Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30672Zaaknummer C/09/687482 / FA RK 25-4780
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/687482 / FA RK 25-4780
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Toewijzing eenhoofdig gezag aan de vrouw. Kinderalimentatie en partneralimentatie. De man heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn inkomenssituatie. De rechtbank zal daarom uitgaan van de stellingen van de vrouw.
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1996 te [geboorteplaats], Pakistan;
*
bepaalt dat, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], Pakistan;
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats], Pakistan;
*
verzoekt de advocaat van de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, tweede lid, BW, na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 25 juni 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 864,- per maand voor de twee kinderen samen, en met ingang van 1 januari 2026 € 904,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 5.227,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4780
Zaaknummer: C/09/687482
Datum beschikking: 18 september 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 25 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri te Den Haag.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het op 16 juli 2025 door de advocaat van de man overgelegde betekeningsexploot;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 7 augustus 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 11 augustus 2026 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 18 augustus 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, waaronder een aanvulling van het petitum;
- het F9-formulier van 19 augustus 2026 van de advocaat van de man, met bijlage.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op 21 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Amer;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk A. Hairam;
- [naam], namens de gecertificeerde instelling.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1996 te [plaats], Pakistan.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], Pakistan (hierna: [de minderjarige 1] );
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats], Pakistan (hierna: [de minderjarige 2] ).
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw de Pakistaanse nationaliteit heeft en dat de man en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.
- Bij beschikking van 21 mei 2024 zijn de kinderen tot 21 mei 2025 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. Hierna is de ondertoezichtstelling jaarlijks verlengd, voor het laatst op 8 mei 2026 tot 20 mei 2027.
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bovendien heeft de vrouw – na aanvulling – zelfstandig verzocht:
- primair: de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen;
- subsidiair, voor het geval de rechtbank het primaire verzoek tot het belasten van de vrouw met het eenhoofdig gezag afwijst: de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;
- de man te gelasten op grond van artikel 843a Rv inzage te verlenen in:
- jaarstukken van al zijn ondernemingen over de laatste drie boekjaren;
- loonstroken (indien van toepassing);
- bankafschriften van alle rekeningen op naam van de man en/of zijn ondernemingen, over een periode van zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding tot heden;
- overzicht van schulden en vermogensbestanddelen;
- verklaring omtrent eventuele inkomsten uit nevenactiviteiten over vermogen;
- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal dienen te voldoen van € 5.227,- bruto per maand, welke bijdrage iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling voldaan zal dienen te worden, althans een zodanige bijdrage met ingang van een zodanige datum vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren;
- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal dienen te voldoen van € 432,- per kind per maand, met ingang van 1 april 2023, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot eenhoofdig gezag.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over de kinderen aan één ouder toekomt, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Overwegingen rechtbank
De vrouw heeft verzocht om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De man heeft zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij belangrijke beslissingen over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen.
Voor de rechtbank is vast komen te staan dat er sprake is van feiten of omstandigheden, waardoor er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en dat de wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Vast staat dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en zij niet met elkaar communiceren. De vrouw heeft gesteld dat de man haar in het verleden heeft bedreigd met eerwraak en de dood, waardoor zij zich genoodzaakt zag om met de kinderen te onderduiken. Zij verblijven op dit moment op een geheim adres. Naar het oordeel van de rechtbank is de man onvoldoende in staat om weloverwogen gezagsbeslissingen over de kinderen te nemen, omdat de man niet goed op de hoogte is van wat er zich momenteel afspeelt in het leven van de kinderen. Nu de man ook al langere tijd afwezig is in het leven van de kinderen, acht de rechtbank het ook in dat opzicht in het belang van de kinderen dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over de kinderen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen dan ook toewijzen.
De rechtbank merkt ten overvloede nog het volgende op. Tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben de kinderen aangegeven geen contact meer te willen met hun vader. [de minderjarige 1] heeft wel aangegeven dat zij graag een ‘afsluitgesprek’ wil met de man in aanwezigheid van een begeleider. De rechtbank heeft dit op de zitting met de betrokkenen besproken. De man heeft hiermee ingestemd en ook de vrouw heeft zich niet verzet tegen een gesprek tussen de man en [de minderjarige 1]. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven het gesprek te kunnen regelen en begeleiden.
De man heeft aangegeven ook een gesprek met [de minderjarige 2] te willen voeren. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 2] niet aangegeven dat zij behoefte heeft aan een gesprek met de man. In deze procedure liggen geen verzoeken over de omgang tussen de man en de kinderen voor; de man heeft hiertoe ook geen verzoek gedaan. De rechtbank gaat er echter van uit dat de gecertificeerde instelling in ieder geval een begeleid gesprek tussen [de minderjarige 1] en de man zal faciliteren en eveneens de mogelijkheden onderzoekt voor een gesprek tussen de man en [de minderjarige 2]. In dit kader zal de gecertificeerde instelling rekening dienen te houden met de behoefte van [de minderjarige 2].
Hoofdverblijfplaats
Nu de rechtbank de vrouw zal belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats. Daartoe bestaat geen belang meer.
Kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat op grond van de wet ouders verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De vrouw heeft verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2023 vast te stellen. De rechtbank zal de kinderalimentatie in redelijkheid vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 25 juni 2025. Daartoe overweegt de rechtbank dat de
man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een door hem te betalen bijdrage en hij heeft in de tussentijd geen enkele bijdrage voldaan.
Behoefte
De vrouw heeft aangegeven dat de man ondernemer is en vermoedelijk drie ondernemingen exploiteert. Omdat de man geen inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie, schat de vrouw de winst van de man op € 250.000,- bruto per jaar. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten heeft de vrouw de behoefte van de kinderen berekend op € 898,- per maand in 2023, welke geïndexeerd naar 2025 € 1.016,- per maand bedraagt.
De man heeft zijn aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2023 tot 2025, de jaarstukken van 2022 van [bedrijfsnaam 1] BV, de jaarstukken van 2024 van [bedrijfsnaam 2] BV/ [bedrijfsnaam 3], de aangiftes omzetbelasting van het eerste en tweede kwartaal van 2025 van [bedrijfsnaam 2] BV/ [bedrijfsnaam 3] en de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van [bedrijfsnaam 1] BV overgelegd. De man heeft zich onder verwijzing naar deze stukken op het standpunt gesteld dat hij de afgelopen jaren geen inkomen had.
De rechtbank stelt vast dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie. Weliswaar heeft de man de aanslagen IB over de jaren 2023 en 2025 overgelegd waarin het inkomen nihil is, maar de rechtbank acht het niet aannemelijk dat de man geen draagkracht heeft. De man heeft uitsluitend twee jaarrekeningen overgelegd van vennootschappen waar hij kennelijk directeur/grootaandeelhouder van is. Uit de jaarrekening [bedrijfsnaam 1] BV volgt dat er een eigen vermogen is van € 658.771 en bedrijfsgebouwen met een waarde van € 1.204.797. Verder zijn er participaties en deelnemingen waar een claim ligt van € 70.000,-. Welke participaties en deelnemingen dit zijn, heeft de man niet toegelicht. Over dat jaar is in [bedrijfsnaam 1] BV ook een winst behaald. Tegen deze achtergrond is het onaannemelijk dat de man zich geen DGA-salaris kan uitkeren. Uit het vorenstaande volgt dat de man Het had op de weg van de man gelegen om inzage te geven in zijn inkomenssituatie. Nu hij dit onvoldoende heeft gedaan, zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Zij zal dan ook de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen van € 1.016,- per maand in 2025 als uitgangspunt nemen.
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij een bijstandsuitkering ontvangt. Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie wordt er geen draagkracht aangenomen bij een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.
De rechtbank zal daarom uitgaan van een draagkracht van de vrouw van € 0,-.
Draagkracht man
De vrouw heeft gesteld dat moet worden uitgegaan van een winst van € 250.000,- bruto per jaar. De vrouw heeft de draagkracht van de man berekend op € 4.997,-.
De man heeft de stelling van de vrouw betwist en zich op het standpunt gesteld dat hij geen inkomen heeft.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft nagelaten om de jaarstukken van zijn ondernemingen over 2025 over te leggen. Daarom kan de rechtbank de inkomenssituatie van de man op dit moment niet beoordelen en zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Zij zal dan ook de door de vrouw gestelde draagkracht van € 4.997,- als uitgangspunt nemen. In dit kader merkt de rechtbank op dat het een beginsel van algemene bekendheid is dat een directeur van een vennootschap zichzelf een bepaald salaris moet uitkeren. Daarbij is uit de jaarrekening van 2022 van [bedrijfsnaam 1] BV gebleken van aanzienlijk vermogen dat in de vennootschap zit, nu onder meer op de balans per 31 december 2022 een post ‘bedrijfsgebouwen en terreinen’ van € 1.204.797,- is opgenomen. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat de man geen inkomen heeft.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 4.997,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 4.997 / 4.997 x 1.016 = € 1.016,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 0 / 4.997 x 1.016 = € 0,-
samen € 1.016,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.016,- per maand voor rekening van de man. Er komt geen gedeelte van de behoefte van de kinderen voor rekening van de vrouw.
Nu er geen contact is tussen de man en de kinderen, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en de door en tot het verzoek van de vrouw begrensde rechtsstrijd, zal de rechtbank bepalen dat de man, met ingang van 25 juni 2025, een bedrag van € 864,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] samen aan de vrouw moet voldoen aan kinderalimentatie. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 904,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het rapport als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen.
Behoefte
Net als bij de kinderalimentatie overweegt de rechtbank dat het op de weg van de man had gelegen om inzage te geven in zijn inkomenssituatie. Nu hij dit onvoldoende heeft gedaan, zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Zij zal daarom de door de vrouw op basis van de hofnorm berekende behoefte van € 7.495,- netto per maand in 2023 als uitgangspunt nemen. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 8.867,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De man heeft niet betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Voorts heeft de vrouw onweersproken gesteld dat geen rekening gehouden dient te worden met een verdiencapaciteit. Gelet hierop en omdat de vrouw momenteel een bijstandsuitkering ontvangt, zal de rechtbank geen rekening houden met enige verdiencapaciteit van de vrouw. De aanvullende behoefte van de vrouw is dan € 8.867,- netto per maand.
Draagkracht man
Net als bij de kinderalimentatie zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw gestelde draagkracht, te weten een bedrag van € 4.283,-. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 864,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 3.419,- per maand (€ 4.283,- minus € 864,-). Gebruteerd komt dit neer op € 5.227,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en de door en tot het verzoek van de vrouw begrensde rechtsstrijd, zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 5.227,- per maand moet betalen.
Inzage financiële gegevens
De vrouw heeft verzocht de man te gelasten op grond van artikel 843a Rv inzage te verlenen in zijn financiële situatie. Zoals hiervoor overwogen heeft de man onvoldoende inzage gegevens in zijn inkomenssituatie en heeft de rechtbank daaruit de conclusies getrokken die zij geraden acht. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1996 te [geboorteplaats], Pakistan;
*
bepaalt dat, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], Pakistan;
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats], Pakistan;
*
verzoekt de advocaat van de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, tweede lid, BW, na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 25 juni 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 864,- per maand voor de twee kinderen samen, en met ingang van 1 januari 2026 € 904,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 5.227,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 843a Rv
- Artikel 10:56 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:251a BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:402 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:402a BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:157 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:253p BW meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.