Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8202Zaaknummer 05/030975-26

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
05/030975-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Man veroordeeld wegens aanwezigheid van bijna 900 gram cocaïne, het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs en het aanwezig hebben van een ploertendoder. Vrijspraak voor het aanwezig hebben van een taser. De rechtbank legt een taakstraf op van 180 uren en een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk. Hoewel de bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden zouden rechtvaardigen en er door het zwijgen van verdachte geen duidelijkheid is verkregen over de vraag of inderdaad sprake is van een positieve gedragsverandering, ziet de rechtbank in het feit dat het de eerste keer is dat verdachte terug lijkt te zijn gevallen in delictgedrag aanleiding om daarvan af te zien. Dit zodat verdachte zijn woning en daarmee ook begeleiding niet verliest, alsook om een stok achter de deur te creëren om te voorkomen dat verdachte nogmaals de fout in gaat. Deze straf is daarmee uitdrukkelijk ook bedoeld als waarschuwing aan verdachte.

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 3. ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 75 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

 gelast de teruggave van de telefoon van verdachte (1 STK Telefoontoestel, omschrijving: PL0600-2026046417-G3626804 | BZAY2220, Zwart, merk: Samsung) aan verdachte;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 240 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046702-3626873);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 180 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046702-3626877);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 130 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046417-3626828);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van twee dozen vapes (omschrijving: PL0600-2026046702-G3626889, 2 dozen met 5 stuks vapes, Fumot);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 5,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2263);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 2.200,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2235);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 70,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2261);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 3.415,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2222).

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De inhoud van de tenlastelegging
  2. 3 De bewezenverklaring
  3. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
  4. 5 De strafbaarheid van de feiten
  5. 6 De strafbaarheid van de verdachte
  6. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
  7. 8 De beoordeling van het beslag
  8. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen
  9. 10 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/030975-26

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats],

wonende aan [adres] [woonplaats].

Raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat in Arnhem, waargenomen door kantoorgenoot mr. D.B. van Gils.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten:

- een blok van 879,10 gram cocaïne en/of

- een zakje brokjes van 1,85 gram cocaïne en/of

- een zakje met 10,52 gram cocaïne,

aanwezig heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door diens woning ter beschikking te stellen en/of het voorhanden hebben van

- een weegschaal en/of

- verpakkingsmateriaal en/of

- een doos met wit poeder en/of

- een groot geldbedrag (in totaal 5.690 EUR),

ten behoeve van de productie en/of bereiding en/of verwerking en/of verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (een taser), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, heeft voorhanden gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_99373cdc-9929-4df9-b70f-ee280742dfab]

Feit 1: aanwezig hebben cocaïne

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 16-17;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 2 februari 2026, p. 53-57, met in de bijlagen de rapporten NFiDENT (p. 59-61);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026.

Feit 2: voorbereiding drugshandel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte werd aangehouden met een (enorm) grote hoeveelheid cocaïne en een grote hoeveelheid contant geld en in zijn woning lagen een weegschaal met wit poeder en verschillende pillen. Daarnaast zijn op zijn telefoon foto’s aangetroffen van drugsattributen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat de woning van verdachte en de genoemde goederen een criminele bestemming hadden. Verder blijkt nergens uit dat verdachte met die goederen opzet had op het voorbereiden van harddrugsfeiten. Bovendien is het ontlastend dat op de telefoon van verdachte geen aanwijzingen gevonden zijn dat hij zich bezig zou houden met drugshandel.

Beoordeling door de rechtbank

Op 29 januari 2026 werd verdachte staande gehouden omdat hij op een scooter reed die veel geluid produceerde. De politie heeft verdachte vervolgens, omdat hij een onsamenhangend verhaal vertelde over de scooter met geforceerd slot, aangehouden wegens heling. Tijdens de insluitingsfouillering werd het volgende bij verdachte aangetroffen:

  • 5690,00 euro;
  • een kilo vermoedelijk cocaïne (in blokvorm);
  • dertien sloffen sigaretten (tien pakjes per slof);
  • een zakje wit poeder;
  • een zakje witte brokjes;
  • een zakje met zes witte pillen;
  • een zakje met zeventien blauwe pillen.[_3471f175-62b8-43f7-a8db-d40e2f768dd4]

Het blok, het zakje wit poeder en het zakje witte brokjes is getest op drugs. Uit dat onderzoek is gebleken dat het gaat om een blok cocaïne van 879,10 gram, een zakje cocaïne van 10,52 gram en een zakje cocaïne van 1,85 gram.[_2bbe168e-8950-4cf4-bdb3-5607f989932f]

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij deze goederen bij zich had.[_6d6dede7-94a4-426f-bb14-b30f96db011e] De aanwezigheid van deze hoeveelheid cocaïne is onder feit 1 ten laste gelegd en hierboven bewezenverklaard. Over de herkomst of het doel van deze drugs heeft verdachte niets willen verklaren.

Naar aanleiding van deze aangetroffen goederen vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte. In de woning zijn onder andere aangetroffen:

- verpakkingsmateriaal, in het linker kastje van de televisiekast;- vier blikjes waar de bovenkant geopend kan worden om spullen in weg te stoppen, in het linker open gedeelte van de televisiekast;- een weegschaaltje met witte poeder resten, in het linker open gedeelte van de televisiekast.[_99757bf9-e880-4d8f-ba20-99ae1bec5cb9]

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte op een scooter op straat reed met onder meer een kilo cocaïne en € 5690,00 contant geld op zak. Vervolgens is in zijn woning onder meer een weegschaaltje met witte poeder resten en verpakkingsmateriaal aangetroffen. Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de zitting geen verklaring willen geven over de aanwezigheid, herkomst of doel van deze goederen.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge verband en samenhang bezien, geen andere uitleg toelaten dan dat verdachte zich heeft bezig gehouden met voorbereidingshandelingen ten behoeve van het bewerken/verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. Zij betrekt hierbij het feit dat verdachte geen redelijke ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor deze belastende omstandigheden.

Dat verdachte zijn woning beschikbaar heeft gesteld (aan anderen) is niet gebleken. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is toepassing van artikel 10a van de Opiumwet niet beperkt tot ‘organisatoren en geldschieters’, omdat uit de wetsgeschiedenis niet volgt dat de wetgever de vervolgbaarheid enkel tot deze groep heeft beperkt en anderen heeft willen uitsluiten. De wetgever heeft met deze bepaling beoogd vat te krijgen op allen die de handel organiseren en deze financieren.

Feit 3: aanwezig hebben taser (vrijspraak)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De taser lag op een kastje in de woning van verdachte. Pas op de zitting heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd en verteld dat deze taser niet van hem was en er nog iemand in zijn woning verbleef. De taser lag zichtbaar op een kastje in een gang van de woning, dus verdachte moet hebben geweten dat de taser in zijn woning lag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de taser in zijn woning. Hij had die aanwezigheid ook niet hoeven vermoeden. De taser is aangetroffen op een kastje met andere spullen die duidelijk niet van verdachte zijn en er is niet duidelijk te zien dat het om een taser gaat.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte onder andere een taser in de vorm van een aansteker is aangetroffen. Deze taser is een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie (WWM). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze taser nooit eerder heeft gezien en ervan uitgaat dat deze van [persoon] is, zijn toenmalige vriendin die bij hem verbleef. De andere spullen die op het kastje liggen waarop de taser is gevonden, zijn namelijk ook van haar.

De rechtbank stelt vast dat voor een veroordeling terzake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 WWM onder meer vereist is dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen. Gelet op wat door verdachte is aangevoerd, kan niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte zich op enig moment bewust was van het feit dat er een taser in zijn woning aanwezig was, mede gelet op het feit dat het op het eerste gezicht niet evident een taser lijkt te zijn. Niet uit te sluiten is dat de taser inderdaad niet van verdachte was, dat hij het voorwerp nooit eerder had gezien en dat als hij het al zou hebben gezien, wist dat het een taser was. Uit het procesdossier blijkt ook dat de door verdachte genoemde [persoon] ten tijde van de doorzoeking van de woning van verdachte aldaar aanwezig was.

De rechtbank is dus van oordeel dat het onder feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Feit 4: aanwezig hebben ploertendoder

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 30 januari 2026, p. 29;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 62;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten:

- een blok van 879,10 gram cocaïne en/of

- een zakje brokjes van 1,85 gram cocaïne en/of

- een zakje met 10,52 gram cocaïne,

aanwezig heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid,middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door diens woning ter beschikking te stellen en/of het voorhanden hebben van

- een weegschaal en/of

- verpakkingsmateriaal en/of

- een doos met wit poeder en/of

- een groot geldbedrag (in totaal 5.690 EUR),

ten behoeve van de productie en/of bereiding en/of verwerking en/of verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, heeft voorhanden gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

feit 2:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een langdurige gevangenisstraf niet in het belang van verdachte is, omdat hij bij een gevangenisstraf van twee maanden of langer zijn woning zal verliezen. Een woning die hem eindelijk rust en stabiliteit biedt. Een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf als stevige stok achter deur is passend.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door een grote hoeveelheid, bijna een kilo, cocaïne bij zich te hebben terwijl hij op de scooter door Arnhem reed. Ook had hij ruim € 5.500,00 contant geld op zak. Daarnaast heeft verdachte zich bezig gehouden met het voorbereiden van de handel in cocaïne. Het is algemeen bekend dat cocaïne verslavend en schadelijk voor de gezondheid is. Bovendien gaat het gebruik van en handel in verdovende middelen vaak gepaard met veel overlast en diverse andere vormen van criminaliteit. Verdachte is mede verantwoordelijk geweest voor voornoemde nadelige effecten en de instandhouding daarvan. Daarnaast had verdachte een ploertendoder in huis. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook de inhoud van het reclasseringsrapport van 15 mei 2026 meegenomen. Ook bij de reclassering heeft verdachte niets over de strafbare feiten willen vertellen, waardoor de reclassering geen motieven of delictgerelateerde factoren heeft kunnen vaststellen. De reclassering heeft geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Zij ziet geen meerwaarde in de oplegging van reclasseringstoezicht, omdat “betrokkene de afgelopen jaren reeds onder toezicht van de reclassering heeft gestaan en de benodigde positieve gedragsverandering daarmee is bewerkstelligd. Betrokkene beschikt over stabilisatie op de leefgebieden en er is sprake van betrokkenheid van Nourzorg, waarmee afdoende hulpverlening betrokken is. Betrokkene heeft tevens geen hulpvragen aan de reclassering, waar een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden bij zou kunnen ondersteunen, waardoor er geen mogelijkheden worden gezien om met interventies of toezicht de risico's verder te beperken.”

De rechtbank overweegt dat het haar zorgen baart dat verdachte opnieuw de fout in is gegaan, na een periode van enkele jaren waarin hij, na jarenlang veelvuldig strafbare feiten plegen, niet meer is vervolgd voor strafbare feiten. Verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven, waardoor het voor de rechtbank niet duidelijk is geworden waarom verdachte met zo’n grote hoeveelheid drugs en contant geld op straat rondreed en zich in zijn woning bezig hield met de voorbereiding van drugshandel. De reclassering heeft in haar rapport opgeschreven dat ‘de benodigde positieve gedragsverandering is bewerkstelligd’, maar gelet op de strafbare feiten waarvoor verdachte in deze zaak wordt veroordeeld, heeft de rechtbank daar ernstige twijfels over.

Hoewel de bewezenverklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden zouden rechtvaardigen en er door het zwijgen van verdachte geen duidelijkheid is verkregen over de vraag of inderdaad sprake is van een positieve gedragsverandering, ziet de rechtbank in het feit dat het de eerste keer is dat verdachte terug lijkt te zijn gevallen in delictgedrag aanleiding om daarvan af te zien. Dit zodat verdachte zijn woning en daarmee ook begeleiding niet verliest, alsook om een stok achter de deur te creëren om te voorkomen dat verdachte nogmaals de fout in gaat. Deze straf is daarmee uitdrukkelijk ook bedoeld als waarschuwing aan verdachte.

De rechtbank acht een taakstraf van 180 uren met daarnaast een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

8 De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevraagd de teruggave van de telefoon van verdachte te gelasten, de sigaretten en vapes te onttrekken aan het verkeer en het contante geld verbeurd te verklaren. Op de sigaretten en vapes misten accijnsstickers, waardoor deze naar de douane zijn gestuurd. Het contante geld is gebruikt bij de voorbereiding van de drugshandel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gevraagd de teruggave van de telefoon van verdachte te gelasten. Wat betreft het contant geld is bepleit dit niet verbeurd te verklaren, omdat het procesdossier niet aantoont dat deze gelden door voorbereidingshandelingen zijn verkregen of daartoe dienen. Wat betreft de sigaretten en vapes is bepleit om teruggave, omdat deze niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave van de telefoon van verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen sigaretten en vapes worden onttrokken aan het verkeer. Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn immers de aan verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het gaat om 55 sloffen sigaretten per tien pakjes verpakt, en twee dozen vapes, aangetroffen in de woning van verdachte, waarover verdachte geen verklaring heeft willen geven en kennelijk geen accijns is betaald.

De rechtbank zal het contante geldbedrag van € 5.690,00 verbeurd verklaren. Dit geld was immers bestemd om de voorbereiding van de drugshandel (bewezenverklaard feit 2) mogelijk te maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de overige goederen waar nog beslag op rustte.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 3. ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 75 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

 gelast de teruggave van de telefoon van verdachte (1 STK Telefoontoestel, omschrijving: PL0600-2026046417-G3626804 | BZAY2220, Zwart, merk: Samsung) aan verdachte;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 240 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046702-3626873);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 180 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046702-3626877);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van 130 pakjes sigaretten (goednummer: PL0600-2026046417-3626828);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van twee dozen vapes (omschrijving: PL0600-2026046702-G3626889, 2 dozen met 5 stuks vapes, Fumot);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 5,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2263);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 2.200,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2235);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 70,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2261);

 verklaart verbeurd het contante geldbedrag van € 3.415,00 (omschrijving: PL0600-2026046417-BZAY2222).

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026046698, gesloten op 3 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
  2. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 16-17 en de daarbij horende fotobijlage, p. 20.
  3. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 2 februari 2026, p. 53-57, met in de bijlagen de rapporten NFiDENT (p. 59-61).
  4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026.
  5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 34.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.