Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Den Haag, 30 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30835Zaaknummer 09/351247-25 en 09/324164-25 (ttz.gev)
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/351247-25 en 09/324164-25 (ttz.gev)
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling. In dit geval vol opzet van verdachte op het toebrengen van (in ieder geval) zwaar lichamelijk letsel. een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en TBS met voorwaarden, dadelijke uitvoerbaar verklaard en opleggen van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, primair: poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderdnegenenzeventig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikking-gestelde, te weten dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:
a. zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
b. zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
c. de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
d. meewerkt aan huisbezoeken;
e. de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
f. zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;
g. meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
4. als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;
6. zich gedurende de maatregel, laat behandelen door ForFact Team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7. verblijft op het woonadres van zijn vriendin, dan wel indien dit naar het oordeel van reclassering noodzakelijk is, op een andere locatie zoals het Leger des Heils - Housing First of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
9. zicht inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
10. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland te Rotterdam de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is en ingaat op het moment dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in deze zaak eindigt;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.J. Balfoort, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. T.W. van Gessel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/351247-25 en 09/324164-25 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 30 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 april 2026, 17 juni 2026, 5 augustus 2026 (alle pro forma) en 16 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.E. van der Wiel naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/351247-25 (hierna: dagvaarding I) en parketnummer 09/324164-25 (hierna: dagvaarding II).
Ten aanzien van dagvaarding I:
hij op of omstreeks 5 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte meermalen althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 5 december 2025 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam te schoppen en/of te slaan.
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op of omstreeks 29 november 2025 te 's-Gravenhage een onderdeel van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een voor een vuurwapen bestemde patroonhouder, zijnde een onderdeel en/of hulpstuk welke van wezenlijke aard is en/of specifiek bestemd is voor een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I primair ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – op de gronden zoals weergegeven in de pleitnotitie – vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I primair en dagvaarding II ten laste gelegde feiten. Daar waar de wet dit vereist, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd.
Vrijspraak
Ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank is, in lijn met het pleidooi van de raadsvrouw, van oordeel dat het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing volgt immers niet zonder twijfel dat de bij de verdachte aangetroffen patroonhouder een onderdeel is van een wapen van categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie, zoals ten laste is gelegd. In het proces-verbaal is de patroonhouder weliswaar als zodanig gecategoriseerd, maar eveneens is geverbaliseerd dat het een patroonmagazijn is dat ‘zeer vermoedelijk’ afkomstig is of hoort bij een gaspistool of alarmpistool. Nu niet vastgesteld kan worden dat de patroonhouder geschikt is om scherpe munitie te bevatten (voor een gaspistool), is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen staan dat het inderdaad een onderdeel is van een wapen van categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat indien het onderdeel een patroonmagazijn voor een alarmpistool zou zijn, het voorhanden hebben hiervan niet strafbaar is gesteld als een wapen van categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
Gebruikte bewijsmiddelen
Ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025411620, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 154).
1. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben met het slachtoffer in een worsteling geraakt en ik heb hem toen van mij afgeslagen. Het klopt dat ik de persoon ben die op de getoonde camerabeelden is te zien. Ik heb het slachtoffer tegen het bovenlichaam geschopt.
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 2 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 98)
Feit: Zware mishandeling (poging)
Plaats delict: [adres]
Pleegdatum: vrijdag 5 december 2025
Ik hoorde een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam: [achternaam slachtoffer]
Voornamen: [voornaam slachtoffer]
Ik doe aangifte van zware mishandeling.
Ik kan mij herinneren dat ik meerdere klappen heb gekregen. Ik voelde na deze klappen, ontzettend veel pijn op mijn hoofd en achter in mijn nek.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 december 2026, voor zover inhoudende (p. 24)
Op 5 december 2025 terwijl ik buiten het portiek op de [straat] zicht hield op de ingang zag ik dat er een passant naar mij toeliep. Ik hoorde dat hij tegen mij zei '' Dit filmpje is net in de buurt WhatsAppgroep gestuurd.'' Hij pakte zijn telefoon en draaide deze mijn kant op. Ik zag dat hij mij een video liet zien. Op deze video zag ik het volgende:
Ik zag dat er een man, op zijn buik, op het trottoir lag. Ik herkende dit trottoir als zijnde de [straat]. Naast de man die op de stoep lag stond een andere blanke man. Ik zag dat de man die op de grond lag niet bewoog. Ik zag dat de blanke man zijn rechtervoet naar achterhaalde. Nadat hij dit deed zag ik dat de blanke man zijn rechtervoet naar voren zwaaide. Ik zag dat de voet van de blanke man links op het bovenlichaam van het slachtoffer terecht kwam. Ik zag dat tijdens het geven van deze trap het lichaam van het slachtoffer bewoog. Nadat de blanke man/de verdachte de trap had gegeven aan het slachtoffer zag ik dat het slachtoffer levenloos op de grond bleef liggen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 december 2025, voor zover inhoudende (p. 31):
Hiervoor was ik belast met uitkijken van camerabeelden. Op de beelden is het volgende zichtbaar:
Door de tweede trap zie je het slachtoffer op de grond bewegen. Hierdoor is te zien dat de trap met veel kracht is en daardoor veel impact heeft op het slachtoffer.Tijdens het trappen zegt de verdachte:'Slapen jij! Slapen kanker .. 'Na het woord kanker is niet duidelijk te verstaan wat de verdachte zegt het lijkt op hond of hoer.Tijdens het weglopen zegt de verdachte nogmaals: 'Slapen jij, kanker hoer.' Het slachtoffer blijft stil liggen op de grond.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 5 december 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] meerdere keren tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel?
Voor bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer].
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft geslagen en daarna – terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag – twee maal heeft geschopt. De rechtbank stelt vast dat deze trappen gericht waren op het bovenlichaam en in de richting van het hoofd, en dat de verdachte daarbij meermaals heeft geroepen: “slapen jij, slapen kankerhoer”. Ook toen de verdachte wegliep van het slachtoffer heeft hij deze zin herhaald. De handelingen en gebruikte bewoordingen – in samenhang bezien – dienen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van (in ieder geval) zwaar lichamelijk letsel, dat de rechtbank op grond hiervan vaststelt dat verdachtes opzet hierop ten volle was gericht. Contra-indicaties zijn niet aanwezig, integendeel, de verdachte heeft het slachtoffer gewond achtergelaten op straat, zonder zelf iets te doen of hulp in te schakelen.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I, primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 5 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
Een psycholoog en een psychiater concluderen in het Pro Justitia rapport van 8 juli 2026 dat het aannemelijk is dat de combinatie van psychopathologie bij de verdachte heeft doorgewerkt in het denken, voelen en handelen van hem ten tijde van de hem gepleegde feiten, zonder dat het mogelijk is de exacte precisering van deze doorwerking te bepalen. Omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, is de verdachte eveneens strafbaar.
6 Oplegging van de straf en de maatregelen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van het primaire dan wel het subsidiaire feit een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest van de verdachte.
Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde tbs met voorwaarden heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat deze moet worden afgewezen, gezien de bepleite vrijspraak voor het primair tenlastegelegde. Als het komt tot het opleggen van de tbs met voorwaarden heeft de verdediging bepleit dat een klinische behandeling niet noodzakelijk is. De verdediging verzet zich niet tegen een dadelijke uitvoerbaarheid en ook niet tegen het opleggen van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft geprobeerd op klaarlichte dag een man zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Volgens de verdachte was er sprake van overlast, omdat het slachtoffer op zoek was naar drugs (bij verdachte) en hij deze niet kon of wilde verkopen. De verdachte is vervolgens doelbewust naar het slachtoffer toe gegaan en heeft hem meerdere keren geslagen en geschopt. Ook toen het slachtoffer roerloos op de grond lag, heeft de verdachte nog met kracht geschopt tegen het lichaam, in de richting van het hoofd. De uitlatingen van de verdachte tijdens het geweld zijn veelzeggend, en het slachtoffer mag van geluk spreken dat hij geen zwaarder letsel heeft opgelopen. Uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer na het geweld letsel had aan zijn vingers en gezicht, en dat hij direct is vervoerd naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis.
De verdachte heeft zich – ondanks dat hij wist wat hij had gedaan en dat de politie naar hem op zoek was – pas enkele weken later gemeld op het politiebureau. De opsporing en aanhouding van de verdachte hebben daardoor onnodige politiecapaciteit gevergd. De verdachte geeft bovendien na zijn aanhouding weinig rekenschap van zijn handelen en lijkt de gevolgen vooral op zichzelf te betrekken. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte sinds 2016 veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen, ook voor geweldsdelicten. Op 15 oktober 2018 is hij veroordeeld door de rechtbank Den Haag tot 198 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De voorwaardelijke PIJ-maatregel met dwangverpleging is na enkele maanden tenuitvoergelegd en later omgezet naar een PIJ-maatregel met voorwaarden, totdat deze van rechtswege voorwaardelijk werd beëindigd op 7 januari 2025, met een proeftijd van een jaar. Daarmee is de verdachte nog voor de beëindiging van zijn PIJ-maatregel gerecidiveerd met een geweldsdelict. Op 15 januari 2026 is de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel opnieuw met een jaar verlengd.
Deskundigen
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van psychiater drs. B.E.A. van der Hoorn en psycholoog drs. I. Snijders, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 8 juli 2026. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 augustus 2026, opgesteld door reclasseringswerker [naam 1] en unitmanager [naam 2]. Daarnaast is D. Duinkerke namens de reclassering ter terechtzitting als deskundige gehoord.
Recidiverisico
De psycholoog en psychiater hebben gezamenlijk geconcludeerd dat er sprake is van een hoog risico op recidive. De verdachte kent een langdurige geschiedenis van (gedrags)problemen en middelengebruik. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken en van een hoge mate van psychopathie. Ook is sprake van een langdurige stoornis in cannabisgebruik. De verdachte heeft zijn woning verloren en zijn partner heeft (nog) geen eigen woning waar hij terecht kan. Hij heeft een klein netwerk bestaande uit zijn moeder, oom(s) en zijn partner. Ook heeft hij geen structurele dagbesteding meer.
Beschermende factoren lijken daarmee beperkt te zijn. De gemiddelde intelligentie kan volgens de deskundigen enigszins beschermend werken, maar kan er ook voor zorgen dat betrokkene in staat is tot doordacht handelen, wat juist risicoverhogend is. De nieuwe relatie van verdachte wordt wel als mogelijk beschermende factor beschreven.
De reclassering heeft gerapporteerd dat er sprake lijkt van beperkt ziektebesef en ogenschijnlijk geen intrinsieke motivatie voor blijvende gedragsverandering. Het lukt verdachte waarschijnlijk niet om adequaat te handelen in risicovolle situaties. Ook de reclassering heeft geconcludeerd tot een hoog risico op recidive.
Behandelkader
De psycholoog en psychiater hebben geconcludeerd dat een behandeling gericht op de persoonlijkheid van verdachte en het bereiken en nastreven van abstinentie van middelen geïndiceerd is. Verdachte dient zich staande te leren houden in de maatschappij en stabiliteit op het gebied van woning, werk en inkomen, dagbesteding en zijn relatie zijn daarbij essentieel. Gezien de hardnekkige – en moeilijk beïnvloedbare – combinatie van psychopathologie, en zijn weerstand tegen behandeling en controle, wordt de inzet van behandeling binnen een vrijwillig kader niet zinvol geacht. Uit het behandelverleden van verdachte komt een beperkte behandelbereidheid en ziektebesef naar voren. Zo koos hij ervoor om zijn tijd uit te zitten en zich niet aan voorwaarden te houden. Een maatregel tbs met dwangverpleging biedt voordelen vanuit controle en risicomanagement, maar is gelet op zijn beperkte behandelbaarheid gedurende de langdurige intramurale fase van de PIJ-maatregel, mogelijk minder passend en effectief. De deskundigen hebben geadviseerd om een behandeling te laten plaatsvinden in de forensische volwassen psychiatrie, en deze – om de behandelbereidheid te vergroten – te laten plaatsvinden in een ambulant kader, zodat de verdachte bij zijn behandeling direct kan werken aan zijn toekomst. Geadviseerd wordt daarom een tbs met voorwaarden zonder klinische behandeling. Ook wordt een GVM geadviseerd om ook na afloop van de tbs-maatregel verdachte te kunnen ondersteunen en monitoren.
De reclassering is het grotendeels eens met de conclusies van de psychiater en de psycholoog. De reclassering is gematigd positief over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden. Geadviseerd wordt om, in lijn met het advies van de psychiater en psycholoog, een stevig kader vast te stellen met oplegging van de tbs met voorwaarden en een GVM. In tegenstelling tot de psychiater en de psycholoog, acht de reclassering een klinische opname wel noodzakelijk gelet op het recidivegevaar, mede gelet op het eerdere onttrekken aan voorwaarden en toezicht. De toegevoegde waarde van een klinische start is het kunnen uitbouwen van verloven, zodat de verdachte kan wennen aan het leven buiten, maar vanuit een omgeving waar hij de benodigde hulp aangeboden krijgt. Daarbij beschikt verdachte niet over een passende woonplek bij uitstroom vanuit detentie en heeft hij nog geen gestructureerde dagbesteding. Ook elektronische monitoring kan het risico op recidive niet voldoende mitigeren.
Verminderd toerekeningsvatbaar
Zoals hiervoor bij de toerekenbaarheid van de dader al is overwogen, achten de deskundigen het aannemelijk dat de combinatie van psychopathologie bijbetrokkene heeft doorgewerkt in het denken, voelen en handelen van betrokkene tentijde van de hem tenlastegelegde feiten, zonder dat het mogelijk is de exacteprecisering van deze doorwerking te bepalen.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat deze stoornis van invloed is geweest op het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, in die zin dat dit hem in verminderde mate kan worden toegerekend.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gelet op de ernst van het geweld zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van een voltooide zware mishandeling. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank verder mee dat het feit overdag plaatsvond, op de openbare weg, en meerdere buurtbewoners het geweld hebben waargenomen. De verdachte heeft het slachtoffer bovendien in hulpeloze toestand achtergelaten.
De rechtbank acht, alles afwegende, in de gegeven omstandigheden en de strafdoelen in aanmerking nemende, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, passend en geboden.
De op te leggen maatregel
Op grond van de aard van de feiten, de Pro Justitia-rapportages en de reclasseringsrapportage, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op een hoog recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan verdachte de tbs met voorwaarden wordt opgelegd. De verdachte heeft zich op de terechtzitting van 16 september 2026 bereid verklaard de hieronder te stellen voorwaarden na te leven.
De rechtbank stelt daarbij vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van geestesvermogens bestond, en dat de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
De rechtbank zal voor wat betreft de vraag of de verdachte eerst al dan niet klinisch behandeld moet worden, aansluiten bij de overwegingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog. Zij hebben uiteengezet dat de verdachte het beste in een ambulante setting behandeld kan worden en dat een klinische behandeling in het geval van de verdachte, juist minder effectief zou kunnen zijn. Daarbij komt dat ook de mogelijkheid van een time-out in een crisissituatie (tijdelijk) voorziet in een klinische opname.
Ter terechtzitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij binnenkort bij zijn vriendin zal gaan wonen, en bovendien concrete plannen heeft voor het vinden van werk. Ondanks dat deze voornemens nog geen zekerheid bieden, wil de rechtbank aan verdachte nog de kans bieden om vanuit een bepaalde autonomie en regie zijn behandeling en toekomst vorm te geven.
Dit brengt met zich dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een klinische behandeling geen passende voorwaarde vindt.
De rechtbank zal dan ook ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende (samengevatte) voorwaarden stellen die het gedrag van verdachte betreffen:
- Geen strafbare feiten plegen;
- Meldplicht bij de reclassering;
- Meewerken aan time-out;
- Niet naar het buitenland;
- Ambulante behandeling;
- Begeleid wonen of (tijdelijk) verblijf bij zijn vriendin, voor zover de reclassering dit mogelijk en uitvoerbaar acht;
- Contactverbod met het slachtoffer;
- Dagbesteding;
- Meewerken aan aflossen schulden.
De tbs met voorwaarden zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Indien alsnog wordt beslist dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, kan de tbs-maatregel daarna langer duren dan vier jaren.
In de ernst van de problematiek van de verdachte en het feit dat sprake is van een hoog recidiverisico, ziet de rechtbank aanleiding om conform artikel 38, zesde lid, Sr te bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank zal ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de tbs-maatregel, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen, teneinde recidive te kunnen voorkomen.
Aan de wettelijke vereisten van artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van het Pro Justitia rapport en het rapport van de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, primair: poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderdnegenenzeventig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikking-gestelde, te weten dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:
a. zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
b. zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
c. de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
d. meewerkt aan huisbezoeken;
e. de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
f. zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;
g. meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
4. als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;
6. zich gedurende de maatregel, laat behandelen door ForFact Team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7. verblijft op het woonadres van zijn vriendin, dan wel indien dit naar het oordeel van reclassering noodzakelijk is, op een andere locatie zoals het Leger des Heils - Housing First of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
9. zicht inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
10. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland te Rotterdam de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is en ingaat op het moment dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in deze zaak eindigt;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.J. Balfoort, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. T.W. van Gessel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 38z Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 38 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 4 PBW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 37a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 38a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 302 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.