Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 8 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:29768Zaaknummer C/09/683530 / FA RK 25-2779

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 september 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/683530 / FA RK 25-2779
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verwijzing zaken naar rechtbank Noord-Holland ivm relatieve competentie.

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd van het verzoekschrift in de procedure met zaaknummer C/09/709069 kennis te nemen;

verwijst deze zaak en de zaak met zaaknummer C/09/683530 in de stand waarin deze zich bevinden naar de rechtbank Noord-Holland.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procedure
  2. Beoordeling
  3. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 25-2779 (verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de informatieregeling) en JE RK 26-1228 (vervanging gecertificeerde instelling, geschillenregeling en benoeming bijzondere curator)

Zaaknummers: C/09/683530 (verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de informatieregeling) en C/09/709069 (vervanging gecertificeerde instelling, geschillenregeling en benoeming bijzondere curator)

Datum beschikking: 8 september 2026

Beschikking op het op 11 april 2025 ingekomen verzoek (zaaknummer C/09/683530) en het op 14 juli 2026 ingekomen verzoek (zaaknummer C/09/709069) van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. van Amsterdam te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam.

Als informant in de zaak C/09/683530 en als belanghebbende in de zaak C/09/709069 wordt aangemerkt:

Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

de gecertificeerde instelling,

Procedure

De rechtbank heeft in beide zaken kennisgenomen van de verzoekschriften.

Beoordeling

Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

Op grond van artikel 285 Rv kan de rechter, als een verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp al bij een andere rechter is ingediend, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van de behandeling.

Bij email van 18 augustus 2026 heeft de gecertificeerde instelling de rechtbank een brief gestuurd waarin zij vragen oproept over de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in de zaak met zaaknummer C/09/709069.

Volgens de BRP is [de minderjarige] op 30 november 2025 verhuisd van [plaats 1] naar [plaats 2], gemeente [gemeente]. Dit heeft geen invloed op de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in de procedure met zaaknummer C/09/683530, omdat het verzoek in die zaak op 11 april 2025 (dus vóór de verhuizing) door de rechtbank is ontvangen.

Het verzoekschrift in de zaak met zaaknummer C/09/709069 is door de rechtbank ontvangen op 14 juli 2026. Op grond van artikel 270 Rv zou de zaak moeten worden verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, tenzij alle partijen aangeven dat zij geen verwijzing wensen.

De gecertificeerde instelling heeft verzocht deze zaak te verwijzen. De rechtbank heeft partijen op 19 augustus 2026 een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat als de zaak met zaaknummer C/09/709069 wordt verwezen, het wenselijk lijkt om ook de zaak met zaaknummer C/09/683530 naar de rechtbank Noord-Holland te verwijzen met het verzoek aan partijen om zich hierover uit te laten. Bij email van 26 augustus 2026 heeft de moeder ermee ingestemd om beide zaken door te verwijzen naar de rechtbank Noord-Holland. Bij bericht van 7 september 2026 heeft de vader meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen heeft indien beide zaken bij de rechtbank Haarlem worden behandeld.

Nu de woonplaats van de minderjarige op grond van artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek in [plaats 2], gemeente [gemeente], is gelegen, is in de zaak met procedurenummer C/09/709069 niet de rechtbank Den Haag bevoegd van dat verzoek kennis te nemen, maar de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank zal deze zaak dan ook naar de bevoegde rechtbank verwijzen.

Op grond van artikel 285 Rv zal de rechtbank ook de zaak met zaaknummer C/09/683530 naar de rechtbank Noord-Holland verwijzen.

Dit betekent dat de geplande zitting bij de rechtbank Den Haag op 16 september 2026 geen doorgang zal vinden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd van het verzoekschrift in de procedure met zaaknummer C/09/709069 kennis te nemen;

verwijst deze zaak en de zaak met zaaknummer C/09/683530 in de stand waarin deze zich bevinden naar de rechtbank Noord-Holland.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.