Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 januari 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:612Zaaknummer LEE 25/5095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/5095
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Herziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek voorlopig voorziening. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat uitspraken van de voorzieningenrechter alleen voor herziening in aanmerking komen als deze zijn gedaan op grond van artikel 8:86 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft in de zaak van verzoekster echter uitspraak gedaan op grond van artikel 8:81 van de Awb en daarbij toepassing gegeven aan artikel 8:83, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het verzoek om herziening kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 14 januari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/5095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, het college,

(gemachtigde: mr. E.M. Braam en M. Fleer).

Procesverloop

1. Bij brief van 24 november 2025 heeft verzoekster verzocht om herziening van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2025.[_05d2019f-9b4c-4e7a-872a-709e33f1beb5]

1.1.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Awb,[_70959480-a64e-47c0-b95e-66c1fc2cb7bf] in samenhang met artikel 8:54 van de Awb, uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

2. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de uitspraak van 24 november 2025 te herzien omdat het college een onmiddellijke verhuizing heeft aangekondigd (per 25 november 2025 om 8:30 uur) ondanks de lopende procedure. Verzoekster en haar kinderen worden hierdoor zonder rechterlijke bescherming gedwongen te verhuizen naar onveilige crisisnoodopvang. Uit jurisprudentie[_eb85a1a1-aa65-4d3d-88af-8c30742fac38] volgt dat kwetsbare asielzoekers niet in crisisnoodopvang worden geplaatst tenzij aan hun specifieke opvangbehoeften kan worden voldaan. Uit het GGD-verslag blijkt verder dat de locatie Wehe-den Hoorn een dergelijke crisisnoodopvang is, dat de opvang meerdere serieuze tekortkomingen heeft en niet voldoet aan COa-normen en normen voor kwetsbare groepen. Bovendien volgt uit het GGD-verslag dat geadviseerd wordt de gebruikte checklist alleen te gebruiken voor locaties die maximaal vier weken voor tijdelijke opvang worden gebruikt.

2.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en, (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat uitspraken van de voorzieningenrechter alleen voor herziening in aanmerking komen als deze zijn gedaan op grond van artikel 8:86 van de Awb.[_203a65c1-0b32-4c49-9a78-f90191522be1] De voorzieningenrechter heeft in de zaak van verzoekster echter uitspraak gedaan op grond van artikel 8:81 van de Awb en daarbij toepassing gegeven aan artikel 8:83, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het verzoek om herziening kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 14 januari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.