenteraad dit moet regelen. Uit het overgangsrecht (artikel 51 van de Huisvestingswet 2014, zie ook Stb. 2026/157) volgt echter dat deze verplichting nog niet geldt.
  2. Zie artikel 2 van de Urgentieregeling Maastricht, gepubliceerd op woonurgentielimburg.nl.
  3. Zie de artikelen 7, eerste en vijfde lid, en 10 van de Urgentieregeling Maastricht.
  4. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:392.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.